Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8554

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
200.177.795
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige inlichtingen gemeente-ambtenaar. Onjuiste inlichtingen gemeente-ambtenaar over ontwikkelingsmogelijkheden perceel zijn onrechtmatig.

X overweegt een perceel te kopen, de woning af te breken en daarop een appartementengebouw te realiseren. Hij maakt een afspraak met een ambtenaar die hem vertelt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat een verzoek om wijziging van het bestemmingsplan nagenoeg geen kans van slagen zal hebben. X laat daarop het plan varen. Enige tijd daarna wordt het perceel verkocht aan een zoon van een andere ambtenaar, die daarop drie woningen laat realiseren. Op het perceel rustte geen enkele bestemming. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat de inlichtingen van de ter zake deskundige ambtenaar, mede gezien hun stelligheid aan de gemeente als onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2018/92
JA 2018/170
NJF 2019/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.177.795

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/150548)

arrest van 25 september 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Rijssen-Holten,

zetelende te Rijssen,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: gemeente,

advocaat: mr. J.A. Mohuddy,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende/gevestigd te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [X] ,

advocaat: mr. F. Kolkman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 augustus 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

■ de akte van antwoord van de gemeente,

■ de antwoordakte van [X] .

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

Het hof heeft in het tussenarrest de gemeente uitgenodigd te reageren op het verweer van [X] dat is weergegeven in rechtsoverweging 5.3 van het tussenarrest en voorts door een notaris gewaarmerkte kopieën in het geding te brengen van het gehele bestemmingsplan “Kern” uit 1971, het intrekkingsbesluit van 26 november 1976, het goedkeuringsbesluit daarvan van GS van 15 maart 1977, het gehele bestemmingsplan “Herziening Kern ‘76” en het goedkeuringsbesluit van GS van 27 februari 1979, telkens inclusief alle kaarten. De gemeente heeft bij akte kopieën overgelegd van 1) de voorschriften, plankaart en legenda van het bestemmingsplan “Kern” van 16 april 1971, 2) het raadsvoorstel en het raadsbesluit van 26 november 1976 tot gedeeltelijke intrekking van het bestemmingsplan “Kern”, echter zonder de daarbij behorende kaart, 3) het besluit van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: GS) van 15 maart 1977 tot goedkeuring van het intrekkingsbesluit, 4) het raadsbesluit van 24 februari 1978, de toelichting, voorschriften, detailkaarten en profieltekeningen van het bestemmingsplan “Herziening Kern ‘70”, echter zonder de plankaart en de legenda en 5) het besluit van GS van 27 februari 1979 tot gedeeltelijke goedkeuring van het bestemmingsplan “Herziening Kern ‘70” met bijbehorende, door GS bewerkte plankaart, echter zonder het besluit of de brief die GS op 27 februari 1979 hadden gestuurd en die [X] als productie 6 heeft overgelegd. De gemeente heeft verder gereageerd op het verweer van [X] . [X] heeft bij antwoordakte gereageerd op de stellingen van de gemeente en heeft onder meer de kaart die hoort bij het onder 2) genoemde intrekkingsbesluit overgelegd.

2.2

Het hof overweegt als volgt. De gemeente heeft in nr. 11 van haar akte opgemerkt dat zij de juistheid van de door [X] overgelegde kaarten niet betwist. Het hof constateert dat op de bij het besluit van GS van 27 februari 1979 horende plankaart (productie 16) het gebied rood is omrand. Een detailopname ziet er als volgt uit:

2.3

Opmerkelijk is dat er kennelijk ook een kaart in zwart-wit bestaat waarin, zij het niet zo goed zichtbaar, een wat onvast getrokken rode lijn zichtbaar is, zoals uit de volgende detailopname blijkt:

2.4

Partijen verbinden aan deze verschillende versies echter geen consequenties.

2.5

Uit de toelichting op het goedkeuringsbesluit (productie 6 memorie van antwoord) volgt dat aan het roodomrande gebied goedkeuring is onthouden. De gemeente stelt dat deze beslissing van GS aldus moet worden uitgelegd dat GS slechts bezwaren hadden tegen verplaatsing van de “woningstrook” in oostelijke richting en dat zij dat wilden tegenhouden en dat het nooit de bedoeling van GS was om het roodomrande gebied te zuiveren van alle bestemmingen, maar juist om de bestaande planologische situatie te behouden. Het hof gaat ervan uit dat deze stellingen een uitwerking vormen van hetgeen de gemeente heeft gesteld in nr. 35 van de memorie van grieven. Het beroep door [X] op de tweeconclusieregel slaagt daarom niet.

