Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8470

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
17/00297 t/m 17/00301
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:7173, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Aftrek voorbelasting juridische kosten. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-10-2018
V-N Vandaag 2018/2163
FutD 2018-2671 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/2540 met annotatie van Mr. A. Vroon
V-N 2019/8.21.30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 17/00297 tot en met 17/00301

uitspraakdatum: 25 september 2018

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Fiscale eenheid [X] N.V. en [Y] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2016, nummers ARN 14/7473, 14/7477, 14/7479, 14/7482 en 14/7483, ECLI:NL:RBGEL:2016:7173, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 63.724. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een boete van € 11.531 opgelegd.

1.2.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 71.924. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een boete van € 11.388 opgelegd.

1.3.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 247.238. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een boete van € 22.986 opgelegd.

1.4.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 124.595. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een boete van € 1.418 opgelegd.

1.5.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 56.469. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.6.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de onder 1.1. bedoelde naheffingsaanslag verminderd tot € 58.974 en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 4.907.

1.7.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de onder 1.2. bedoelde naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 5.194.

1.8.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de onder 1.3. bedoelde naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot € 1.622.

1.9.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de onder 1.4. bedoelde naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot nihil.

1.10.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de onder 1.5. bedoelde naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.11.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.12.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.13.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2018. De zaken zijn met toestemming van partijen tegelijkertijd behandeld met de zaken van [A] N.V., die bij het Hof zijn geregistreerd onder de nummers 17/00302 tot en met 17/00306. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting die volgens de door de Inspecteur afgegeven beschikking wordt gevormd door [X] N.V. (hierna: [X] ) en [Y] N.V. (hierna: [Y] ). [X] houdt 100% van de aandelen in [Y] . De aandelen in [X] worden gehouden door [B] B.V. (48,4%, hierna: [B] ), [C] B.V. (38%, hierna: [C] ) en [D] N.V. (13,6%, hierna: [D] ). [E] (hierna: [E] ) houdt de aandelen in [B] , [F] (hierna: [F] ) houdt de aandelen in [C] en [G] (hierna: [G] ) houdt de aandelen in [D] .

2.2.

[Y] is op 21 december 2011 geliquideerd. De fiscale eenheid is per deze datum van rechtswege opgehouden te bestaan.

2.3.

De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het ontwikkelen en begeleiden van vastgoedprojecten.

2.4.

[X] bezit ook 100% van de aandelen in [H] B.V. (hierna: [H] ) en [I] B.V. (hierna: [I] ).

2.5.

In 2007 is het Openbaar Ministerie een onderzoek gestart naar mogelijke betrokkenheid bij valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie van de rechtspersonen [X] , [B] en [C] alsmede van de natuurlijke personen [E] , [F] en [G] .

2.6.

[F] , [X] , [C] en [B] hebben op 14 december 2010 een schikking getroffen met twee gedupeerden.

2.7.

Op 28 december 2010 hebben [F] , [X] , [C] en [B] een schikking getroffen met het Openbaar Ministerie ter voorkoming van strafrechtelijke vervolging. Eén van de voorwaarden was de onder 2.6. bedoelde schikking.

2.8.

[E] en [G] hebben geen schikking getroffen en zijn strafrechtelijk vervolgd.

2.9.

De onder 2.5. genoemde personen zijn bijgestaan door verschillende advocaten. De advocaten hebben hun diensten gefactureerd aan [X] . Belanghebbende heeft de omzetbelasting op de facturen in aftrek gebracht.

2.10.

Belanghebbende heeft over het tweede kwartaal van 2011 een suppletieaangifte ingediend, waarin zij verzoekt om een teruggaaf van € 61.555. De teruggevraagde omzetbelasting is uitsluitend door advocaten in rekening gebracht wegens de onder 2.9. bedoelde rechtsbijstand.

2.11.

De Inspecteur heeft in 2013 een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende naar de aangiften over de tijdvakken tussen 1 januari 2008 en 1 oktober 2012. In het controlerapport van 20 november 2013 is onder meer het volgende opgenomen:

“Bij de start van mijn onderzoek heb ik een overzicht van [Hof: de accountant van belanghebbende] ontvangen dat is opgemaakt door één van de medewerkers van [Hof: de accountant van belanghebbende]. Dit overzicht heeft betrekking op de periode 2008 tot en met september 2012. Gedurende het boekenonderzoek is dit overzicht uitgebreid met de kosten van de maanden oktober tot en met december 2012 (bijlage 1).

