Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8366

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
200.181.653
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of partij geldleningsovereenkomst is aangegaan in eigen naam of als vertegenwoordiger van b.v. i.o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/1060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.181.653/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/383736 HA ZA 15-36)

arrest van 18 september 2018

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. V.O. Agterberg, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde]

gevestigd te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.W.F. Heijmeriks, kantoorhoudend te Spijkenisse.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 29 maart 2016 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 24 mei 2016;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

1.2.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] gevraagd om arrest en hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Het hof doet recht op voornoemde stukken en de stukken in eerste aanleg.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

2.1.1.

Op 11 juli 2011 is als rechtspersoon in oprichting [naam bedrijf 1] . i.o. ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Als bevoegde functionarissen stonden [appellant] en de heer [naam] (hierna: [naam] ) vermeld. De naam van deze rechtspersoon in oprichting is later gewijzigd in [naam bedrijf 1] i.o.

2.1.2.

De heer [directeur] (hierna: [directeur] ), directeur van [geïntimeerde] , heeft bij e-mail van 20 juli 2011 een leningsvoorstel aan [appellant] gestuurd. [appellant] heeft vervolgens bij e-mail van diezelfde datum [directeur] voor zover van belang, het volgende bericht:

‘Bedankt voor de overeenkomst, als beloofd hierbij deze getekend retour, zie PDF bijlage. Mijn bankrekeningnummer : Rabobank [rekeningnummer] t.n.v. [appellant] ’.

2.1.3.

Op 21 juli 2011 heeft [geïntimeerde] een totaal bedrag van € 60.000,00 gestort op voornoemd bankrekeningnummer [rekeningnummer] onder vermelding van ‘lening [appellant] 22-7-2011’.

2.1.4.

Op 22 juli 2011 is een ‘schuldbekentenis wegens ter leen ontvangen gelden’ ondertekend. De ondergetekenden van de schuldbekentenis zijn [geïntimeerde] , vertegenwoordigd door haar directeuren [directeur] en [directeur] , in de schuldbekentenis genoemd als schuldeiser, en [appellant] , in de schuldbekentenis genoemd als schuldenaar.

2.1.5.

In de schuldbekentenis is in de preambule (onder ‘overwegende dat’) het volgende opgenomen:

‘- schuldenaar ondernemer tevens directeur grootaandeelhouder is van [naam bedrijf 1] i.o.

- schuldeiser de lening verstrekt per 1 augustus 2011

- schuldenaar de financiële middelen niet gebruikt voor andere doeleinden dan alleen voor de [naam bedrijf 1] h/o de [naam bedrijf 1] te Amsterdam.

- schuldenaar de financiële middelen gebruikt ter financiering van zaken die kwalificeren als verplicht bedrijfsvermogen’.

2.1.6.

Artikel 1 van de schuldbekentenis bepaalt dat de schuldeiser aan de schuldenaar een bedrag van € 60.000,00 te leen verstrekt, welk bedrag de schuldenaar aanvaardt, en dat de schuldeiser de geldsom op 1 augustus 2011 ter beschikking stelt aan de schuldenaar.

2.1.7.

Op grond van artikel 2 van de schuldbekentenis is de schuldenaar over de hoofdsom of het restant jaarlijkse rente verschuldigd van 6,5%. Deze rente wordt berekend over de gemiddelde schuld per 1 januari en 31 december van elk jaar en vervalt jaarlijks op 31 december.

2.1.8.

Op grond van artikel 3 van de schuldbekentenis dient de schuldenaar de hoofdsom af te lossen in 40 maandelijkse termijnen van elk € 1.500,00, voor de eerste keer op 1 juli 2012, voor de tweede keer op 1 augustus 2012 en zo verder.

2.1.9.

