Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8475

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
18/00041
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6752, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:465
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Woonplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-10-2018
FutD 2018-2720
V-N Vandaag 2018/2234
V-N 2019/3.1.5
Viditax (FutD), 29-03-2019
NTFR 2018/2403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers: 18/00041

uitspraakdatum: 25 september 2018

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 december 2017, nummer AWB 17/3238, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, alsmede bij beschikking € 722 aan belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete van € 369 opgelegd.

1.2.

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente verminderd. Het bezwaar tegen de verzuimboete is ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaak betrekking hebben, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2018 te Arnhem. Belanghebbende is, hoewel daartoe op de juiste wijze uitgenodigd, niet verschenen.

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1947 en is interseksueel.

2.2.

Belanghebbende beschikt over een woning in Portugal en een huurwoning in Nederland. Vanaf 2007 verblijft belanghebbende onafgebroken in Nederland.

2.3.

Belanghebbende staat geheel 2015 in de basisregistratie personen (hierna: BRP) ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [A] .

2.4.

Belanghebbende beschikt over bankrekeningen in Nederland.

2.5.

Belanghebbende is directeur en 100 procent aandeelhouder van [B] B.V., welke statutair is gevestigd in [A] .

2.6.

De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2015 uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen. Na een herinnering en een aanmaning te hebben verzonden heeft de Inspecteur, na het verstrijken van de termijn genoemd in de aanmaning, een ambtshalve aanslag opgelegd.

3 Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het kalenderjaar 2015 in Nederland belastingplichtig is voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende in Nederland woont. De Inspecteur beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend, belanghebbende ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet IB 2001 is een natuurlijk persoon die in Nederland woont binnenlands belastingplichtige.

Woonplaats

4.2.

Ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een natuurlijk persoon zijn woonplaats in Nederland heeft indien deze persoon daarmee een duurzame betrekking van persoonlijke aard heeft.

4.3.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, aannemelijk heeft gemaakt dat de woonplaats van belanghebbende – gelet op het bepaalde in artikel 4 van de AWR – in Nederland is gelegen. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende gedurende 2015 Nederland nimmer heeft verlaten en uitsluitend in de woning aan de [a-straat 1] te [A] verbleef. Bovendien had belanghebbende in 2015 de beschikking over bankrekeningen in Nederland en is [B] B.V. – waarvan belanghebbende 100 percent aandeelhouder is – statutair gevestigd in [A] . Belanghebbende heeft in dit verband slechts aangevoerd dat het verblijf in Nederland onvrijwillig was, omdat het onmogelijk is een paspoort zonder geslachtsaanduiding te verkrijgen. Naar het oordeel van het Hof is de reden van het verblijf van belanghebbende in Nederland – gelet op het langdurige karakter van dit verblijf – niet van belang. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat belanghebbende in de onderhavige jaren in Nederland woonachtig was.

4.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of belanghebbende ook op grond van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederland en de Republiek Portugal ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, gesloten te Porto op 20 september 1999 (hierna: het Verdrag) als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt.

4.5.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Verdrag, heeft een natuurlijk persoon zijn woonplaats in de zin van dit Verdrag, ter plaatse waar hij een duurzame woongelegenheid heeft. Indien er meerdere van dergelijke plaatsen bestaan, wordt als woonplaats beschouwd de plaats, waarmede de persoonlijke betrekkingen het nauwst zijn (het middelpunt van de levensbelangen).

4.6.

Vaststaat dat belanghebbende in Portugal beschikt over een woning en dat belanghebbende daar vóór 2007 (mede) heeft verbleven. Indien er (veronderstellenderwijs) van zou worden uitgegaan dat belanghebbende in de onderhavige jaren ook in Portugal een woonplaats had, is het Hof van oordeel dat in dat geval het middelpunt van belanghebbendes levensbelangen, gelet op overweging 4.3, in 2015 in Nederland heeft gelegen. Dit betekent dat de woonplaats voor verdragsdoeleinden van belanghebbende in de onderhavige kalenderjaren ook op grond van het Verdrag in Nederland is gelegen.

4.7.

Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen is belanghebbende in 2015 door de Inspecteur terecht aangemerkt als binnenlands belastingplichtige. De Wet IB 2001 maakt geen onderscheid tussen mannen, vrouwen of interseksuelen.

Omkering en verzwaring bewijslast

4.8.

Aldus staat vast dat aan belanghebbende terecht een aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting is uitgereikt. Voorts staat vast dat belanghebbende geen aangifte voor de inkomstenbelasting heeft gedaan en evenmin uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft aangegeven dat en waarom belanghebbende van mening is niet belastingplichtig te zijn (vergelijk HR 27 maart 1996, nr. 31.209, ECLI:NL:HR:1996:AA2004). Dusdoende heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. Ingevolge artikel 27e van de AWR wordt in dat geval de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit houdt in dat het op de weg van belanghebbende ligt om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende met hetgeen is aangevoerd en de stukken die zijn overgelegd daarin niet geslaagd.

Redelijke schatting

4.9.

Op de Inspecteur rust ondanks de omkering van de bewijslast de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verschuldigde inkomstenbelasting. Het Hof acht de wijze waarop de Inspecteur de aanslagen heeft berekend zoals toegelicht in het verweerschrift redelijk. In het verweerschrift heeft de Inspecteur aangegeven alleen tot het inkomen te rekenen die inkomensbestanddelen waarover hij via renseignementen informatie heeft verkregen. Het Verdrag staat niet in de weg aan belastingheffing over deze inkomensbestanddelen, gelet op hetgeen in 4.6 is overwogen.

EVRM

4.10.

Belanghebbende beroept zich op de artikelen 3, 5, 8 en 14 van het EVRM. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur deze artikelen niet heeft geschonden.
Belastingrente

4.11.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

Boete

Belanghebbende is met betrekking tot het niet tijdig doen van aangifte driemaal eerder in verzuim geweest. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Het Hof acht de boete passend en geboden.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. A.E Keulemans en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van W.B. Kok als griffier.

De beslissing is 25 september 2018 op in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(W.B. Kok) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 september 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.