Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8520

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
200.213.457/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 2:19 BW. De omstandigheid dat de vennootschap inmiddels is ontbonden en geliquideerd staat er niet aan in de weg dat de procedure als oorspronkelijk procespartij door en tegen haar kan worden voortgezet.

Artikel 3:45 BW. Verklaring voor recht gevraagd dat de managementovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd. Er is niet voldaan aan het vereiste van benadeling. Geen pauliana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/1056
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.457/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/186625 / HA ZA 16-215)

arrest van 25 september 2018

in de zaak van

1 [appellant1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant1],

2. [appellant2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant2],

3. de vennootschap naar Australisch recht Tanstaafl PTY Limited,

gevestigd te Sydney, Australie,

hierna: Tanstaafl,

4. Maatschap De Nieuwe VOC,

gevestigd te Lochem,

hierna te noemen: De nieuwe VOC,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: De Nieuwe VOC c.s.,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 Nieuwe Rollecate B.V.,

gevestigd te Deventer,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Nieuw Rollecate,

niet verschenen

2 Akkefietje en Perikele Beheer B.V.,

gevestigd te Lochem,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: APB,

advocaat: mr. R. de Lange, kantoorhoudend te Winterswijk.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 mei 2018 hier over.

1.2.

Ingevolge dit tussenarrest heeft op 12 juli 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. Na de zitting zijn, zoals ter comparitie besproken en toegestaan, op 18 juli 2018 drie producties binnengekomen.

1.3.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het voor de comparitie overgelegde dossier, aangevuld met het proces-verbaal en de nagekomen producties.

1.4.

De Nieuwe VOC c.s. vordert in hoger beroep het tussen partijen gewezen vonnis van 11 januari 2017 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat de managementovereenkomst d.d. 7 januari 2016 tussen APB en Nieuw Rollecate als paulianeus in de zin van artikel 3:45 BW bestempeld dient te worden en dat De Nieuwe VOC c.s. deze terecht buitengerechtelijk vernietigd hebben;

- Nieuw Rollecate te verbieden om enige betaling aan APB te doen op grond van de met haar gesloten managementovereenkomst d.d. 7 januari 2016, zolang zij nog enige huurachterstand aan De nieuwe VOC heeft of nog enige verplichting jegens [appellant1] of [appellant2] uit hoofde van de met dezen gesloten geldleningsovereenkomsten heeft;

- APB te verbieden om nadere rechtsmaatregelen te nemen tegen Nieuw Rollecate op grond van de met haar gesloten managementovereenkomst d.d. 7 januari 2016, conservatoire maatregelen daaronder begrepen, zolang Nieuw Rollecate nog enige huurachterstand aan De Nieuwe VOC heeft of enige verplichting jegens [appellant1] of [appellant2] uit hoofde van de met dezen gesloten geldleningsovereenkomsten heeft;

alles met veroordeling van Nieuw Rollecate in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten.

2 De vaststaande feiten

2. De door de rechtbank in haar vonnis van 11 januari 2017 in rechtsoverweging
2 (2.1 tot en met 2.11) als vaststaand weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Aangevuld met wat verder nog onweersproken is gesteld, staat voor zover in hoger beroep nog van belang het navolgende vast.

2.1

Nieuw Rollecate is in juli 2014 opgericht ten behoeve van de exploitatie van een (toen nog op te richten) particulier woonzorgcentrum. Vanaf de oprichting van Nieuw Rollecate hield APB 2/3 deel van de aandelen en Zomer Zorg Bathmen Beheer B.V. (ZZBB) 1/3 deel van de aandelen in Nieuw Rollecate. APB was met ZZBB gezamenlijk bevoegd bestuurder van Nieuw Rollecate.

2.2

De heer [C] en mevrouw [D] zijn enig aandeelhouders en bestuurders van APB. Mevrouw [E] is enig aandeelhouder en bestuurder van ZZBB.

2.3

In juli en augustus 2015 hebben [appellant1] en [appellant2] ieder een (totaal)bedrag van

€ 126.500,- aan Nieuw Rollecate geleend.

