Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8457

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
21-000675-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:4517, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat van een gerechtvaardigd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, geen sprake is.

Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de kant van leden van ‘partij (..)’, gericht tegen de goederen/de woning, en een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gericht tegen verdachte en/of andere leden van ‘partij (..)’, op dat moment in de flatwoning aanwezig. Er was derhalve op dat moment sprake van een noodweersituatie.

Anders dan door verdachte aangevoerd en door de raadsman bepleit, is het hof van oordeel, - gelet op de relevante feiten en omstandigheden en de verklaringen van verdachte - dat van de noodzaak zich te verdedigen niet is gebleken.

Verdachte heeft bewust - doch onnodig - gewapend met een mes buiten de woning de confrontatie gezocht met personen die zich daar bevonden en heeft op die manier een verdere escalatie van het conflict en de gewelddadigheden juist bevorderd, met alle risico’s van dien, welke risico’s zich ook daadwerkelijk hebben geopenbaard. Het hof ziet het handelen van verdachte - gelet op het zeer korte tijdbestek waarbinnen de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld - als één doorlopende confrontatie, waarbij gewelddadigheden elkaar zeer snel hebben opgevolgd en de gedragingen van verdachte jegens (slo 1) en (slo 2) in de kern steeds aanvallend van aard zijn geweest.

Het hof is van oordeel dat het in die situatie bewust aangaan van een fysieke confrontatie, met gebruikmaking van een mes, daarnaast niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de dreigende wederrechtelijke aanranding zoals deze is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000675-17

Uitspraak d.d.: 21 september 2018

TEGENSPRAAK.

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 6 oktober 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-910001-15 en 08-730115-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

thans verblijvende in [geboorteplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 februari 2016 en 7 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. U. Ural, naar voren is gebracht.

De omvang van het hoger beroep

De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 februari 2017 het arrest van dit hof van 15 februari 2016 vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissingen van het hof in de zaak met het parketnummer 08/910001-15 en (uitsluitend) ten aanzien van de strafoplegging ter zake van het bewezenverklaarde en gekwalificeerde feit in de zaak met parketnummer 08-730115-15.

Voor het overige heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.

De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Het hof heeft bij zijn eerdere arrest in deze zaak van 15 februari 2016 het onder parketnummer 08-730115-15 primair tenlastegelegde bewezenverklaard en dat feit gekwalificeerd als ‘poging tot zware mishandeling’.

De Hoge Raad heeft dit onderdeel van het arrest als gezegd in stand gelaten en in zoverre is het beroepen vonnis niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep.

De rechter in eerste aanleg heeft de verdachte ter zake van de onder parketnummer 08/910001-15 onder 1 primair (gekwalificeerd als ‘doodslag’) en 2 primair (gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’) en ter zake van het onder parketnummer 08/730115-15 primair ten laste gelegde (gekwalificeerd als ‘poging tot zware mishandeling’) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van het voorarrest, en ten aanzien van de feiten onder parketnummer 08/910001-15 de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen om proceseconomische redenen en omdat het tot een andere strafoplegging komt dan de rechter in eerste aanleg, en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover na terugwijzing van de Hoge Raad nog aan de orde - onder parketnummer 08-910001-15 onder 1 en 2 tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 24 januari 2015 in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag] 1969) opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] , al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp/puntig voorwerp, in het (boven)lichaam te steken, waardoor die [slachtoffer 1] (kort daarna) is overleden.

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 24 januari 2015 in de gemeente Almelo, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [locatie] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een hal/portiek van een flat, gelegen aan de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag] 1969) en/of tegen een of meer ander(e) perso(o)n(en),

welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of steken van die [slachtoffer 1] en/of die ander of anderen, welk geweld de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

2
2 primair:
hij op of omstreeks 24 januari 2015 in de gemeente Almelo, tezamen en vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag] 1974) opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] , al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp/puntig voorwerp meerdere malen, althans eenmaal, te steken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 24 januari 2015 in de gemeente Almelo, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [locatie] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in een hal/portiek van een flat, gelegen aan de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] ( [geboortedag] 1974) en/of tegen een of meer ander(e) perso(o)n(en),

welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of een of meermalen steken van die [slachtoffer 2] en/of die ander of anderen, welk geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van voorbedachte raad.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair.