Het overzicht bevat 19 kolommen met daarin de bedragen betreffende de verschillende juridische kosten.

Voor dit onderzoek relevante kolommen:

Kolom

Advocatenkantoor

Opmerkingen

1

[J] Algemeen

Civiel advocaat, o.a. schadevergoeding civiel en bijstand strafrechtadvocaten

2

[J] strafr. onderzoek

Civiel advocaat, bijstand verleend aan strafrechtadvocaten

10

[J] [I]

Procedures mbt project [I]

11

[K] Algemeen

Strafrecht t.b.v. [X]

12

[K] HT

Strafrecht t.b.v. [F]

13

[K] HvT

Strafrecht t.b.v. [E]

14

[K] DL

Strafrecht t.b.v. [G]

18

[L]

Strafrechtadvocaat t.b.v. [A] , [F] , [E] en [G]

19

Overig

Overig waaronder enkele facturen mbt project [I]

Tijdens mijn boekenonderzoek heb ik de verdeling van de kosten over de verschillende kolommen onderzocht. Voor de conclusies ten behoeve van mijn onderzoek neem ik deze verdeling als uitgangspunt.

(…)”

2.12.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn de volgende correcties aangebracht (de nummering van de kolommen correspondeert met het onder 2.11. opgenomen overzicht in het controlerapport):

Jaar

Kolom 1

Kolom 2

Kolom

10 en 19

Kolom 11

Kolom 12

Kolom 13

Kolom 14

Kolom 18

Totaal

2008

5.033

24.381

12.566

14.079

7.665

63.724

2009

513

20.774

25.859

4.528

10.269

9.981

71.924

2010

512

6.487

88.854

10.932

40.093

34.430

65.930

247.238

2011

40.019

9.694

41.029

1.974

35.177

20.382

37.875

186.150

2012

9.613

32.847

9.282

9.764

61.506

2.13.

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen in overeenstemming met de hiervoor opgenomen berekening opgelegd. De voor het tweede kwartaal van 2011 gevraagde teruggaaf is niet verleend. Het verschil tussen de totale correctie en de geweigerde teruggaaf is nageheven. De in de aangiften van belanghebbende over het jaar 2012 gevraagde en verleende teruggaaf van in totaal € 56.469 is gecorrigeerd omdat de fiscale eenheid per 21 december 2011 van rechtswege is opgehouden te bestaan als gevolg van de liquidatie van [Y] .

2.14.

In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de vergrijpboetes verminderd tot 25% van de omzetbelasting die belanghebbende heeft afgetrokken op facturen die op naam van [I] zijn gesteld.

2.15.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de fiscale eenheid per 21 december 2011 is opgehouden te bestaan zodat belanghebbende in 2012 geen recht heeft op de gevraagde en gekregen teruggaaf, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [I] voldoet aan alle voorwaarden voor deelname aan belanghebbende en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de diensten van de advocaten en de economische activiteiten van belanghebbende. Tot slot heeft de Rechtbank geoordeeld dat de boetes terecht zijn opgelegd en passend en geboden zijn.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van de omzetbelasting op de facturen die 1) aan [X] zijn uitgereikt voor de rechtsbijstand ter voorkoming van strafrechtelijke vervolging en 2) ten behoeve van (project) [I] zijn uitgereikt. Voorts zijn de boetes in geschil. Tussen partijen is niet langer in geschil dat een praktische afspraak is gemaakt die inhoudt dat niet zal worden teruggekomen op de omstandigheid dat belanghebbende over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 aangifte omzetbelasting heeft gedaan.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Het Hof zal eerst beoordelen of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de diensten van de advocaten en de economische activiteit van belanghebbende zoals bedoeld in het arrest Wolfram Becker (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 21 februari 2013, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99, hierna: het arrest Becker). Het Hof is van oordeel dat een dergelijk verband aanwezig is voor zover het het verweer tegen strafsancties voor [X] betreft en ontbreekt voor zover het de overige verdachten betreft en motiveert dit als volgt.

4.2.