2.4

[appellant1] , [appellant2] en Tanstaafl PTY vormen samen de maatschap Maatschap De Nieuwe VOC. De Nieuwe VOC is per 9 oktober 2015 eigenaar geworden van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [F] (hierna: het pand). Het pand is verhuurd aan Nieuw Rollecate.

2.5

Nieuw Rollecate heeft de vanaf 1 november 2015 aan De Nieuwe VOC verschuldigde huurpenningen ten bedrage van € 25.992,- per maand, met uitzondering van een deelbetaling van € 10.000,-, onbetaald gelaten. De huurachterstand bedroeg per datum dagvaarding in eerste aanleg € 181.944,-.

2.6

Op 7 januari 2016 heeft APB haar aandelen in Nieuw Rollecate verkocht aan ZZBB, waarna ZZBB enig aandeelhouder en bestuurder van Nieuw Rollecate werd. Daartoe hebben APB en ZZBB een (ver)koopovereenkomst gesloten (hierna: de koopovereenkomst), onder meer inhoudende het volgende:

Artikel 3. Koopsom
1. De koopsom voor de aandelen bedraagt € 250.000 (…) en wordt voldaan op de wijze zoals hierna bepaald. (…)

Artikel 6. Betaling koopsom
1. De koopsom van de aandelen bestaat uit een vast bedrag, hierna te noemen: “vaste koopsom” en een nabetaling gebaseerd op de bezettingsgraad van de vennootschap, hierna te noemen “earn out”.
2. De vaste koopsom bedraagt € 200.000 (…).
3. De earn out bedraagt € 50.000 (…) te betalen uiterlijk op 1 november 2019 indien de bezettingsgraad van de vennootschap gedurende de gehele periode van 1 november 2016 tot 1 november 2019 meer dan 66.66% bedraagt (inhoudende dat constant minimaal 16 van de 24 appartementen verhuurd waren).

(…)
15. De directeuren van de vennootschap zijn:
- Akkefietje en Perikele Beheer B.V.
- Zomer Zorg Bathmen Beheer B.V.

(…)

17. Voormelde directeur Akkefietje en Perikele Beheer B.V. met ingang van 1 januari 2016 zal aftreden als directeur van de vennootschap zonder dat haar terzake enige vergoeding of schadeloosstelling toekomt. (…)

Artikel 16. Overige bepalingen
1. Tussen verkoper en de vennootschap zal een managementovereenkomst worden gesloten, waarbij verkoper recht krijgt op een managementfee van € 50.000 (excl btw) per jaar gedurende de periode van 1 november 2015 tot 1 november 2019. De aandeelhouders/bestuurders van verkoper, te weten de heer [C] en mevrouw [D] , zullen daarbij over de periode van 1 november 2015 tot 1 november 2019 gezamenlijk voor (ten minste) 6.768 uur (gebaseerd op vier jaar 1.692 uur per jaar (…) werkzaam zijn voor en in de vennootschap.
(…)
3. Vanaf 1 januari 2016 is mevrouw [E] eindverantwoordelijk voor de dagelijkse leiding van de vennootschap.

2.7.

Eveneens op 7 januari 2016 is tussen Nieuw Rollecate, vertegenwoordigd door ZZBB, en APB een managementovereenkomst (hierna: de managementovereenkomst) gesloten, onder meer inhoudende het volgende:


Artikel 1. Werkzaamheden
1. De manager [hof: APB] voert met ingang van 1 november 2015 de navolgende managementwerkzaamheden uit:
Het ondersteunen (…) van mevrouw [E] bij het geven van dagelijkse leiding aan de vennootschap. (…)
2. Deze overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 1 november 2019.