Het hof spreekt verdachte ten aanzien van het onder feit 1 primair en 2 primair tenlastegelegde vrij van voorbedachte raad en overweegt daartoe als volgt.

Het hof acht op grond van het dossier - zoals uit het vervolg zal blijken - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de nacht van 23 op 24 januari 2015 [slachtoffer 1] en vervolgens ook [slachtoffer 2] opzettelijk één of meer steekverwondingen heeft toegebracht, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] kort daarop is overleden en die [slachtoffer 2] zeer ernstig, levensbedreigend, letsel heeft bekomen (waarbij onder meer diens long werd aangetast).

Naar oordeel van het hof bevat het dossier echter onvoldoende aanwijzingen om te oordelen dat verdachte tot zijn handelen was gekomen op grond van een weloverwogen besluit en/of na kalm en rustig beraad.

Het hof spreekt verdachte daarom vrij van de voorbedachte raad.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 1 primair en 2 primair.

Overweging vooraf.

Het hof heeft geconstateerd dat het dossier een groot aantal verklaringen bevat van zowel de verdachte, enkele medeverdachten als getuigen die - zowel innerlijk als ten opzichte van elkaar - op veel onderdelen tegenstrijdigheden en inconsistenties bevatten.

Verdachte heeft echter - zij het in latere instantie - tijdens zijn politieverhoren, bij herhaling, uitvoerig bekennende verklaringen afgelegd en tijdens die verklaringen erkend dat hij in de nacht van 24 januari 2015 [slachtoffer 1] met een mes in zijn bovenlichaam heeft gestoken en vervolgens aansluitend, met datzelfde mes ook [slachtoffer 2] meermalen in zijn

(boven-)lichaam heeft gestoken.

Verdachte heeft zijn bekennende verklaringen tijdens de terechtzittingen bij de rechtbank en het hof op essentiële onderdelen herhaald en bevestigd.

Die verklaringen vinden naar het oordeel van het hof ook voldoende steun in overige bewijsmiddelen. Het hof zal daarom in zoverre bij de vaststelling van de feiten de gang van zaken, zoals door verdachte geschetst, als uitgangspunt nemen.

Bewezenverklaring

Het hof acht gelet op het voorgaande door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08/910001-15 feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 24 januari 2015 in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag] 1969) opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes althans met een scherp/puntig voorwerp, in het (boven)lichaam te steken, waardoor die [slachtoffer 1] (kort daarna) is overleden.

2 primair:
hij op of omstreeks 24 januari 2015 in de gemeente Almelo, tezamen en vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag] 1974) opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] , al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp/puntig voorwerp meerdere malen, althans eenmaal, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder parketnummer 08-910001-15 onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair en feit 2 primair.

De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, op de grond dat verdachte ten aanzien van de feiten heeft gehandeld vanuit noodweer, dan wel noodweerexces.

Ter onderbouwing van het beroep op noodweer is het volgende aangevoerd - kort en samengevat weergegeven - .

Verdachte en anderen werden in de bewuste nacht - naar aanleiding van een hevige ruzie tussen twee groepen, ‘partij [naam 1] en partij [naam 2] ’- op straat achtervolgd door leden van ‘partij [naam 1] ’. Verdachte is samen met anderen van ‘partij [naam 2] ’, de flatwoning aan de [adres] te Almelo ingevlucht. Eenmaal binnen is door leden van ‘partij [naam 1] ’ eerst de centrale toegangsdeur beneden ingeslagen of - geschopt.

Korte tijd sneuvelde ook de onderste ruit van de voordeur van de flatwoning. Verdachte wist dat leden van ‘partij [naam 1] ’ onder invloed waren en bewapend met messen en een fietsketting, aldus de raadsman. Voor verdachte was duidelijk dat ‘partij [naam 1] ’ van plan was om de woning met geweld binnen te dringen. Binnen bevonden zich kwetsbare personen.