In het arrest Becker heeft het HvJ beslist dat de diensten van een advocaat, waarmee wordt beoogd strafsancties af te weren voor de zaakvoerders van een belastingplichtige onderneming die natuurlijke personen zijn, deze onderneming niet het recht geven de voorbelasting over de verrichte diensten af te trekken. Het Hof leidt hieruit af dat belanghebbende niet het recht heeft de voorbelasting af te trekken voor zover deze drukt op diensten van advocaten voor de strafrechtelijke verdediging van de andere verdachten, namelijk [F] , [E] en [G] . Deze diensten dienen voornamelijk de particuliere belangen van deze verdachten, die persoonlijk zijn vervolgd voor hun eigen gedragingen (zie punt 30 van het arrest Becker). Dat belanghebbende een eigen belang bij de verdediging van de andere verdachten heeft, zoals de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof heeft gesteld, doet hieraan niet af. Het HvJ legt de lat immers hoog: er moet een rechtstreeks en onmiddellijk verband zijn tussen de diensten van de advocaten en de economische activiteit van belanghebbende. Een afgeleid belang, namelijk het beschermen van de reputatie van belanghebbende met het oog op het voortbestaan van de onderneming, is niet voldoende. Ook is het enkel bestaan van een causaal verband tussen de economische activiteiten van belanghebbende en de strafrechtelijke vervolging van de andere verdachten onvoldoende om een rechtstreeks en onmiddellijk verband aan te nemen (zie punt 31 van het arrest Becker). Dit betekent dat de enkele omstandigheid dat de vervolging zonder de economische activiteiten van belanghebbende (de twee bouwprojecten in Amsterdam) niet had plaatsgevonden, geen rechtstreeks en onmiddellijk verband oplevert. Evenmin is, gelet op punt 32 van het arrest Becker, van belang dat belanghebbende de kosten heeft gedragen, ongeacht of zij daartoe verplicht was of zich daartoe verplicht heeft gevoeld. Hierom is evenmin van belang dat belanghebbende [G] er min of meer toe heeft gedwongen zijn verdediging voort te zetten, zoals de gemachtigde ter zitting heeft verklaard. Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van de voorbelasting die is vermeld in de kolommen 12 (BDN HT), 13 (BDN HvT) en 14 (BDN DL). Deze kolommen zien op de kosten die zijn gemaakt voor [F] , [E] en [G] .

4.3.

De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat de verdenking jegens [X] en het strafrechtelijk onderzoek waren gericht op de hoogte van de vergoedingen die [X] aan haar opdrachtgevers in rekening heeft gebracht. [X] is niet verdacht van het opmaken en verzenden van facturen voor handelingen die niet zijn verricht, aldus de gemachtigde. De Inspecteur heeft deze verklaring niet of onvoldoende weersproken.

4.4.

Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is, dat belanghebbende diensten aan opdrachtgevers heeft verleend tegen vergoeding en dat deze handelingen belast zijn. De omzetbelasting kent een subjectief vergoedingsbegrip: al wat de ondernemer verkrijgt of moet verkrijgen als tegenprestatie voor de aan omzetbelasting onderworpen handeling behoort tot de vergoeding en dus de maatstaf van heffing. De Inspecteur heeft niet weersproken dat belanghebbende over de afgesproken vergoedingen omzetbelasting heeft berekend en op aangifte heeft voldaan. De vergoedingen die belanghebbende met haar opdrachtgevers heeft afgesproken, staan in een rechtstreeks en onmiddellijk verband met de handelingen van belanghebbende, en de hoogte van deze vergoedingen is het voorwerp geweest van het strafrechtelijk onderzoek naar de gedragingen van belanghebbende. Het Hof komt op basis van deze feiten en omstandigheden tot de conclusie dat het strafrechtelijk onderzoek (en dus het afweren van sancties) voor zover het de verdenking tegen [X] betreft, een rechtstreeks en onmiddellijk verband heeft met de algehele economische activiteit van belanghebbende.

4.5.

Het voorgaande betekent dat de voorbelasting in kolom 11 (BDN algemeen) in beginsel aftrekbaar is. Het Hof zal de aftrek aan de hand van het overzicht in bijlage 1 bij het controlerapport beperken tot de voorbelasting op de facturen die zijn uitgereikt tot en met het eerste kwartaal van 2011. In december 2010 heeft [X] schikkingen getroffen en is een einde gekomen aan de tegen haar gerichte strafrechtelijke vervolging. Het Hof acht aannemelijk dat, zoals de gemachtigde van belanghebbende heeft betoogd, de werkzaamheden van de advocaten zijn uitgelopen tot in het eerste kwartaal van 2011 vanwege de afwikkeling van de getroffen schikkingen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat in latere tijdvakken nog strafrechtelijke procedures tegen [X] zijn gevoerd, zoals een ontnemingsprocedure. De aftrekbare bedragen zijn € 12.566 (2008), € 25.859 (2009), € 88.854 (2010) en € 27.397 (2011).

4.6.

