Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8459

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
200.217.792/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en stiefouderschap. De verplichting tot levensonderhoud door de eigen ouders staat voorop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.217.792/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/168513 / FA RK 16-1787)

beschikking van 18 september 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.G.H. van Dijk te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Borsch te Tolbert.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 4 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 20 juni 2017;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Dijk van 21 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Dijk van 21 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Dijk van 22 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Borsch van 28 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Dijk van 16 mei 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Dijk van 18 mei 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Borsch van 18 mei 2018 met productie(s).

2.2

Het hof heeft ter zitting medegedeeld geen acht te zullen slaan op het journaalbericht van mr. Van Dijk van 23 mei 2015 met productie(s), nu hij hiermee een extra schriftelijke ronde heeft genomen die hem door het hof niet is gegeven. Het hof acht dit in strijd met de goede procesorde. Het hof heeft dit journaalbericht op verzoek van mr. Van Dijk beschouwd als voorgedragen pleitnota.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 29 mei 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Borsch van 30 mei 2018 met productie(s) en een journaalbericht van mr. Van Dijk van 31 mei 2018 met productie(s).

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2004 en

- [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2008,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen wonen bij de vrouw.

3.3

In een door partijen op 21 maart 2013 ondertekend ouderschapsplan hebben zij de behoefte van de kinderen begroot op € 675,- per maand. In dit ouderschapsplan zijn partijen daarnaast overeengekomen dat de man de vrouw een bijdrage van € 590,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Bij beschikking van 16 april 2013 heeft de rechtbank de inhoud van dit ouderschapsplan overgenomen.

3.4

Na eerdere wijzigingen / vaststellingen van de door de man aan de vrouw te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zijn partijen bij vaststellingstellingsovereenkomst van 19 augustus 2015 - voor zover hier van belang - overeengekomen dat de man met ingang van juli 2016 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vrouw betaalt van € 162,- per maand.

3.5

Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank binnengekomen op 12 juli 2016, heeft de vrouw de rechtbank verzocht de beschikking van 16 april 2013 (en de naderhand overeengekomen bijdragen) in die zin te wijzigen dat er wordt bepaald dat de bijdrage van de man aan de vrouw in het kader van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen wordt vastgesteld op € 250,50 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang dat de datum indiening verzoekschrift, althans een in goede justitie te betalen bedrag.

3.6

De man heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen conform zijn berekening op € 100,- per kind per maand te bepalen met ingang van 12 juli 2016.

3.7

De man is [in] 2017 in het huwelijk getreden met [C] (verder te noemen: [C] ) waardoor hij onderhoudsplichtig is geworden voor haar minderjarige zoon, [de minderjarige3] (verder te noemen: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2004.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 16 april 2013 en de vaststellingsovereenkomst van 19 augustus 2015, +de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 12 juli 2016 bepaald op € 237,- per kind per maand.

4.2

De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

4 april 2017. Deze grieven zien op de voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beschikbare draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw en de zorgkorting. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende in goede justitie de bijdragen te bepalen die de man zal dienen te voldoen ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

4.3

De vrouw voert verweer en is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grieven zien op de draagkracht van de man en de zorgkorting. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de grieven aan de zijde van de man ongegrond te verklaren en het verzoek van de man af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor het gedeelte dat onder 3.1 staat en een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vast te stellen van € 300,- per kind per maand, ingaande vanaf 12 juli 2016, dan wel een zodanig bedrag en vanaf een zodanige datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4.4

De man voert verweer.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen. Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

● de draagkracht van de man;

● de verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is;

● de draagkracht van de vrouw;

● de zorgkorting.

5 De motivering van de beslissing

De wijziging van omstandigheden

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat zich wijzigingen van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van partijen rechtvaardigt.

De ingangsdatum

5.2

Tussen partijen is eveneens niet in geschil dat de eventuele wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ingaat per 12 juli 2016.

De hoogte van de behoefte kinderen

5.3

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2013

€ 675,- per maand bedroeg, zijnde - gelet op de wettelijke indexering - € 695,- per maand in 2016, zijnde € 348,- per kind per maand, € 710,- per maand in 2017, zijnde € 355,- per kind per maand en € 721,- per maand in 2018, zijnde afgerond € 361,- per kind per maand.