Gelet op de uiterst bedreigende, situatie was de keuze van verdachte om ter verdediging zelf het gevecht buiten de woning aan te gaan - vóór de voordeur en met gebruikmaking van een mes - proportioneel en gerechtvaardigd, aldus de raadsman. Er bestond voor verdachte in redelijkheid geen mogelijkheid om zich op een andere manier aan de dreigende aanranding te onttrekken.

Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces. Bij verdachte was sprake van hevige angst en paniek, als gevolg van de dreiging van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de kant van ‘partij [naam 1] ’ en in het bijzonder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte vreesde voor zijn leven en dat van anderen die zich in de woning bevonden. Zijn handelen was dan ook gerechtvaardigd.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat van een gerechtvaardigd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, geen sprake is.

Van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het wetboek van Strafrecht, is sprake indien het feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid, of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen: een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Op grond van de inhoud van het dossier komt het hof tot vaststelling van de volgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van 23 januari op 24 januari 2015 omstreeks 2:45 uur heeft een hevige, fysieke, confrontatie tussen personen plaatsgevonden bij de voordeur van een - op de eerste etage van het gebouw gelegen - flatwoning aan de [adres] te Almelo.

De aanleiding voor die confrontatie was een met mobiele telefoons gevoerd chatgesprek tussen jongeren uit twee verschillende groepen, waarbij over en weer werd gescholden. De twee verschillende groepen worden in het dossier: ‘partij [naam 2] ’ en ‘partij [naam 1] ’ genoemd.

Na verbale uitdagingen over en weer zijn de leden van ‘partij [naam 2] ’, waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , de flatwoning ingevlucht, op de hielen gezeten door leden van ‘partij [naam 1] ’. Onder leden van ‘partij [naam 2] ’ werd gezegd dat ‘partij [naam 1] ’ bewapend zou zijn. Uit het dossier blijkt dat kort daarop een raam naast de centrale voordeur van het trappenhuis werd vernield en dat een aantal personen van ‘partij [naam 1] ’ zich met geweld de toegang verschafte tot de centrale ingang van de flat. Leden van ‘partij [naam 1] ’ kwamen vervolgens de trap op naar de voordeur van de flatwoning gelegen op de eerste verdieping. Ook de onderste ruit van de voordeur van de flatwoning is daarop vernield.

Bij de voordeur van de woning heeft een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden waarbij - zo blijkt uit het dossier - één of meer messen zijn gebruikt en mogelijk ook een fietsketting.

Blijkens het dossier zijn bij de confrontatie in elk geval betrokken geweest: verdachte en van ‘partij [naam 1] ”: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Op het moment dat de politie bij de flatwoning arriveerde bleek [slachtoffer 1] reeds te zijn overleden. Uit sectie op zijn lichaam is gebleken dat zijn overlijden het gevolg was van hart - en longfunctiestoornissen en fors bloedverlies als gevolg van uitwendig perforerend geweld (een steekverwonding).

[slachtoffer 2] is als gevolg van meerdere messteken in het lichaam ernstig gewond geraakt.

Ten aanzien van de vraag of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoren verklaard dat hij vanwege de dreigende situatie op straat, samen met andere leden van partij [naam 2] , de flatwoning is ingevlucht.

Toen men binnen was, hoorde hij veel lawaai en glasgerinkel bij de centrale voordeur van de flatwoning. Ook de onderste ruit van de voordeur van de woning werd vernield, zo heeft verdachte verklaard.1 De verklaringen van verdachte vinden ten aanzien van dit onderdeel bevestiging in het dossier, onder meer in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en in het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die kort na de confrontatie bij de flatwoning arriveerden.

Het hof acht gelet hierop - en het hof betrekt daarbij nadrukkelijk hetgeen eerder op straat reeds was voorgevallen - voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de kant van leden van ‘partij [naam 1] ’, gericht tegen de goederen/de woning, en een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gericht tegen verdachte en/of andere leden van ‘partij [naam 2] ’, op dat moment in die flatwoning aanwezig. Er was derhalve op dat moment sprake van een noodweersituatie.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of verdachtes gedragingen geboden waren door de noodzakelijke verdediging als bedoeld in art. 41 Sr.