2.6

Uit de stellingen van de gemeente in haar akte van antwoord leidt het hof af dat zij niet meer volhoudt dat de door haar bij nr. 30 memorie van grieven afgebeelde detailtekening, waaruit zou volgen dat slechts het bebouwingsvlak binnen de rode omranding zou vallen, de juiste verbeelding is van de bijlage bij het besluit van GS van 27 februari 1979.

2.7

De in 2.5 weergegeven stellingen van de gemeente zijn onjuist. Door onthouding van goedkeuring door GS aan het desbetreffende deelgebied op grond van artikel 26 lid 4 van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals die in 1979 gold (hierna: WRO (oud)), trad de door de raad aan het roodomrande deelgebied toegekende bestemming niet in werking: de onthouding had niet slechts betrekking op het aaneengesloten, rood gekleurde bebouwingsvlak maar op het gehele roodomrande deelgebied, dus ook de geelgekleurde en witte vlakken. Het bestemmingplan “Herziening Kern ‘70” bevatte voor het gehele deelgebied daarom geen voorschriften. Omdat het bestemmingsplan “Kern ‘70” ook voor dat deelgebied in 1976/1977 was ingetrokken en gesteld noch gebleken is dat er een ouder bestemmingsplan of uitbreidingsplan voor het deelgebied is vastgesteld, golden in 2009 voor het deelgebied, inclusief het perceel [het perceel] (hierna: het perceel), geen planologische voorschriften. Uit de kritiek van GS op de voor dat deelgebied geldende voorschriften van het bestemmingsplan “Herziening kern ‘70” blijkt weliswaar dat GS wensten dat de bestaande bebouwing aan de oostelijke zijde van de [straat] positief zou worden bestemd door verplaatsing van het bebouwingsvlak in westelijke richting, maar het was aan de gemeente om die wens te realiseren in een nieuw bestemmingsplan. De door de gemeente verdedigde uitleg is daarom niet in overeenstemming met artikel 26 WRO (oud).

2.8

De conclusie van het voorgaande is dat de beslissingen van de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.3.8-9 juist zijn, dat er ten tijde van het gesprek tussen gemeenteambtenaar [de ambtenaar] en [X] geen bestemmingsplan voor het perceel gold en dat de mededelingen van [de ambtenaar] aan [X] daarom onjuist waren en dat grief 3 faalt.

2.9

De grieven 1, 2, 4 en 5 richten zich tegen de beslissingen van de rechtbank over de vraag die [X] aan [de ambtenaar] heeft gesteld, het antwoord dat [de ambtenaar] heeft gegeven en de onrechtmatigheid van dat antwoord. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Maatgevend voor aansprakelijkheid van de gemeente voor de onjuiste mededeling van [de ambtenaar] is de rechtsregel die de Hoge Raad heeft geformuleerd in rechtsoverweging 3.5.1 van zijn arrest van 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:AW0219, NJ 2012/340, ’s-Hertogenbosch/Van Zoggel:

“Het gaat in deze zaak om de vraag of een gemeente onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan een belanghebbende, naar aanleiding van een door deze gedaan verzoek, over de mogelijkheden die haar regelgeving — in dit geval een bestemmingsplan — die belanghebbende biedt en of die gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld jegens de belanghebbende. Het antwoord op die vraag hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.”

2.10

In het licht van dit criterium is het van belang vast te stellen wat tussen [X] en [de ambtenaar] is besproken op 24 september 2009 en wat zij hebben moeten begrijpen omtrent de inhoud van het verzoek, respectievelijk de aard en inhoud van de verstrekte inlichtingen. [de ambtenaar] heeft zich over het gesprek een aantal malen uitgelaten, te weten in zijn brief aan [X] van 15 juni 2010 (productie 5 bij de inleidende dagvaarding), in zijn schriftelijke notitie van 6 december 2009 of 2010 (productie 9 bij akte van de gemeente van 8 oktober 2014), in zijn schriftelijke verklaring van 7 april 2014 (productie 3 bij conclusie van antwoord) en in zijn mondelinge verklaring tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank Overijssel op 11 juli 2014. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 4.3.6 en 4.3.7 beslist dat het verweer van de gemeente de notitie van 6 december 2009 of 2010 buiten beschouwing te laten, wordt verworpen. De gemeente heeft deze rechtsoverwegingen weliswaar geciteerd bij grief 1, maar tegen deze beslissing geen kenbare grief geformuleerd. Het hof betrekt daarom de inhoud van de notitie bij zijn oordeelsvorming.