De draagkracht van de man

5.4

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen (verder ook te noemen: NBI) tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen alsmede het te ontvangen kindgebonden budget, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht in 2016 zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.550,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 890,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.5

Volgens de vrouw is de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan van een onjuist inkomen. Zij stelt dat uit een facebookbericht van de man blijkt dat hij vrijwillig zijn leidinggevende functie heeft neergelegd en dat dit van negatieve invloed is geweest op zijn inkomen. De vrouw is van mening dat de man zich gezien zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen van deze gedraging had moeten onthouden en dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van een fictief inkomen. Bij gebrek aan gegevens is de vrouw van mening dat de man met een bedrag van € 300,- per kind per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

5.6

De man betwist dat hij vrijwillig een leidinggevende functie heeft neergelegd en stelt dat hij slechts ad-interim leidinggevende is geweest. Hij stelt dat zijn inkomen sinds 2015 juist is gestegen en dat bij de berekening van zijn draagkracht uitgegaan dient te worden van zijn jaaropgave 2017.

5.7

Zoals hiervoor aangegeven zal een eventuele wijziging van de kinderalimentatie per 12 juli 2016 ingaan. Uit de door de man in het geding gebrachte jaaropgaven over de jaren 2015, 2016 en 2017 blijkt dat het inkomen van de man de afgelopen jaren op eenzelfde niveau is gebleven. De door de vrouw gestelde inkomensachteruitgang zou dus al eerder plaats moeten hebben gevonden. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat het inkomen van de man in de afgelopen jaren is gedaald heeft zij dit, gelet op de gemotiveerder betwisting door de man, onvoldoende gemotiveerd gesteld. Het enkele berichtje van de man op facebook is hiertoe onvoldoende, zeker gezien in het licht van de verklaring hiervoor van de man. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van een fictief inkomen. De man heeft in hoger beroep gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht uitgegaan moet worden van een jaarinkomen van € 44.782,-, welk inkomen gelijk is aan het inkomen op zijn jaaropgave 2017. Nu dit inkomen hoger is dan het inkomen dat uit zijn jaaropgave 2016 blijkt zal het hof de man hierin volgen. Aan de hand van dit inkomen berekent het hof zijn netto besteedbaar inkomen in 2016 op € 2.598,- per maand en zijn draagkracht op € 650,- per maand.

De verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is

5.8

Doordat de man op 26 april 2017 in het huwelijk is getreden met [C] is hij vanaf die datum ook onderhoudsplichtig voor haar zoon, [de minderjarige3] . De man stelt dat [de minderjarige3] een behoefte heeft van € 578,- per maand, waarvan de vader van [de minderjarige3] € 150,- per maand voldoet.

5.9

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat het huwelijk van de man geen reden dient te zijn om de kinderalimentatie naar beneden toe bij te stellen, nu dit huwelijk volgens haar is gesloten om de draagkracht van de man te verlagen. Subsidiair stelt zij dat de behoefte van [de minderjarige3] volledig door zijn biologische ouders kan worden vervuld.

5.10

Gelet op het huwelijk van de man met [C] is de man in beginsel (mede) onderhoudsplichtig voor [de minderjarige3] . Dat de man al onderhoudsverplichtingen voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] had doet hier niet aan af. De mate waarin de man onderhoudsplichtig is hangt af van de behoefte van [de minderjarige3] , de draagkracht van diens ouders en die van de man. Ook kan voor de verdeling van de onderhoudsplicht van de man voor [de minderjarige3] van belang zijn de duur waarin [de minderjarige3] in het nieuwe gezin woont, de betrokkenheid van de ouders van [de minderjarige3] in zijn verzorging en opvoeding en of de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] volledig in hun onderhoud kunnen voorzien. De verplichting tot levensonderhoud door de eigen ouders staat voorop.

Naar het oordeel van het hof had het hierbij - gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw - op de weg van de man gelegen om de behoefte van [de minderjarige3] inzichtelijk te maken alsook om inzicht te geven in de vraag wat de draagkracht van zijn wettelijke ouders is. Nu de man dit heeft nagelaten kan het hof niet vaststellen wat de behoefte van [de minderjarige3] is en in hoeverre zijn wettelijke ouders kunnen voorzien in zijn behoefte. Op basis van de jaaropgave 2017 van [C] berekent het hof haar NBI op € 2.312,- per maand en haar draagkracht op

€ 499,- per maand. De man heeft gesteld dat de vader van [de minderjarige3] een even grote draagkracht heeft als [C] , hetgeen zou beteken dat de wettelijke ouders van [de minderjarige3] ruimschoots in de door de man gestelde behoefte van [de minderjarige3] kunnen voldoen. Het hof ziet daarom niet in waarom [C] met de vader van [de minderjarige3] heeft afgesproken dat hij slechts met € 150,- per maand bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige3] en is van oordeel dat dit niet ten koste mag gaan van de voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beschikbare draagkracht van de man. Het hof zal bij de verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is daarom geen rekening houden met enige bijdrage voor [de minderjarige3] nu de man de behoefte van [de minderjarige3] en de draagkracht van zijn wettelijke ouders onvoldoende heeft onderbouwd en het hof er, met de vrouw, vanuit gaat dat de wettelijke ouders van [de minderjarige3] volledig in zijn behoefte kunnen voorzien.