Daarvan is (bijvoorbeeld) geen sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken, houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte in de gegeven omstandigheden kunnen worden gevergd. Dit hoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat het zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief (meer) is.2

Anders dan door verdachte aangevoerd en door de raadsman bepleit, is het hof van oordeel, - gelet op de relevante feiten en omstandigheden en de verklaringen van verdachte - dat van de noodzaak zich te verdedigen niet is gebleken.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

Verdachte heeft (meermalen) verklaard dat hij geen andere oplossing zag dan ‘het buiten de woning, vóór de voordeur, te gaan uitvechten’. Hij heeft daarom - terwijl hij zich bewapend had met een mes dat hij, naar eigen zeggen, uit de keuken had gepakt - de voordeur van de woning opengedaan, is de drempel overgestapt en is vervolgens op het plateau voor de flatwoning de confrontatie met eerst [slachtoffer 1] en vervolgens [slachtoffer 2] aangegaan.3

Over de noodzaak zich daarbij te voorzien van een mes heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij dat heeft gedaan in de wetenschap dat [slachtoffer 1] , die hij aan de andere kant van de voordeur hoorde schreeuwen, ‘ook een mes had’. Tijdens latere verhoren heeft verdachte die verklaring echter bijgesteld. Verdachte heeft toen verklaard dat [slachtoffer 1] geen mes bij zich had en dat hij eerder verklaarde dat dit wél zo was, om zijn ‘verdediging sterker te maken’.4

In het trappenhuis zag verdachte dat [slachtoffer 2] een ketting bij zich had.5 Maar gelet op de verklaring van verdachte over de volgorde van de handelingen en de plaats waar hij [slachtoffer 2] zag (op de trap), had toen het treffen met [slachtoffer 1] al plaatsgevonden.

Uit het dossier blijkt dat in het trappenhuis van de flat, bij of in de buurt van het lichaam van [slachtoffer 1] dan wel bij [slachtoffer 2] , geen messen zijn gevonden. Wel is daar het door [slachtoffer 2] meegenomen kettingslot aangetroffen.

Ten aanzien van zijn handelen heeft verdachte verklaard dat hij de voordeur heeft opengemaakt omdat hij - toen de onderste ruit van de voordeur was gesneuveld - bang was dat ‘ze’ naar binnen zouden komen en ‘om ze tegen te houden’. Hij vond dat hij de mensen binnen moest verdedigen.6

Verdachte heeft alvorens de voordeur te openen een mes uit de keukenla gepakt omdat hij de personen buiten ‘wilde wegjagen’7.

Nadat hij de voordeur had geopend, deed verdachte een stap naar voren. Er ontstond toen gelijk een worsteling tussen hem en [slachtoffer 1] , waarbij [slachtoffer 1] , volgens verdachte, een of tweemaal heeft uitgehaald met de vuist en verdachte hem terugsloeg. Verdachte heeft vervolgens [slachtoffer 1] met het mes in zijn borst gestoken, aan de linkerkant.

[slachtoffer 1] bloedde en liep de trap af waarbij hij zich vasthield aan de leuning.8 Verdachte heeft verklaard dat hij - onmiddellijk nadat hij [slachtoffer 1] had gestoken en terwijl [slachtoffer 1] van de trap afliep - ook [slachtoffer 2] heeft belaagd met het hetzelfde mes als het mes waarmee hij [slachtoffer 1] had gestoken. [slachtoffer 1] ging na de fatale messteek naar beneden en [slachtoffer 2] kwam op dat moment via de trap omhoog, verdachte zag in zijn hand een fietsketting.9

