Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8464

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
200.236.129/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf. Een geschil over het hoofdverblijf valt niet onder het toepassingsbereik van artikel 810, lid 2, RV (verzoek om een deskundigenonderzoek).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.236.129/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/169249 / FA RK 16-2096)

beschikking van 18 september 2018

inzake

[verzoekster]
wonende te [A] ,
verzoekster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Helmantel te Sappemeer,

en

[verweerder] ,
wonende te [B] ,
verweerder,
verder te noemen: de vader,
advocaat mr. S.S. Ilahi te Groningen,

alsmede

de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

kantoorhoudend te Groningen,

verweerster,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 27 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 26 maart 2018;
- het verweerschrift van de GI van 22 mei 2018 met productie(s);
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 3 april 2018 met als
bijlage het raadsrapport van 23 mei 2017;
- een journaalbericht van mr. Helmantel van 10 april 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Helmantel van 11 juni 2018 met productie(s);
- een brief van de GI van 20 juli 2018 met bijlagen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 juli 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn de advocaat van de moeder, namens de raad [C] en namens de GI [D] .

3 Feiten

3.1

Uit de affectieve relatie die de vader en de moeder met elkaar hebben gehad zijn drie kinderen geboren:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2010 (hierna: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2012 (hierna: [de minderjarige2] );
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2013 (hierna: [de minderjarige3] ).
De kinderen zijn door de vader erkend. De moeder oefende aanvankelijk van rechtswege alleen het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2

Uit een latere relatie van de moeder met de heer [E] is [in] 2016 [de minderjarige4] geboren (hierna: [de minderjarige4] ). De moeder was ten tijde van de zitting van het hof in verwachting van een vijfde kind. De verwekker daarvan is volgens de GI de heer [F] .

3.3

[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn na de breuk tussen hun ouders, begin 2015, bij de moeder in [A] gaan wonen. De moeder is op 5 juli 2016 aangehouden door de politie en in verzekering gesteld op verdenking van het (mede)plegen van een roofoverval met haar toenmalige partner, waar zij later voor is veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van vierentwintig maanden. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn op 6 juli 2016 op basis van een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin ondergebracht, en later bij de vader. Ook [de minderjarige4] is op 6 juli 2016 voorlopig onder toezicht gesteld en (later) in een pleeggezin ondergebracht. De ondertoezichtstelling van de kinderen is onlangs verlengd tot 6 juli 2019.

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 9 augustus 2016, heeft de vader verzocht te bepalen (1) dat partijen voortaan gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en (2) dat het hoofdverblijf van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voortaan bij de vader zal zijn.

3.5

Bij beschikking van 20 september 2016 heeft de rechtbank partijen gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en de beslissing over het hoofdverblijf van de kinderen aangehouden.

3.6

Bij beschikking van 20 december 2016 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen voorlopig bij de vader bepaald en de raad verzocht een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen aan de rechtbank omtrent het (definitieve) hoofdverblijf. In afwachting daarvan is iedere verdere beslissing aangehouden. De raad heeft op 23 mei 2017 rapport uitgebracht en geadviseerd het definitieve hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen.

3.7

In de hier bestreden beschikking van 27 december 2017 heeft de rechtbank
- uitvoerbaar bij voorraad - overeenkomstig het advies van de raad het hoofdverblijf van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (definitief) bij de vader bepaald.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder verzoekt het hof - zoals ter zitting toegelicht - primair de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij hem te bepalen, af te wijzen en subsidiair om een deskundigenonderzoek ex artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten , kosten rechtens.

4.2

De GI en de vader verzoeken het hof, kort gezegd, om de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing


Ten aanzien van het primaire verzoek
5.1 Overeenkomstig artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen door de ouders of een van hen een geschil omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder mede begrepen geschillen omtrent de hoofdverblijfplaats van een kind, aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.2