De draagkracht van de vrouw

5.11

De man stelt dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vrouw van een onjuist inkomen is uitgegaan. De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw meer zou kunnen werken cq verdienen nu zij in 2015 ook een aanzienlijk hoger inkomen had. De vrouw betwist dit.

5.12

Het hof stelt voorop dat, gelet op haar onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , van de vrouw verwacht mag worden dat zij haar best doet om zo hoog mogelijke inkomsten te verwerven om daarmee zoveel mogelijk in de behoefte van de kinderen te voorzien. Uit de stukken leidt het hof af dat de vrouw in 2015 een inkomen had van

€ 35.220,- per jaar, in 2016 een inkomen van € 20.832,- en in 2017 een inkomen van

€ 21.192,-. Het inkomen van de vrouw is dan ook aanzienlijk gedaald sinds 2015.

De vrouw heeft hiervoor weliswaar een verklaring gegeven door te stellen dat haar dienstverband bij [D] , waar zij in 2015 werkzaam was, niet is verlengd wegens onenigheid met de werkgever, maar zij heeft niet aangetoond dat zij niet in staat zou zijn om wederom een inkomen van om en nabij € 35.220,- per jaar te verdienen. De vrouw heeft het hof geen enkel inzicht gegeven in eventueel door haar verrichte sollicitatiepogingen, maar enkel gesteld dat zij weer in dienst is getreden bij een vorige werkgever, waar zij inmiddels een vast contract heeft. Voor het hof is dan ook onduidelijk of de vrouw niet elders een beter betalende baan dan wel een baan voor meer uren per week kan vinden. Daarnaast is de vrouw in eerste instantie niet open geweest over haar recente urenuitbreiding. Pas ter zitting van het hof vertelde de vrouw in januari 2018 een urenuitbreiding te hebben gekregen bij haar werkgever. De vrouw heeft echter ook geenszins aangetoond dat verdere urenuitbreiding bij haar huidige werkgever niet mogelijk is. Gelet op het gemotiveerde standpunt van de man in deze had het op de weg van de vrouw gelegen om voldoende inzichtelijk te maken dat zij daadwerkelijk haar best heeft gedaan om een inkomen te generen gelijk aan haar inkomen in 2015. Nu zij dit heeft nagelaten ziet het hof aanleiding om ervan uit te gaan dat de verdiencapaciteit van de vrouw € 35.220,- per jaar bedraagt. Het hof zal de draagkracht van de vrouw dan ook berekenen aan de hand van dit fictieve inkomen. Bij een jaarinkomen van € 35.220,- bedraagt het NBI van de vrouw in 2016

€ 2.424,- en haar draagkracht € 565,- per maand.

5.13

Nu het hof bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekent met een fictief inkomen kan de derde grief van de man, die ziet op de door de vrouw ontvangen onregelmatigheidstoeslag en eindejaarsuitkering, onbesproken blijven.

5.14

De man stelt dat er bij de berekening van de draagkracht van de vrouw ook rekening gehouden dient te worden met door haar te ontvangen kindgebonden budget. Hij stelt dat de samenwoning van de vrouw haar een lastenverlichting oplevert en dat moet worden uitgegaan van de fictie dat het bedrag aan gemist kindgebonden budget wordt gecompenseerd door de feitelijk lagere kosten die zij heeft.

De vrouw betwist dit.

5.15

Het hof ziet geen aanleiding om uit te gaan van de fictie dat de vrouw kindgebonden budget ontvangt terwijl zij dit feitelijk, vanwege het feit dat zij samenwoont, niet ontvangt. Het staat de vrouw vrij om te gaan samenwonen met een nieuwe partner. Het is daarmee niet gezegd dat haar lasten lager zijn geworden en/of dat deze gecompenseerd worden door het kindgebonden budget.