De fysieke confrontatie met [slachtoffer 2] vond op het plateautje bovenaan de trap dan wel ‘half op de trap’ plaats, aldus verdachte 10. Het hof begrijpt dat verdachte, [slachtoffer 2] de trap op zag lopen en dat [slachtoffer 2] doorliep in de richting van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij toen bij zichzelf dacht ‘Ga jij ook maar liggen dan’. Verdachte wilde hem ‘van de trap afhouden’. Het ging allemaal heel snel.11 Verdachte greep [slachtoffer 2] vast en heeft hem twee of drie keer met het mes gestoken, van boven naar beneden, dicht bij zijn schouder.12 Genoemde verklaringen vinden steun in de verklaringen van slachtoffer [slachtoffer 2] , die ook als verdachte is verhoord, alsmede in het vastgestelde letsel bij [slachtoffer 2] .13

Het hof is op grond van de feiten en omstandigheden als hiervoor weergegeven evenwel van oordeel dat voor verdachte redelijkerwijs alternatieve mogelijkheden bestonden, en dat verdachte anders had kunnen en ook moeten handelen dan hij heeft gedaan: het zelf openen van de voordeur en de zich daarachter bevindende leden van ‘partij [naam 1] ’ tegemoet te treden, bewapend met een mes.

Verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting van het hof erkend dat geen van de zich voor de voordeur bevindende personen aanstalten maakte de woning binnen te gaan, ook niet nadat de ruit van de voordeur was vernield door iemand van de groep [naam 1] .

Niet valt in te zien waarom verdachte, gegeven de op zichzelf dreigende situatie, niet zelf of met behulp van anderen - met spoed - de politie heeft ingeschakeld. In de woning waren immers nog diverse andere personen van groep ‘ [naam 2] ’ aanwezig.

Een andere, voor de hand liggende, actie zou zijn geweest om - al dan niet samen met anderen - de voordeur van de woning te barricaderen. Dat de onderste ruit van de voordeur al was gesneuveld doet hieraan naar oordeel van het hof, niet af. Verdachte had naar het oordeel van het hof er ook voor kunnen kiezen de situatie af te wachten, dan wel zich, al dan niet met anderen, uit de voeten te maken, desnoods via het balkon, hetgeen ook een reële optie was.

De woning was immers gelegen op de eerste verdieping en uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] die mogelijkheid om de situatie via het balkon te ontvluchten ook daadwerkelijk hebben benut. Zij zijn over het balkon geklommen en sprongen twee of drie meter naar beneden.

Verdachte heeft daarentegen bewust - doch onnodig - gewapend met een mes buiten de woning de confrontatie gezocht met personen die zich daar bevonden en heeft op die manier een verdere escalatie van het conflict en de gewelddadigheden juist bevorderd, met alle risico’s van dien, welke risico’s zich ook daadwerkelijk hebben geopenbaard.14

Het beroep op noodweer wordt op grond van het voorgaande zowel ten aanzien van [slachtoffer 1] als ten aanzien van [slachtoffer 2] verworpen.

Het hof ziet het handelen van verdachte - gelet op het zeer korte tijdbestek waarbinnen de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld - als één doorlopende confrontatie, waarbij gewelddadigheden elkaar zeer snel hebben opgevolgd en de gedragingen van verdachte jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de kern steeds aanvallend van aard zijn geweest.

Opgemerkt wordt daarbij dat de confrontatie met [slachtoffer 2] pas plaatsvond nadat [slachtoffer 1] was weggelopen.

Het hof is van oordeel dat het in die situatie bewust aangaan van een fysieke confrontatie, met gebruikmaking van een mes, daarnaast niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de dreigende wederrechtelijke aanranding zoals deze is komen vast te staan.

Het hof neemt daarbij mede in aanmerking de - door verdachte niet bestreden - omstandigheid dat behalve [slachtoffer 2] (kettingslot) geen van de personen die tot de groep [naam 1] behoorden een wapen bij zich droeg dan wel een voorwerp dat als zodanig kan worden gebruikt, althans zulks is op grond van het onderzoek niet aannemelijk geworden.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces.

Een geslaagd beroep op noodweerexces dient aan de volgende voorwaarden te voldoen.

Er is sprake van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging indien de verweten gedraging is verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor de verdachte noodzaak bestond tot verdediging van eigen/andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke aanranding en die gedraging is veroorzaakt als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging door die aanranding (intensief noodweerexces), dan wel indien de noodzaak tot verdediging van eigen/andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke aanranding op het tijdstip waarop verweten gedraging is verricht reeds is beëindigd maar de verweten gedraging is toch een onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door die daaraan voorafgegane aanranding.