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank met verwijzing naar voormeld artikel, gemotiveerd uiteengezet waarom het in het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] wenselijk is dat zij hun hoofdverblijf bij de vader hebben. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats gewezen op de aanhouding van de moeder in juli 2016 in verband met een roofoverval, alsmede op het daarna gebleken seksueel misbruik van de kinderen (door een tante) in de periode dat zij nog bij de moeder verbleven. Daarnaast heeft de rechtbank gewezen op de bevindingen en het advies van de raad in diens rapport van 23 mei 2017, waaruit onder meer blijkt dat de kinderen bij de vader de structuur, duidelijkheid en stabiliteit krijgen die zij nodig hebben en dat de vader zich leerbaar opstelt en openstaat voor begeleiding en hulpverlening. Het advies van de raad om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen wordt volgens de rechtbank ondersteund door het eindverslag van het perspectiefonderzoek van [G] van 25 september 2017. Ook daaruit blijkt dat de kinderen toen zij nog bij de moeder woonden traumatische ervaringen hebben opgedaan en dat mede voor de verwerking daarvan van belang is dat zij over een stabiele woonsituatie beschikken, die zij bij de vader ervaren.

5.3

De grieven van de moeder en de daarop gegeven toelichting komen erop neer dat er volgens de moeder geen goede redenen zijn om het hoofdverblijf van de kinderen niet bij haar te bepalen. Zij heeft haar leven weer op de rit, zorgde eerder goed voor de kinderen en de zorgen daarover zijn volgens haar ongefundeerd, althans overdreven.

5.4

De grieven falen. Het hof kan zich na eigen onderzoek vinden in de overwegingen van de rechtbank zoals hiervoor onder 5.2 samengevat weergegeven, neemt deze over en maakt die tot de zijne. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, waar de moeder overigens niet is verschenen, is ook het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen wenselijk is dat zij het hoofdverblijf bij de vader hebben. De kinderen hebben het nodige meegemaakt toen zij bij de moeder verbleven en zijn daarom nu vooral gebaat bij stabiliteit en behoud van een rustige en veilige thuissituatie bij de vader waarin zij aan verwerking toekomen en weer gewoon kind kunnen zijn. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verblijven inmiddels alweer bijna twee jaar bij de vader. Volgens de inschatting van zowel de raad, de GI als [G] is de vader op dit moment in staat om de kinderen een rustige, veilige en stabiele thuissituatie te bieden. Het hof ziet in de beschikbare gegevens geen aanleiding daar anders over te oordelen. Zelfs al zou de moeder in gelijke mate als de vader in staat zijn de verzorging en opvoeding van de kinderen weer ter hand te nemen, dan nog zou het hof het niet wenselijk vinden de huidige verblijfssituatie van de kinderen bij de vader te doorbreken. De kinderen hebben immers al meerdere (traumatiserende) wisselingen van verblijfplaats meegemaakt en een plaatsing bij de moeder zou daarom niet in hun belang zijn, mede omdat de continuïteit van de hulpverlening daardoor in gevaar komt. De moeder heeft in dit verband onvoldoende probleeminzicht getoond ten aanzien van hetgeen de kinderen is overkomen. Ter zitting van het hof is verder gebleken dat het nog steeds goed gaat met de kinderen bij de vader, dat zij zich daar goed ontwikkelen en dat hard gewerkt wordt aan herstel van de schade die de kinderen hebben opgelopen, onder meer door het volgen van therapie en de inzet van Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling in het gezin van de vader.

5.5

Het voorgaande betekent dat het primaire verzoek van de moeder in hoger beroep niet kan worden toegewezen.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek

5.6

Voor zover de moeder om een deskundigenonderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv heeft verzocht, is het hof van oordeel dat een geschil als het onderhavige niet onder het toepassingsbereik van dat lid valt. Zowel naar de letterlijke tekst als blijkens de wetsgeschiedenis van dat tweede lid, heeft dit betrekking op maatregelen van kinderbescherming (waarbij van overheidswege het gezag wordt beperkt) en daar gaat het onderhavige geschil niet over. Het hof ziet voorts geen aanleiding enig ander onderzoek te gelasten omdat het hof zich voldoende geïnformeerd acht. Voor het hof is het belang van continuïteit en stabiliteit in de opvoedingssituatie van de kinderen doorslaggevend. Ook het subsidiaire verzoek van de moeder zal het hof daarom afwijzen.

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande leidt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
27 december 2017;


wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
C. Koopman, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 18 september 2018 in het openbaar uitgesproken.