2.11

De herinneringen van [de ambtenaar] komen blijkens deze verklaringen op het volgende neer. Op 24 september 2009 heeft hij gesproken met [X] die het plan had om op het perceel [het perceel] een klein appartementengebouw te realiseren en die daarvan een eenvoudige schets had meegenomen. [X] had de afspraak van tevoren gemaakt. Vóór de bespreking had [de ambtenaar] het bestemmingsplan bekeken op mogelijkheden voor het perceel. [de ambtenaar] verkeerde in de veronderstelling dat het bestemmingsplan “Herziening Kern ‘70” gold. Tijdens het gesprek had hij het bestemmingsplan bij zich. Hij heeft [X] verteld dat op basis van het geldende bestemmingsplan een appartementengebouw niet was toegestaan en dat een toevoeging van het aantal woningen, buiten de bestaande mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan om, niet in behandeling zou worden genomen gezien het woningbouwprogramma en dat het idee van [X] weinig kans van slagen had. Omdat [de ambtenaar] altijd vertelt dat een principeverzoek tot afwijking van het bestemmingsplan kan worden gedaan, neemt hij aan dat hij dat ook tegen [X] heeft gezegd. In zo’n geval vertelt hij ook dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente beslist over een verzoek tot afwijking van het bestemmingsplan, maar dat in 99% van de gevallen het advies van de ambtenaren wordt gevolgd. In het interne raadpleegsysteem voor bestemmingsplannen stond het bestemmingsplan “Herziening Kern ‘70” als geldend bestemmingsplan voor het perceel vermeld. [de ambtenaar] heeft het intrekkingsbesluit van 26 november 1976 niet herkend/gevonden in het interne systeem van de gemeente. Een stapeling van besluiten (vaststelling bestemmingsplan, gedeeltelijke intrekking ervan, vaststelling nieuw bestemmingsplan, gedeeltelijke onthouding van goedkeuring daaraan) als hier aan de orde is volgens [de ambtenaar] ongebruikelijk. [de ambtenaar] voert veel van dit soort gesprekken.

2.12

Op basis van deze verklaringen kan het volgende worden vastgesteld. [X] kwam naar het gemeentehuis met een vraag naar de ontwikkelingsmogelijkheden van een concreet perceel. [de ambtenaar] wist van tevoren om welk perceel het ging en heeft enig vooronderzoek gedaan naar de geldende bestemming van het perceel en het volgens hem geldende bestemmingsplan meegenomen naar de bespreking. Zijn veronderstelling omtrent het geldende bestemmingsplan is onjuist gebleken, (mede) omdat het interne raadpleegsysteem van de gemeente daarover een onjuistheid bevatte, althans onvoldoende inzichtelijk was. Op basis van die onjuiste veronderstelling heeft [de ambtenaar] aan [X] verteld dat de realisatie van een appartementengebouw niet was toegestaan op het perceel, evenmin als de bouw van extra woningen en dat de gemeente geen medewerking zou verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. Dat deze inlichtingen van een deskundige ambtenaar - die over een concreet perceel gingen, stellig van aard waren, met het bestemmingsplan op tafel, en die geen ruimte lieten voor het bepleiten van een wijziging van de geldende bestemming - juist en volledig waren, had [X] naar het oordeel van het hof mogen begrijpen. Omdat de inlichtingen onjuist waren, zijn deze gedragingen van [de ambtenaar] onrechtmatig en worden zij als onrechtmatige daad aan de gemeente toegerekend. Dat [de ambtenaar] geen mandaat/volmacht had om dergelijke inlichtingen te verstrekken staat er niet aan in de weg dat zijn gedragingen als onrechtmatig aan de gemeente kunnen worden toegerekend, ook omdat het kennelijk tot zijn taak behoorde om gesprekken als deze te voeren.

2.13

Dat in het algemeen kan worden gezegd dat het de verantwoordelijkheid van een vastgoedontwikkelaar is om de geldende bestemming te achterhalen en dat gesprekken als die tussen [de ambtenaar] en [X] een service van gemeenten vormen, die door te vergaande aansprakelijkheid onder druk zou kunnen komen te staan, maken het voorgaande niet anders. De stelligheid van het negatieve oordeel van [de ambtenaar] over de (on)haalbaarheid van de ideeën van [X] over het perceel was zodanig dat het begrijpelijk is dat [X] definitief werd ontmoedigd aan die ideeën een vervolg te geven en er kosten voor te maken. Hierbij is ook relevant dat de onjuiste inlichting die [de ambtenaar] gaf, (mede) haar oorzaak had in een fout in het interne kennissysteem van de gemeente, wat toerekening van de onjuiste inlichtingen aan de gemeente mede rechtvaardigt. De onjuiste inlichtingen zijn dan ook niet te beschouwen als een eerste, voorlopige indruk van een ambtenaar die moet improviseren naar aanleiding van een hem gestelde vraag over ontwikkelingsmogelijkheden van een perceel. Tenslotte weegt mee dat de onjuistheid van de inlichtingen niet een gradueel karakter had, maar dat [X] door die onjuistheid volledig op het verkeerde been werd gezet. De ontwikkelingsmogelijkheden van het perceel waren niet nagenoeg nihil, maar juist ruim en werden slechts beperkt door de algemene stedenbouwkundige randvoorwaarden uit de bouwverordening.