(extensief noodweerexces).

Nu het hof - als hiervoor overwogen - van oordeel is dat de door de verdachte begane feiten niet waren geboden in het kader van de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed verwerpt het hof het beroep op noodweerexces, zowel ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde als ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde feit.

Ten overvloede merkt het hof op dat stelling van de verdediging dat verdachte zou hebben gehandeld in een hevige gemoedsbeweging geen steun vindt in het dossier.

De verweren worden verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair en 2 primair en het onder parketnummer 08-730115-15 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gerefereerd aan het oordeel van het hof en verzocht om aan benadeelde partijen in elk geval een voorschot toe te kennen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf voor de hiervoor besproken feiten en voor het onder parketnummer 08/730115-15 primair bewezenverklaarde bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en daarbij ook gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 24 januari 2015 schuldig gemaakt aan doodslag en een

poging tot doodslag.

In de bewuste nacht is sprake geweest van een ruzie tussen twee groepen personen, waarbij over en weer via de mobiele telefoon intimiderende of dreigende berichten zijn verzonden. Verdachte is uiteindelijk de fysieke confrontatie aangegaan met leden van het andere kamp.

Een uit de hand gelopen confrontatie bij de voordeur van een woning heeft er uiteindelijk toe geleid dat verdachte, [slachtoffer 1] heeft doodgestoken met een mes en vervolgens ook [slachtoffer 2] enkele messteken heeft toegebracht, onder meer in de borst, waardoor een long werd geraakt, en ter hoogte van het middenrif.

Het plotselinge overlijden van [slachtoffer 1] betekent een groot en blijvend verdriet voor zijn familie en naasten. De schade die is toegebracht is onherstelbaar. Daarvan getuigt onder meer de tijdens de zitting van het hof van 7 september 2018 voorgedragen slachtofferverklaring.

Door het plegen van feiten als hier aan de orde heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die onze samenleving kent, te weten doodslag, alsook een poging daartoe.

Feiten als deze veroorzaken diep en onherstelbaar leed bij de nabestaanden en leiden daarnaast tot hevige gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders en in de samenleving. Het hof rekent verdachte deze feiten dan ook zwaar aan.

In de weken voorafgaand aan deze feiten heeft verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan een (bij arrest van dit hof van 15 februari 2016 onder parketnummer 08-7301151-5 onder primair bewezenverklaarde) poging tot zware mishandeling van [naam 3] .

Verdachte heeft dat slachtoffer tientallen vuistslagen in het gezicht en tegen het hoofd gegeven. Ook dat feit acht het hof zeer ernstig en verontrustend.

Het hof houdt bij de strafoplegging enigszins rekening met het feit dat ook de slachtoffers een bijdrage hebben geleverd aan de ernstige escalatie van het conflict op 24 januari 2015. Ook met het substantiële aandeel van het slachtoffer in de zaak die speelde op 9 januari 2015 houdt het hof rekening.

Dit doet echter niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van verdachte en de bijzondere ernst en verwijtbaarheid van zijn gedragingen, die lijken te duiden op een ernstig agressieregulatie-probleem mogelijk veroorzaakt door een alcoholverslaving.

Uit een reeds in juni 2015 verricht psychologisch onderzoek is gebleken dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de delicten geen sprake was van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Het hof gaat er daarom vanuit dat verdachte ten tijde van het begaan van de feiten volledig toerekeningsvatbaar was.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie gedateerd 3 augustus 2018 waaruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, zij het niet ter zake van soortgelijke, ernstige, feiten als hier aan de orde.

Bij de strafoplegging houdt het hof voorts rekening met de inhoud van de zich in het dossier bevindende voorlichtingsrapportages, waaronder reclasseringsadviezen van 10 november 2017 en 3 april 2018, het laatste in het kader van een detentie- en reïntegratieplan. Hieruit komt naar voren dat de mate van alcoholgebruik van verdachte zorgelijk is. Verdachte is bereid om tijdens zijn penitentiair programma deel te nemen aan een gedragsinterventie met het oog op alcoholgebruik, indien hem dat wordt opgedragen.