(…)
4. Manager verbindt zich de hieraan verbonden werkzaamheden te doen uitvoeren door haar directeuren de heer [C] en mevrouw [D] .. (…)


Artikel 2. Managementvergoeding
1. Voor de uitoefening van het management geniet de manager [hof: APB] vanaf 1 november 2015 een vaste managementvergoeding van € 50.000 per jaar (…)"

2.8

Bij ongedateerde brief hebben [D] en [C] onder meer het volgende aan ZZBB geschreven:

"In reactie op uw brief d.d. 19 februari jl. waarin u de tussen Nieuw Rollecate B.V. en Akkefietje en Perikele Beheer B.V. gesloten managementovereenkomst opzegt en ons de toegang tot Nieuw Rollecate ontzegt, kunnen wij u het volgende berichten.

Wij betreuren deze opzegging ten zeerste, maar gelet op de inmiddels ontstane situatie zien we ons genoodzaakt onze samenwerking te beëindigen. (…)"

2.9

Bij brief van 8 april 2016 heeft de advocaat van De Nieuwe VOC het volgende aan APB geschreven:
"Ik heb kennis genomen van de koopovereenkomst aandelen d.d. 7 januari 2016 tussen Akkefietje en Perikele Beheer B.V. (APB) en Zomer Zorg Bathmen Beheer B.V. en de mede daarop gebaseerde managementovereenkomst van dezelfde datum tussen APB en Nieuw Rollecate B.V.. Laatstgenoemde overeenkomst wordt hierbij door mijn cliënten buitengerechtelijke vernietigd op grond van artikel 3:45 BW.

Het is volstrekt duidelijk dat Nieuw Rollecate B.V. al ruim vóór 7 januari 2016 niet in staat was haar gewone verplichtingen na te komen. Sinds de dag waarop mijn cliënten het desbetreffende pand hebben verworven, is er in het geheel geen huur betaald.
Bij de huidige vooruitzichten valt ook nauwelijks te verwachten dat nieuw Rollecate B.V. spoedig wel aan haar lopende huurverplichtingen kan voldoen, laat staan dat zij de ontstane huurachterstand binnen afzienbare tijd ook maar enigszins zal kunnen inlossen.

APB was van de nijpende financiële problemen van Nieuw Rollecate B.V. volledig op de hoogte.
De managementovereenkomst is onverplicht aangegaan. Zowel APB als Nieuw Rollecate B.V. moeten geacht worden te hebben begrepen dat benadeling van bestaande schuldeisers hiervan het gevolg was. Deze overeenkomst kan dan ook moeilijk anders dan als paulianeus worden bestempeld, reden waarom cliënten deze hebben vernietigd. "

2.10

Bij brief van 15 april 2016 heeft de advocaat van [appellant1] en [appellant2] aan APB bericht namens hen de managementovereenkomst d.d. 7 januari 2016 op grond van artikel 3:45 BW te vernietigen en, mede namens De Nieuwe VOC, ook artikel 16 lid 1 van de koopovereenkomst aandelen d.d. 7 januari 2016 te vernietigen (de verplichting tot het aangaan van de managementovereenkomst).

2.11

[appellant1] , [appellant2] en Tanstaafl PTY hebben op 19 april 2016 Nieuw Rollecate en APB in kort geding gedagvaard en - na vermindering van eis - samengevat gevorderd dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 3:45 BW Nieuw Rollecate zal verbieden om voor de duur van de te entameren bodemprocedure enige betaling uit hoofde van de managementovereenkomst aan APB te doen en APB te verbieden om op grond van de managementovereenkomst ten laste van Nieuw Rollecate conservatoir beslag te leggen. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen bij vonnis van 24 mei 2016 afgewezen.

2.12

Nieuw Rollecate is per 20 maart 2017 ontbonden.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De Nieuwe VOC c.s. hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd conform hetgeen hiervoor in rov. 1.4 is weergegeven. De Nieuwe VOC c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de managementovereenkomst en de verplichting tot het aangaan van de managementovereenkomst zoals opgenomen in de koopovereenkomst, als paulianeus moet worden aangemerkt en dat deze daarom terecht buitengerechtelijk zijn vernietigd, zodat er geen uitvoering aan de overeenkomsten mag worden gegeven.

