Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8602

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
21-002199-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:269, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Economische zaak, artikel 10.55 Wet milieubeheer.

Verdachte, een in Duitsland gevestigde onderneming, heeft in Nederland afvalstoffen vervoerd (cabotagevervoer) zonder dat zij in Nederland was ingeschreven in het register voor vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars (VIHB). Het hof verwerpt het verweer van de verdediging, inhoudende dat de eis van een VIHB-registratie in haar situatie, waarin het haar, overeenkomstig de Duitse regelgeving is toegestaan om afvalstoffen te vervoeren, strijdig is met de artikelen 15, 16 en 52 van het EU-Handvest en met het zelfstandige Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2018/135 met annotatie van S. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002199-17

Uitspraak d.d.: 25 september 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2017 met parketnummer 84-075286-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een geldboete van € 2.000,-. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadslieden, mr. dr. D.G.J. Sanderink en mr. M. ter Riet, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 9 december 2015 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten 1492 Flessenglas bontgekleurd, voor (een) ander(en) tegen vergoeding heeft vervoerd, zonder vermelding als vervoerder op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

De opvatting van de economische politierechter, dat de vervoerde afvalstoffen huishoudelijke afvalstoffen zijn die niet zijn aan te merken als bedrijfsafvalstoffen is niet juist. Gelet op artikel 10.36 van de Wet milieubeheer worden huishoudelijke afvalstoffen voor de toepassing van onder meer artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, op de overtreding van welk artikel de tenlastelegging is gebaseerd, gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 9 december 2015 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , bedrijfsafvalstoffen, te weten 1492 Flessenglas bontgekleurd, voor een ander tegen vergoeding heeft vervoerd, zonder vermelding als vervoerder op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Verdachte, een in Duitsland gevestigde onderneming, heeft op 9 december 2015 in Nederland afvalstoffen, te weten bontgekleurd flessenglas, vervoerd. Het betrof cabotagevervoer: binnenlands vervoer, verricht door een in Duitsland gevestigde onderneming. Verdachte was op dat moment niet in Nederland ingeschreven in het register voor vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars (hierna: VIHB).

De verdediging heeft aangevoerd dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: EU-Handvest) in deze zaak van toepassing is omdat de situatie en activiteiten waarvoor verdachte wordt vervolgd binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen.

Ten eerste is verdachte vervolgd ter zake van overtreding van artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, welk artikel een implementatie is van artikel 26 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (hierna: de Kaderrichtlijn). Deze Kaderrichtlijn is ook in de Duitse regelgeving geïmplementeerd en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde de in Duitsland hieromtrent van toepassing zijnde regelgeving volledig naleefde. Daarnaast beschikte verdachte ten tijde van het ten laste gelegde over een EU-vergunning op grond van verordening EG 1072/2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (hierna: de Verordening), die ook ziet op cabotagevervoer, zoals in casu heeft plaatsgevonden.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van een VIHB-registratie in haar situatie, waarin het haar, overeenkomstig de Duitse regelgeving is toegestaan om afvalstoffen te vervoeren, in strijd is met de artikelen 15, 16 en 52 van het EU-Handvest en met het zelfstandige Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De eis om te beschikken over een VIHB-registratie levert volgens de verdediging een aantasting dan wel beperking op van de in de artikelen 15 en 16 van het EU-Handvest genoemde vrijheden die niet noodzakelijk is voor het bereiken van het nagestreefde doel en daarmee niet evenredig is. Artikel 10.55 van de Wet milieubeheer dient daarom buiten toepassing te worden gelaten.

Het voorgaande dient volgens de verdediging te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 10.55 van de Wet milieubeheer luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1.Het is verboden:

a. bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor anderen tegen vergoeding te vervoeren,

(…)

zonder vermelding als respectievelijk vervoerder, handelaar of bemiddelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

(…)

Artikel 26 van de Kaderrichtlijn luidt als volgt:

Wanneer in de hierna volgende gevallen geen vergunningsvereisten gelden, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde instantie een register bijhoudt van

a) inrichtingen of ondernemingen die op beroepsmatige basis afval inzamelen of vervoeren,

b) handelaars of makelaars, en tevens

c) inrichtingen en ondernemingen die vrijgesteld zijn van de vergunningsvereisten overeenkomstig artikel 24.

Waar mogelijk, worden de bestaande gegevens waarover de bevoegde autoriteiten beschikken, gebruikt om de relevante informatie voor dit registratieproces te verkrijgen, teneinde de administratieve lasten te beperken.

Artikel 15 van het EU-Handvest luidt als volgt:

1. Een ieder heeft het recht te werken en een vrijelijk gekozen of aanvaard beroep uit te oefenen.

2. Iedere burger van de Unie is vrij om werk te zoeken, te werken, zich te vestigen of diensten te verrichten in iedere lidstaat.

(…)

Artikel 16 van het EU-Handvest luidt als volgt:

De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

Artikel 52 van het EU-Handvest luidt voor zover hier van belang als volgt:

1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.

(…)

In de onderhavige zaak is het EU-Handvest van toepassing, aangezien de situatie en activiteiten waarvoor verdachte wordt vervolgd binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen. Vastgesteld kan worden dat artikel 10.55 van de Wet milieubeheer tot een beperking kan leiden van de vrijheden en rechten van het bepaalde in de artikelen 15 en 16 van het EU-Handvest.