Gelet op de aard en ernst van de drie bewezenverklaarde feiten (doodslag, een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling) komt als sanctie geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur.

Het hof komt alles afwegende - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - tot oplegging van een gevangenisstraf van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Die straf acht het hof passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.484,64, waarvan € 1.152,- in verband met kosten van rechtsbijstand.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Kosten rechtsbijstand

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als rechtstreekse schade aan te merken (vgl. HR 21 september 1999, NJ 1999, 801).

Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voorziene maatregel.

Uit genoemd arrest volgt voorts dat indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51a Sv vordert, zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Een redelijke uitleg van art. 592a Sv brengt evenwel mee dat bij de begroting van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van een benadeelde partij dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vlg. HR 29 mei 2001, NJ 2002, 123). Dat houdt in dat ter zake van de kosten als bedoeld in art. 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een vergoeding wordt toegekend op de voet van het in art. 56 e.v. Rv bepaalde en dat eventuele verdere, aangetoonde kosten van rechtsbijstand met inachtneming van het bepaalde in art. 57, zesde lid, Rv voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

Het hof zal uitgaan van het liquidatietarief rechtbanken en hoven per 1 november 2004, zoals vastgesteld in overleg tussen vertegenwoordigers van de rechterlijke macht en de Nederlandse Orde van Advocaten en met ingang van 1 september 2008 aangepast aan de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer. Het hof stelt daarbij naar redelijkheid en billijkheid het indienen van het verzoek tot schadevergoeding gelijk aan een conclusie na comparitie of enquête (0,5 punt) en - indien daar sprake van is - het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en het hof gelijk aan het bijwonen van een enquête aan de zijde van de wederpartij (telkens 0,5 punt).

De raadsman is in eerste aanleg eenmaal ter zitting verschenen en in hoger beroep eenmaal.

Het verzoek tot schadevergoeding ad € 1.484,64 is ingediend door de raadsman van de benadeelde partij. Het tarief dat wordt gehanteerd is tarief 1, waar ieder punt wordt gewaardeerd op € 384,00, zodat de kosten van rechtsbijstand worden bepaald op: € 576,00.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.749,27, waarvan een bedrag ter hoogte van € 12.27 aan materiële schade, € 20.000 aan smartengeld (shockschade) en een bedrag groot € 1.737,00 aan kosten rechtsbijstand.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarbij merkt het hof op dat de gestelde shockschade niet dan wel onvoldoende is onderbouwd. Zo blijkt uit de stukken niet of een diagnose is gesteld en/of een behandeling heeft plaatsgevonden.

De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu behandeling van de vordering tot schadevergoeding in dit geval een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert komen de proceskosten voor rekening van de benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair en 2 primair en het onder parketnummer 08-730115-15 primair bewezen verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 332,64.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 576,00 (vijfhonderdzesenzeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910001-15 onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 332,64 (driehonderdtweeëndertig euro en vierenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

nihil.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. H. Heins, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 21 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.C. Fuhler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 21 september 2018.

Tegenwoordig:

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal,

mr. P.A.C. Admiraal, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 118.

2 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.

3 Zie o.a. de processen-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 119, 122, 126 en 142 en 145, het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 22 september 2015, pagina 3 en 4 en het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 februari 2016, pagina 3.

4 Proces-verbaal van (zevende) verhoor verdachte, dossierpagina 126.

5 Proces-verbaal van (negende) verhoor verdachte, dossierpagina 142 en het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, 22 september 2015, pagina 3.

6 Proces-verbaal van de zitting van het hof van 1 februari 2016, pag 3.

7 Proces-verbaal van de zitting van het hof van 1 februari 2016, pag 3.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 127.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 127.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 143.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 146.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina 128.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 3] , dossierpagina 245 en 246.

14 o.a. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BT 2175, HR 10 februari 1987, NJ 1987/950 en HR 16 november 2004, LJN AR2443.