3.2

In reconventie heeft APB gevorderd voor recht te verklaren dat de managementovereenkomst ten onrechte buitengerechtelijk is vernietigd, waardoor de managementovereenkomst nog volledig heeft te gelden en de buitengerechtelijke vernietiging rechtens geen effect heeft gehad.

3.3

De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing, zodat de door APB gevoerde verweren ook ten voordelen van Nieuw Rollecate strekken en heeft vervolgens in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat de managementovereenkomst d.d. 7 januari 2016, gesloten tussen APB en Nieuw Rollecate, tussen de daarbij betrokken partijen heeft te gelden en dat de buitengerechtelijke vernietiging rechtens geen effect heeft gehad. In conventie en in reconventie zijn De Nieuwe VOC c.s. in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

Ontvankelijkheid

4.1

APB heeft gesteld dat De Nieuwe VOC c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, (i) omdat de rechtbank in reconventie een verklaring voor recht heeft gegeven, kort weergegeven, dat de managementovereenkomst tussen betrokken partijen heeft te gelden en dat de buitengerechtelijke vernietiging rechtens geen effect heeft gehad. Nu De Nieuwe VOC c.s. hiervan niet in beroep zijn gekomen heeft deze beslissing tussen partijen gezag van gewijsde, en (ii) omdat vaststaat dat Nieuw Rollecate is geliquideerd en ontbonden, zodat een oordeel over een overeenkomst waarbij een van de betrokken partijen niet meer bestaat zinledig is, waardoor ieder belang aan de vorderingen van De Nieuwe VOC c.s. is komen te ontvallen.

4.2

Het hof overweegt met betrekking tot (i) het volgende. De grief van De Nieuwe VOC c.s. strekt ertoe om een verklaring voor recht te verkrijgen dat de buitengerechtelijke vernietiging van de managementovereenkomst rechtens effect heeft gehad. Het is evident dat de grief zich daarmee ook richt tegen de beslissing in reconventie, voor zover daarin het oordeel is gegeven dat de buitengerechtelijke vernietiging geen effect heeft gehad.

Met betrekking tot (ii) overweegt het hof dat de omstandigheid dat Nieuw Rollecate inmiddels is ontbonden en geliquideerd er niet aan in de weg staat dat Nieuw Rollecate als oorspronkelijk gedaagde procespartij is blijven bestaan en dat de procedure door en tegen haar kan worden voortgezet, ook al is de vereffening van haar vermogen inmiddels geëindigd en is daarvan opgaaf gedaan door de vereffenaar aan de registers overeenkomstig art. 2:19 lid 6 BW (vergelijk HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762). Het belang van De Nieuwe VOC om een oordeel te krijgen over het al dan niet bestaan van de managementovereenkomst ligt daarin dat de uit de managementovereenkomst voortvloeiende verplichtingen in het kader van een eventuele heropening van de vereffening een rol kunnen spelen. Het betoog van Nieuw Rollecate dat De Nieuwe VOC c.s. niet-ontvankelijk zouden zijn in hun hoger beroep, gaat dan ook niet op.

Nieuw Rollecate niet verschenen

4.3

De Nieuwe VOC c.s. hebben in hoger beroep naast APB ook Nieuw Rollecate gedagvaard. Zoals hiervoor in rov. 4.2 is overwogen is Nieuw Rollecate als oorspronkelijk procespartij ondanks haar ontbinding en liquidatie blijven bestaan. Nu de voorgeschreven formaliteiten en termijnen bij haar dagvaarding in hoger beroep in acht zijn genomen en Nieuw Rollecate niet is verschenen, is tegen haar verstek verleend.

Managementovereenkomst

4.4

De kern van het geschil betreft de vraag of (het aangaan van) de managementovereenkomst als paulianeus dient te worden aangemerkt in de zin van artikel 3:45 BW.

4.5.