De kosten in de kolommen 2 ( [J] strafrecht) en 18 ( [L] ) zijn gemaakt voor alle verdachten. Deze kosten zijn gemaakt in het kader van de algehele verdediging in de strafrechtelijke procedures, namelijk voor advies over de civielrechtelijke aspecten ( [J] ) dan wel als gevolg van de omstandigheid dat een van de gedupeerden ook cliënt is van advocatenkantoor [K] . Ingeval van mogelijke belangenverstrengeling bij het verhoor van de diverse verdachten werd bijstand van advocatenkantoor [L] gevraagd. Van deze kosten is geen verdeling gemaakt naar rato van de voor iedere verdachte verrichte werkzaamheden. Het Hof zal deze kosten gelijk over de vier verdachten verdelen, zodat belanghebbende recht heeft op aftrek van 25% van de voorbelasting op de facturen die volgens het overzicht in bijlage 1 bij het controlerapport zijn uitgereikt tot en met het eerste kwartaal van 2011. Voor de motivering van de beslissing om het tijdvak te beperken wordt verwezen naar 4.5. De aftrekbare bedragen zijn € 1.258 (2008), € 128 (2009) en € 128 (2010) voor kolom 2 ( [J] strafrecht) en € 16.483 (2010) en € 2.423 (2011) voor kolom 18 ( [L] ).

4.7.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de honoraria die zijn betaald aan het advocatenkantoor [J] (deels) betrekking hebben op civiele procedures, die zijn gevoerd om te voorkomen dat belanghebbende projecten en opdrachtgevers, en dus belaste omzet, zou verliezen. Het Hof acht deze stelling aannemelijk, gelet op hetgeen de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard over de gevolgen van de start van het strafrechtelijke onderzoek. Als gevolg hiervan zegden diverse marktpartijen reeds met [X] gesloten overeenkomsten op, omdat zij niet langer met [X] geassocieerd wilden worden. [X] heeft diverse civiele en bestuursrechtelijke procedures tegen deze (markt)partijen gevoerd, met het doel deze overeenkomsten te doen nakomen. De Inspecteur heeft deze verklaring niet, dan wel onvoldoende, gemotiveerd weersproken. De resultaten van eigen onderzoek van het Hof, die ter zitting met partijen zijn gedeeld, bevestigen de verklaring van de gemachtigde van belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende uitsluitend belaste handelingen heeft verricht. Het is aannemelijk dat deze procedures zijn gevoerd met het oog op het verrichten van belaste handelingen. Belanghebbende heeft recht op aftrek van de voorbelasting op het deel van de honoraria dat op dergelijke procedures ziet. Het gaat hier om de voorbelasting die is ingedeeld in kolom 1 ( [J] algemeen). Het Hof acht aannemelijk dat in kolom 1 niet de door [J] ten behoeve van de strafrechtelijke procedures verleende bijstand is begrepen. Die is immers als zodanig opgenomen in kolom 2. De aftrekbare bedragen zijn € 40.019 (2011) en € 9.613 (2012).

4.8.

Uit hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, leidt het Hof af dat kolom 10 ( [J] [I] ) ziet op de facturen van advocatenkantoor [J] aan [X] voor het voeren van diverse procedures tegen de (markt)partijen met wie [X] en [I] overeenkomsten zijn aangegaan om project [I] te realiseren. Uit eigen onderzoek, waarvan het Hof de resultaten met partijen heeft gedeeld, is gebleken dat [X] en [I] in dit project samen zijn opgetrokken. [I] als (beoogd) commanditair vennoot van een CV, [X] als belangrijkste partij namens de groep van belanghebbende en (beoogd) beherend vennoot. Na de start van het strafrechtelijk onderzoek wensten de overige deelnemers aan project [I] de overeenkomsten met [X] te ontbinden, en [X] en [I] hebben diverse procedures gevoerd om nakoming te vorderen. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende uitsluitend belaste handelingen verricht en in beginsel gerechtigd is de in verband hiermee aan haar in rekening gebrachte voorbelasting af te trekken. Het Hof acht belanghebbende erin geslaagd aannemelijk te maken dat zij de juridische kosten heeft gemaakt om project [I] te kunnen voortzetten en de overeengekomen belaste handelingen te gaan verrichten. Belanghebbende heeft het recht de voorbelasting op de facturen in kolom 10 ( [J] [I] ) in aftrek te brengen. De aftrekbare bedragen zijn € 17.731 (2008), € 20.774 (2009), € 5.347 (2010) en € 281 (2011).

4.9.