2.14

De klacht van de gemeente in nr. 74 van de memorie van grieven dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.4.5 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft beslist dat het voor de gemeente voldoende duidelijk moet zijn geweest dat [X] een, zelfs enigszins omvangrijk, financieel belang had bij zijn vraag, slaagt niet. [de ambtenaar] , die wist dat [X] een appartementengebouw op het perceel wilde realiseren, had zich moeten realiseren dat [X] bij de bouw van dit appartementengebouw een financieel belang had en dat [X] af zou zien van realisatie van dit financiële belang door de stellige inlichtingen die [de ambtenaar] had gegeven.

2.15

Al hetgeen in 2.12-14 is overwogen brengt ook mee dat in dit geval niet kan worden gezegd dat door aansprakelijkheid van de gemeente voor de onjuiste inlichtingen het wettelijke systeem van verlening van, destijds, bouwvergunningen en/of projectbesluiten voor de realisatie van bouwprojecten wordt omzeild. In het algemeen geldt dat een vastgoedontwikkelaar een bouw-/omgevingsvergunning zal moeten aanvragen, wil hij zekerheid hebben over de planologische toelaatbaarheid van zijn plannen. In dit geval waren de inlichtingen van [de ambtenaar] zo stellig en zo negatief over de ideeën van [X] , ook wat de kansen van een (principe-)verzoek tot afwijking van het bestemmingsplan betreft, dat begrijpelijk is dat deze verder heeft afgezien van het steken van tijd en geld in die ideeën. Onder deze omstandigheden behoefde van [X] niet te worden gevergd dat hij een principeverzoek of een aanvraag voor een bouwvergunning en een projectbesluit als bedoeld in artikel 46 van de Woningwet (oud) en artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (oud) zou indienen. Grief 5 is daarom niet gegrond.

2.16

De gemeente heeft aangevoerd, dat het gesprek tussen [de ambtenaar] en [X] kort en informeel was en dat de plannen van [X] weinig concreet waren. Ook al zou dat zo zijn, dan nog neemt dat niet de onrechtmatigheid weg van de onjuiste inlichtingen, omdat deze in zulke stellige bewoordingen waren gegoten.

2.17

De gemeente heeft er zich verder op beroepen dat de planologische situatie complex was en dat daarom aansprakelijkheid voor de onjuiste inlichtingen te ver zou voeren. Veronderstellenderwijs aannemende dat de planologische situatie complex was en dat de complexiteit vooral school in het intrekkingsbesluit van de raad van 26 november 1976, waardoor na de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het bestemmingsplan “Herziening Kern ‘70”, het oude bestemmingsplan “Kern ‘70” niet ging gelden voor het perceel en ervan uitgaande dat [de ambtenaar] deze complexiteit niet had onderkend tijdens het gesprek met [X] , dan nog neemt dat de onzorgvuldigheid van de stellig gedane inlichtingen niet weg en kunnen deze gedragingen aan de gemeente worden toegerekend, ook omdat de gemeente het interne kennissysteem niet op orde had.

2.18

Over de in grief 4 opgenomen stellingen van de gemeente dat van [X] , samengevat, in de gegeven omstandigheden zelf (voor-)onderzoek had mogen worden verwacht, oordeelt het hof als volgt. In zoverre dit verweer de onrechtmatigheid van de gedragingen betreft, is dit betrokken in het hiervoor door het hof gegeven oordeel daarover erop neerkomende dat [X] op de stelligheid van het negatieve oordeel van [de ambtenaar] over de (on)haalbaarheid van zijn ideeën mocht vertrouwen, welk oordeel zich mede uitstrekt over de stellingen van de gemeente betreffende het (voor)onderzoek. In zoverre dit verweer de door de gemeente gestelde eigen schuld van [X] dan wel de toerekenbaarheid van de schade betreft, zijn deze verweren door de rechtbank als zodanig naar de schadestaatprocedure verwezen (zie rechtsoverweging 4.7.5 van het bestreden vonnis) en kunnen deze daar opnieuw aan de orde worden gesteld en beoordeeld, mede in het licht van de stelling van [X] dat hij het plan had op het perceel 9 appartementen te realiseren, althans een dergelijk plan had kunnen uitvoeren en dat hem een winst is ontgaan van € 1.272.253 (zie productie 12 bij inleidende dagvaarding). In zoverre slaagt grief 4, hetgeen echter niet tot aanpassing van het dictum kan leiden.