De nieuwe VOC c.s. hebben één grief gericht tegen het bestreden vonnis. Zij klagen in deze grief over het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.9. van het bestreden vonnis, dat geen sprake is van benadeling. Volgens De Nieuwe VOC c.s. bestond de benadeling hierin dat tot aan het sluiten van de managementovereenkomst

een ondernemingsbeloning aan APB niet was verschuldigd, en nadien wel. In de haalbaarheidsstudie die de basis vormde voor de exploitatie van Nieuw Rollecate was ook bewust geen rekening gehouden met het betalen van een managementvergoeding. Uitgangspunt was dat [C] en [D] zich naar vermogen zouden inzetten voor Nieuw Rollecate en dat pas een managementvergoeding of salaris zou worden uitgekeerd als Nieuw Rollecate winstgevend zou zijn. Door het sluiten van de managementovereenkomst kwam aan dit uitgangspunt een einde en moest betaald worden voor de werkzaamheden. Daarnaast werd met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2015 een vergoeding bedongen, terwijl die werkzaamheden al onbezoldigd waren verricht.

4.6

APB heeft weersproken dat sprake is van benadeling van schuldeisers en heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat geen enkel goed van Nieuw Rollecate aan verhaal is onttrokken, aan APB geen zekerheden zijn verstrekt en dat tegenover de verplichting tot betaling van de managementvergoedingen een daarmee corresponderende verplichting is overeengekomen dat APB zorg zou dragen voor werkzaamheden die 1692 uur per jaar omvatten. Inmiddels is Nieuw Rollecate na een zogenoemde turbo-liquidatie ontbonden, zonder dat aan een van de betrokken partijen ook maar iets is voldaan, zodat er qua verhaalsmogelijkheden ook geen verschil is tussen de situatie waarin er wel of geen managementovereenkomst zou zijn gesloten.

4.7

Het hof oordeelt als volgt.

Er gelden in dit geval vijf cumulatieve vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 3:45 BW: i) een door Nieuw Rollecate verrichte rechtshandeling, ii) die onverplicht was en iii) die haar crediteuren, waaronder De Nieuwe VOC, benadeelt in hun verhaalsmogelijkheden , met iv) wetenschap bij APB van zodanige benadeling en v) ook wetenschap van benadeling bij Nieuw Rollecate. Als aan één van deze vereisten niet is voldaan, is geen sprake van paulianeus handelen als in dat artikel bedoeld.

4.8

Tussen partijen is niet in geschil dat het aangaan van de managementovereenkomst een onverplichte rechtshandeling betreft. Als beoordelingsmoment voor het vereiste van benadeling moet worden gehanteerd het moment van de beslissing op de vernietigingsvordering door de rechter. In dit geval de rechter in hoger beroep. Het moet gaan om daadwerkelijke benadeling. Of De Nieuwe VOC c.s. daadwerkelijk in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld, moet worden beantwoord door middel van een vergelijking tussen de hypothetische situatie waarin De Nieuwe VOC zou hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling en de situatie waarin zij zich bevindt als die rechtshandeling niet wordt aangetast. Het ligt op de weg van De Nieuwe VOC c.s. om de feiten en omstandigheden voor deze benadeling te stellen en te onderbouwen, omdat op haar de bewijslast terzake rust.

4.9.

Vast staat dat Nieuw Rollecate (inmiddels) is ontbonden. De Nieuwe VOC en [appellant1] en [appellant2] afzonderlijk hebben aanzienlijke vorderingen op Nieuw Rollecate. Niet weersproken is dat er in het vermogen van Nieuw Rollecate geen baten aanwezig zijn. Die situatie zou niet anders zijn geweest als de managementovereenkomst niet door Nieuw Rollecate was aangegaan. Daar komt het volgende bij. Weliswaar is juist dat de managementovereenkomst met terugwerkende kracht, althans met ingang van

1 november 2015, een verplichting tot betaling van een managementvergoeding aan APB in het leven heeft geroepen, maar daar staat blijkens de tekst van de managementovereenkomst tegenover een verplichting van APB tot het doen uitvoeren van werkzaamheden door [C] en [D] die 1692 uur per jaar omvatten. Niet ter discussie staat dat de werkzaamheden waartoe APB zich bij die managementovereenkomst had verplicht noodzakelijk waren en dat de prijs die daarvoor was overeengekomen reëel was. Daarnaast staat vast dat die werkzaamheden tot 19 februari 2016 daadwerkelijk door APB zijn uitgevoerd.