Kolom 19 is een restpost met overige facturen, waarvan facturen met betrekking tot “ [I] ” deel uitmaken. De Inspecteur heeft de voorbelasting op deze facturen geweigerd, omdat deze facturen zouden zijn gericht aan [I] . Belanghebbende heeft gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige tijdvakken in de relatie met [I] wordt voldaan aan alle voorwaarden die worden gesteld aan de vorming van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Uit de gedingstukken kan niet worden afgeleid dat [I] als belastingplichtige voor de heffing van omzetbelasting is opgetreden. De enkele financiële en organisatorische verwevenheid met de onderdelen van belanghebbende is niet voldoende. Dat [I] met [X] een civiele procedure is gestart in verband met project [I] (zie 4.8.), is onvoldoende. Dat [I] commanditair vennoot was of zou worden van [I] C.V., zoals ter zitting van het Hof is besproken, is evenmin voldoende. Commanditair vennoten zijn niet automatisch belastingplichtigen voor de heffing van omzetbelasting. Dat [I] op eigen naam en voor eigen rekening een economische activiteit wilde ontplooien, is niet gebleken. Belanghebbende heeft dit standpunt niet met objectieve gegevens onderbouwd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op aftrek van de voorbelasting die is opgenomen in kolom 19 (overig).

4.10.

De conclusie luidt dat alle naheffingsaanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is het recht op vooraftrek ter zake van de advocaatkosten als volgt cijfermatig samen te vatten (waar nodig rekenkundig afgerond):

Jaar

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 10

Kolom 11

Kolom 12

Kolom 13

Kolom 14

Kolom 18

Totaal

2008

1.258

17.731

12.566

0

0

31.555

2009

128

20.774

25.859

0

0

0

46.761

2010

128

5.347

88.854

0

0

0

16.483

110.812

2011

40.019

281

27.397

0

0

0

2.423

70.120

2012

9.613

0

0

0

9.613

De naheffingsaanslagen moeten dienovereenkomstig worden verminderd.

Heffingsrente en belastingrente

4.11.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de naheffingsaanslagen betreft.

Vergrijpboete

4.12.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd over de nageheven omzetbelasting die belanghebbende in aftrek heeft gebracht ter zake van facturen die zijn uitgereikt ten behoeve van (project) [I] . Deze vergrijpboetes komen te vervallen voor zover deze zijn opgelegd voor de correcties in kolom 10 (zie 4.8.) De Inspecteur stelt zich voor het resterende deel van de vergrijpboetes op het standpunt dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat zij ten onrechte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht op facturen die niet aan haar zijn gericht. Voor het standpunt dat [I] voldoet aan de voorwaarden om deel te kunnen uitmaken van belanghebbende, heeft belanghebbende niets aangevoerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat [I] als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting is aan te merken, aldus de Inspecteur. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van grove schuld maar wel van een pleitbaar standpunt. [I] is organisatorisch en financieel met de onderdelen van belanghebbende verbonden.

4.13.

De boetes zijn opgelegd voor de correcties in kolom 19 (overig m.b.t. [I] ). De Inspecteur heeft volstaan met de opmerking dat belanghebbende de voorbelasting ten onrechte in aftrek heeft gebracht, gezien de onjuiste tenaamstelling. De Inspecteur heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van ernstige nalatigheid of laakbare slordigheid aan de zijde van belanghebbende. Het begrip grove schuld is immers een ernstig verwijt, dat alleen kan worden gemaakt in situaties waarin de slordigheid van dien aard is, dat zij grenst aan opzet. Gewone slordigheid is niet genoeg. Zo ontbreken de facturen waarop de correctie ziet, zodat het Hof niet kan beoordelen of voor deze facturen sprake is van een duidelijk geval van onterechte toerekening aan belanghebbende of van mogelijke verwarring met project [I] door een onduidelijke tenaamstelling of een vage omschrijving van de verrichte werkzaamheden. De Inspecteur is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Het Hof zal de vergrijpboetes vernietigen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.503 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1,5 wegens samenhang  € 501 (bedrag 2018)) en € 1.503 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1,5  € 501 (bedrag 2018)), ofwel in totaal op € 3.006.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 met € 31.555 tot € 27.419,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,

– vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 met € 46.761 tot € 25.163,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,

– vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 met € 110.812 tot € 136.426,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,

– vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 met € 70.120 tot € 54.475,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,

– vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 met € 9.613 tot € 46.856,

– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,

– vernietigt de boetebeschikkingen,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.006,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 328 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 501 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 25 september 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 september 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.