2.19

De gemeente klaagt er in grief 1 over dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat [X] aan [de ambtenaar] heeft gevraagd wat de maximale bebouwingsmogelijkheden op het perceel waren en als verklaring voor recht ten onrechte heeft toegewezen dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [X] onjuist te informeren over de maximale bestemmingsmogelijkheden van het perceel. Volgens haar heeft [X] niet gevraagd naar de maximale bebouwingsmogelijkheden. [X] persisteert bij zijn stelling dat hij wel heeft gevraagd naar de maximale planologische mogelijkheden op het perceel. Het hof overweegt dat voor de verklaring voor recht omtrent de onrechtmatigheid niet van belang is of de inlichtingen van [de ambtenaar] onjuist waren omtrent het maximaal haalbare qua bestemmingsmogelijkheden. In de schadestaatprocedure zal moeten worden vastgesteld, wat er zou zijn gebeurd als [de ambtenaar] juiste inlichtingen zou hebben verstrekt. Als dan voor de bepaling van de omvang van de schade nodig is dat moet worden vastgesteld of er over maximale bestemmingsmogelijkheden is gesproken, kan daarover zo nodig instructie plaatsvinden. Grief 1 is daarom gegrond. Uit de verklaring voor recht, zoals die is gegeven door de rechtbank, zal het woord “maximale” worden geschrapt.

2.20

Grief 2, waarin de gemeente aanvoert dat tijdens het gesprek slechts is gesproken over de realisatie van een appartementengebouw en niet over woningen op het perceel, is ongegrond, omdat uit de verklaring van [de ambtenaar] van 6 december 2009 of 2010 volgt dat hij ook inlichtingen heeft verstrekt over toevoeging van woningen op het perceel.

2.21

Grief 6 richt zich tegen rechtsoverweging 4.6.2, waarin de rechtbank het verweer van de gemeente verwerpt omtrent het ontbreken van causaal verband (in de zin van het condicio-sine-qua-non-verband). Deze op zichzelf juiste overweging moet worden gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 4.7-4.7.5, waarin de rechtbank heeft beslist dat de kans op schade door de onrechtmatige inlichtingen aannemelijk is en dat daarom verwijzing naar de schadestaatprocedure moet volgen, in welke procedure de daar genoemde verweren aan de orde kunnen komen, waaronder die naar de vraag of toerekening van de schade aan de gemeente redelijk is (artikel 6:98 BW). Dit oordeel is juist, zodat grief 6 ongegrond is.

2.22

Hoewel de grieven 1 en 4 (ten dele) slagen, geldt de gemeente nog steeds als de in eerste instantie overwegend in het ongelijk gestelde partij en is zij terecht in de proceskosten veroordeeld. Grief 7 is daarom ongegrond.

2.23

De gemeente heeft in beide instanties een algemeen bewijsaanbod gedaan, in hoger beroep nader geconcretiseerd door aan te bieden dat [de ambtenaar] wordt gehoord als getuige. Het hof ziet echter geen aanleiding om bewijs op te dragen aan [X] of de gemeente, ook omdat de gang van zaken voldoende duidelijk is geworden op basis van de schriftelijke verklaringen van [de ambtenaar] en zijn verklaring tijdens de comparitie van partijen, welke verklaringen door partijen niet voldoende zijn betwist.

3 Slotsom

3.1

De grieven 1 en 4 slagen ten dele en de grieven falen voor het overige. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behalve voor zover het de verklaring voor recht betreft, die zal worden gewijzigd, zoals in 2.19 is besproken.

3.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof de gemeente in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [X] zullen worden vastgesteld op € 311 voor griffierecht en op € 1.611 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punt x tarief II).

3.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 juni 2015, behalve voor zover het de verklaring voor recht onder I betreft, welk onderdeel van het vonnis het hof vernietigt, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [X] onjuist te informeren omtrent de bestemmingsmogelijkheden op het perceel [het perceel] ;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [X] vastgesteld op € 311 voor verschotten en op € 1.611 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt de gemeente in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval de gemeente niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, F.J. de Vries en L.F. Wiggers-Rust, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 september 2018.