4.10

Dat die werkzaamheden voorafgaand aan het sluiten van de managementovereenkomst zonder geldelijke vergoeding werden verricht, maakt dit niets anders. Uit de eigen stellingen van De Nieuwe VOC c.s. volgt dat de beloning van APB zou plaatsvinden in de vorm van een waardevermeerdering van de aandelen, zolang Nieuw Rollecate onvoldoende liquiditeit had. Door de aandelenoverdracht was een nieuwe situatie ontstaan. APB was niet langer aan Nieuw Rollecate verbonden en in haar kielzog gold dat ook voor [C] en [D] . Zij waren nadien niet langer gehouden de werkzaamheden zonder vergoeding te verrichten. Die werkzaamheden moesten echter wel worden uitgevoerd. Als [C] - en [D] dat niet hadden gedaan, dan hadden deze door derden moeten worden uitgevoerd, tegen een vergelijkbare prijs. Dat dit anders was is door De Nieuwe VOC niet met kracht van argumenten aangevoerd in reactie op hetgeen door APB in randnummer 22 van haar memorie van antwoord is gesteld.

4.11

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat De Nieuwe VOC c.s. de gestelde benadeling onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het ervoor gehouden moet worden dat de managementovereenkomst dus niet tot benadeling heeft geleid.

De Nieuwe VOC c.s. heeft aangeboden te bewijzen dat partijen hebben afgesproken dat geen salaris of ondernemersvergoeding zou worden uitbetaald zolang de liquiditeit van Nieuw Rollecate onvoldoende zou zijn. Uit hetgeen is overwogen volgt dat het bewijs van deze stelling niet van belang is voor de beslissing. Het bewijsaanbod zal daarom worden gepasseerd.

Managementvergoeding

4.12

De Nieuwe VOC c.s. heeft voorts gesteld dat de in de managementovereenkomst opgenomen managementvergoeding deels zag op de betaling van de koopprijs van de aandelen in het kader van de aandelenoverdracht van de door APB gehouden aandelen in Nieuw Rollecate aan ZZBB. Nieuw Rollecate droeg daarmee bij aan de betaling van de koopsom, met benadeling van haar schuldeisers tot gevolg, aldus De Nieuwe VOC c.s.

Ook hiervoor geldt dat sprake van een reële vergoeding voor daadwerkelijk te verrichten werkzaamheden. Hieruit volgt dat geen sprake is van benadeling.

Slotsom

4.13

De grief faalt. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. De Nieuwe VOC c.s. zal als in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld. APB heeft tijdens de comparitie in hoger beroep verzocht een volledige en niet op het gebruikelijke liquidatietarief gebaseerde proceskostenveroordeling uit te spreken, nu volgens haar sprake is van "juridische stalking" en de huidige procedure tegen beter weten is aangevangen en voortgezet. De proceskostenveroordeling vloeit voort uit artikel 237 Rv en wordt door de rechter ambtshalve vastgesteld. Het hof ziet geen aanleiding voor een volledige proceskostenveroordeling, nu daarvoor onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwde gronden zijn aangevoerd. Het hof zal de proceskosten vaststellen conform het liquidatietarief. Die kosten aan de zijde van ABP worden vastgesteld op € 716,- aan verschotten en op € 2.148,- aan salaris advocaat (2 punten, tarief II sinds 1 mei 2018: € 1.074,-).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van

11 januari 2017;

veroordeelt De Nieuwe VOC c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die tot deze uitspraak aan de zijde van APB op € 716,- aan verschotten en op
€ 2.148,- aan salaris voor de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart de in dit arrest uitgesproken kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

25 september 2018.