Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8437

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
21-006573-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof stelt vast dat het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit tot ongeldig verklaring van een rijbewijs geen schorsende werking heeft op de werking van het besluit, alsmede dat verdachte hierover was geïnformeerd middels de toelichting op de bezwaarprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006573-17

Uitspraak d.d.: 20 september 2018

VERSTEK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 november 2017 met parketnummer 96-103519-17 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,

wonende [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

De schriftelijke vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 11 juni 2017, te [plaats] , gemeente [gemeente] , terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat de verklaring die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd ten aanzien van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij het volgende.

Bij besluit van 28 januari 2014 is het rijbewijs van verdachte ongeldig verklaard vanaf de zevende dag na dagtekening van voornoemd besluit. Op pagina 3 van dit besluit is in de toelichting op de bezwaarprocedure opgenomen dat het indienen van een bezwaarschrift niet af doet aan de werking van het besluit waartegen het is gericht (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht). Hiermee is verdachte geïnformeerd over de omstandigheid dat de bezwaarschriftprocedure geen schorsende werking heeft op de werking van het besluit. De ongeldigverklaring van verdachtes rijbewijs bleef aldus van kracht, ondanks de lopende bezwaarprocedure die verdachte zelf is gestart in reactie op het besluit. Niet is gesteld of gebleken dat verdachte dit niet als zodanig heeft kunnen of moeten begrijpen.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard: “Ik ben bij de rechter in Groningen geweest en bij mijn weten mag ik gewoon auto rijden.” Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal een uitspraak van de bestuursrechter van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 26 september 2014 in de zaak tussen verdachte en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) overgelegd, waaruit blijkt dat op

18 september 2014 het onderzoek ter zitting van de bestuursrechter heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van verdachte. Het hof verstaat dat verdachte in zijn verklaring tegenover de politie vermoedelijk naar voornoemde zitting van de bestuursrechter verwijst.

Het hof is van oordeel dat uit de uitspraak van de bestuursrechter blijkt dat verdachte op de hoogte was van het besluit betreffende de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Voorts is het hof van oordeel dat uit voornoemde uitspraak van de bestuursrechter geen mededeling blijkt waaruit verdachte kon of mocht concluderen dat zijn rijbewijs niet langer ongeldig was verklaard. Het hof overweegt voorts dat verdachte zijn standpunt blijkens zijn politieverklaring, te weten - zakelijk weergegeven - dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij weer mocht rijden, onvoldoende handen en voeten heeft gegeven, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.

Concluderend overweegt het hof dat verdachte op 11 juni 2017 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs categorie B (nog altijd) ongeldig was verklaard en hij aldus geen personenauto mocht besturen. Het hof oordeelt dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 juni 2017 te [plaats] terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, [straat] , als bestuurder een motorrijtuig (personenauto) van die categorie heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze leiden van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft hiermee een in het belang van de verkeersveiligheid jegens hem genomen maatregel genegeerd.

Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van

3 augustus 2018, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten als het bewezenverklaarde.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat oplegging van de straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden is. Het hof overweegt dat de ernst van het bewezenverklaarde oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,

en op 20 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. O. Anjewierden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.