Op grond van de inhoud van artikel 52 van het EU-Handvest en ook volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een beperking van een door het EU-Handvest gewaarborgde vrijheid op grond van artikel 52 van het EU-Handvest slechts toegestaan, indien deze beperking bij wet is gesteld en indien de wezenlijke inhoud van die vrijheid is geëerbiedigd. Beperkingen kunnen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, alleen worden gesteld als zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist het evenredigheidsbeginsel dat beperkingen niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken beperking worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer er een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel.

De registratieplicht die in artikel 55 van de Wet milieubeheer is neergelegd dient een ander doel dan de regulering van goederenvervoer in het algemeen. Voor zover namens de verdachte is aangevoerd dat zij in Nederland cabotagevervoer mocht verrichten en in Duitsland bedrijfsafvalstoffen mocht vervoeren, laat dit onverlet dat zij voor het vervoer van bedrijfsafvalstoffen dat in Nederland plaatsvindt moet zijn vermeld op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

Ingevolge artikel 1 van de Kaderrichtlijn worden bij deze richtlijn maatregelen vastgesteld om het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen door afvalproductie en de negatieve gevolgen van afvalproductie en -beheer te voorkomen of te verminderen. Artikel 26 van de Kaderrichtlijn schrijft voor dat wanneer geen vergunning is vereist (zoals in casu), de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde instantie een register bijhoudt van inrichtingen of ondernemingen die op beroepsmatige basis afval inzamelen of vervoeren. Doel en strekking van deze registratieplicht is dat zicht bestaat op de afvalstromen in, dan wel van of naar, het betreffende land. De verantwoordelijkheid hiervoor is bij de (afzonderlijke) lidstaten neergelegd. Gelet op de bewoordingen van artikel 26 van de Kaderrichtlijn, moet onder bevoegde instantie in dit verband worden verstaan: de in de betreffende lidstaat bevoegde instantie. Voor zover namens de verdachte is gewezen op de registratie in Duitsland, moet worden opgemerkt dat uit de registratie in een bepaald land niet als vanzelf volgt dat de betreffende vervoerder ook in een of meer andere landen actief is, zodat de hier bevoegde instantie geen zicht krijgt op het vervoer van bedrijfsafvalstoffen in Nederland door in contact te treden met de bevoegde instantie in Duitsland.

Door de implementatie van artikel 26 van de Kaderrichtlijn in artikel 10.55 van de Wet milieubeheer beantwoordt de Nederlandse Staat aan de doelstelling van het algemene en het milieubelang.

Uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat deze registratie op eenvoudige wijze plaatsvindt: men dient op de internetsite van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) een aanmeldingsformulier in te vullen en - voor zover men nog niet aan bepaalde criteria voldoet - bijlagen zoals een uittreksel van de Kamer van Koophandel van de lidstaat van vestiging, een vakdiploma, een Verklaring omtrent het Gedrag en een kopie van de communautaire vergunning (Eurovergunning) bij te voegen en deze stukken per post of digitaal naar de NIWO te verzenden. Inmiddels staat het bedrijf van de verdachte op de lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars. Het hof is van oordeel dat deze registratie slechts een geringe beperking vormt op de door de artikelen 15 en 16 van het EU-Handvest gewaarborgde vrijheden en rechten, die niet verdergaat dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken beperking wordt nagestreefd. De maatregel brengt relatief weinig belasting met zich mee en is niet onevenredig aan het nagestreefde doel. Aldus is geen sprake van strijd met het subsidiariteits- en/of het evenredigheidsbeginsel. De verweren worden verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voor bedrijven die zich in Nederland bezighouden met het inzamelen, vervoeren, verhandelen van of bemiddelen in bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen is vermelding op de landelijke lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars (de zogenoemde VIHB-lijst) verplicht. Verdachte, een in Duitsland gevestigde rechtspersoon, heeft in Nederland flessenglas vervoerd, terwijl zij niet op de VIHB-lijst was vermeld. Verdachte heeft hiermee gehandeld in strijd met de regelgeving, die erop is gericht om het milieu te beschermen en meer specifiek het bevoegd gezag de gelegenheid te bieden zicht te houden op de afvalstromen.

Ter zitting van het hof is aannemelijk geworden dat verdachte zich onmiddellijk na de constatering van dit feit heeft laten registeren op de VIHB-lijst. Verdachte vervoert nog steeds afvalstoffen in Nederland, maar nu in overeenstemming met de Nederlandse regelgeving.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 augustus 2018 is gebleken dat verdachte in Nederland niet eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld. Ook na de constatering van dit feit zijn geen feiten aan het uittreksel toegevoegd.

Voor het bewezenverklaarde handelen vormt de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete van € 2.000,- in beginsel een passende straf. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof opzet op het vervoer zonder vermelding op de lijst niet bewezen, zodat verdachte een overtreding heeft begaan. Dit, tezamen met de omstandigheid dat verdachte na de constatering van het feit onmiddellijk maatregelen heeft genomen om alsnog op de lijst te worden opgenomen, maakt dat het hof een lagere straf zal opleggen. Het hof acht een geldboete van € 1.500,- een passende sanctie.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.55 van de Wet milieubeheer.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (een duizend vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 25 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.