5.16

Per 1 mei 2018 woont de vrouw niet meer samen en heeft zij weer aanspraak op kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Aan de hand van de jaaropgave van de man over 2017 en het fictieve inkomen van de vrouw ad € 35.220,- berekent het hof het NBI van de man in 2018 op € 2.608,- en het NBI van de vrouw, inclusief kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop, op € 2.808,-. De draagkracht van de man bedraagt, gebaseerd op de draagkrachtformule 70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)], in 2018 € 633,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 731,-.

Draagkrachtvergelijking over 2016

5.17

De behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bedroeg in 2016 in totaal € 695,- per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen (€ 1.215,- per maand) is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te voorzien.

De verdeling van de behoefte over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de resterende behoefte. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen bedraagt in de periode van 12 juli 2016 tot 1 mei 2018 aldus afgerond € 372,- per maand (€ 650,- / € 1.215,- x € 695,-).

Draagkrachtvergelijking over 2018

5.18

De behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bedroeg in 2018 in totaal € 721,- per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen (€ 1.364,- per maand) is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te voorzien. De verdeling van de behoefte over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de resterende behoefte. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen bedraagt aldus in de periode vanaf 1 mei 2018 afgerond € 335,- per maand (€ 633,- / € 1.364,- x € 721,-).

Vermindering met de zorgkorting

5.19

Door middel van de zorgregeling voorziet de man deels in natura in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De expertgroep beveelt daarom aan een zorgkorting toe te passen vanuit de gedachte dat de ouder bij wie het kind verblijft feitelijk verblijfskosten voldoet en daarmee deels in de behoefte voorziet. De hoogte van de zorgkorting, zijnde een percentage van de behoefte, is afhankelijk van het gemiddeld aantal verblijfsdagen per week.

5.20

Het percentage van de zorgkorting is in geschil. De man is van mening dat een zorgkorting van 25% van toepassing dient te zijn en de vrouw een zorgkorting van 5%. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geruime tijd feitelijk één dag per maand, inclusief overnachting, bij de man verbleven. Ter zitting hebben partijen in het kader van hun geschil omtrent de zorgregeling afgesproken dat de kinderen uiterlijk tot 1 oktober 2018 in de oneven weken van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur en de helft van de zomervakantie bij de man verblijven, en dat zij gebruik zullen gaan maken van het hulpaanbod van het Centrum [E] voor het maken van nadere afspraken over de zorgregeling. Het hof zal aansluiten bij de huidige feitelijke situatie en de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen. Dit betekent dat het hof een zorgkorting van 15% zal toepassen. De zorgkorting bedroeg in 2016 derhalve afgerond

€ 104,- per maand en in 2018 afgerond € 108,- per maand.

De door de man in de periode van 12 juli 2016 tot 1 mei 2018 te betalen kinderalimentatie

5.21

Gelet op het vorenstaande dient de man in de periode van 12 juli 2016 tot
1 mei 2018 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te voldoen van (€ 372,- minus € 104,-) € 268,- per maand, zijnde € 134,- per kind per maand.

De door de man vanaf 1 mei 2018 te betalen kinderalimentatie

5.22

Gelet op het vorenstaande dient de man in de periode vanaf 1 mei 2018 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te voldoen van (€ 335,- minus € 108,-) € 227,- per maand, zijnde € 113,50 per kind per maand.

Terugbetalingsverplichting

5.23

Voor zover de vrouw op grond van deze beschikking kinderalimentatie aan de man moet terugbetalen, bepaalt het hof dat voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting ontstaat.

De door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie overschrijdt de behoefte niet en het is het hof niet gebleken dat de vrouw over voldoende middelen beschikt om het verschil tussen de door de rechtbank en het hof vastgestelde kinderalimentatie terug te betalen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven van de man deels en falen de grieven van de vrouw. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van het NBI van de man en de vrouw in 2016 en 2018 gemaakt en een berekening van de draagkracht van [C] in 2017 gemaakt. Gewaarmerkt exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

4 april 2017, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 16 april 2013 en de vaststellingsovereenkomst van 19 augustus 2015 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 12 juli 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
[de minderjarige1] , geboren [in] 2004 en [de minderjarige2] , geboren [in]
2008, € 134,- per kind per maand zal betalen en met ingang van 1 mei 2018 € 113,50 per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat voor de vrouw op grond van deze beschikking geen terugbetalingsverplichting met betrekking tot de kinderalimentatie ontstaat;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, J.G. Idsardi en
M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 18 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.