Artikel 5 bepaalt dat, afhankelijk van de geleverde producten door de dochtervennootschap van [geïntimeerde] , te weten [naam bedrijf 2] te Eindhoven (hierna: [naam bedrijf 2] ), aan de [naam bedrijf 1] B.V. i.o. jaarlijks in januari een bonus wordt berekend en dat de bonusuitkering jaarlijks in januari verrekend zal worden met de restant schuld.

2.1.10.

Op 29 september 2011 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel de rechtspersoon [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) ingeschreven. Blijkens het uittreksel van het handelsregister van 3 oktober 2011 is [naam bedrijf 1] opgericht bij notariële akte van 14 september 2011. Als bestuurders zijn vermeld [appellant] en [naam] .

2.1.11.

Aflossing heeft plaatsgevonden tot en met in oktober 2014. Daarna is niets meer betaald. Op de lening is € 33.000,- aan hoofdsom afgelost, zodat aan hoofdsom nog een bedrag van € 27.000 openstaat.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[geïntimeerde] . heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een bedrag van € 30.775,20, bestaande uit het restant bedrag van de lening van
    € 27.000,00 en de rente tot en met 31 januari 2014, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 februari 2014;

  • -

    een bedrag van € 1.082,75 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    de proceskosten.

Aan de vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij met [appellant] een overeenkomst van geldlening heeft gesloten op grond waarvan zij aan [appellant] een bedrag van € 60.000,00 heeft geleend en dat [appellant] vanaf 1 november 2013 niet meer (volledig) voldaan heeft aan zijn betalingsverplichtingen, voortvloeiend uit de overeenkomst van geldlening.

3.2.

[appellant] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd, kort gezegd inhoudende dat hij ten onrechte is gedagvaard door [geïntimeerde] en dat [naam bedrijf 1] door [geïntimeerde] aangesproken had moeten worden tot betaling van het restant van de geldlening, nu de overeenkomst van geldlening is aangegaan ten behoeve van en door [naam bedrijf 1] . Daarnaast heeft [appellant] als verweer gevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] de door [geïntimeerde] verstrekte geldlening persoonlijk dient te dragen.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat [appellant] de schuldbekentenis is aangegaan als vertegenwoordiger van [naam bedrijf 1] en niet als persoon in privé. De rechtbank heeft voorts het beroep van [appellant] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verworpen.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1.

[appellant] heeft zes grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis en concludeert tot vernietiging van dit vonnis en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4.2.

De grieven 1 tot en met 5 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Aan het hof ligt ter beantwoording de vraag voor of [appellant] de overeenkomst van geldlening met [geïntimeerde] heeft gesloten in eigen naam – dus als contractuele wederpartij van [geïntimeerde] (zoals [geïntimeerde] stelt) – dan wel als vertegenwoordiger van – dus: in naam van - [naam bedrijf 1] (i.o.) (zoals [appellant] stelt). Daarbij komt het aan op hetgeen [appellant] en [geïntimeerde] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (vgl HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbebijter) en HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460 rov. 3.4.3.).

4.3.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij de overeenkomst van geldlening heeft gesloten met [appellant] als persoon in privé. [geïntimeerde] verwijst in dat kader naar de schuldbekentenis waarin [appellant] als schuldenaar staat vermeld.

[appellant] brengt hiertegen in dat hij weliswaar in de schuldbekentenis als schuldenaar staat vermeld, maar dat dit niet anders kon, omdat [naam bedrijf 1] op dat moment nog in oprichting was. Volgens hem was het de bedoeling van partijen dat [naam bedrijf 1] de feitelijke schuldenaar was. Dit blijkt naar de mening van [appellant] in het bijzonder uit de preambule en artikel 5 van de schuldbekentenis en verder uit het feit dat het door [geïntimeerde] op grond van de geldleningsovereenkomst ter beschikking gestelde bedrag is gestort op de zakelijke rekening van [naam bedrijf 1] , uit het feit dat betalingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst werden verricht vanaf de bankrekening van [naam bedrijf 1] en uit het feit dat [geïntimeerde] de rentenota’s ook naar [naam bedrijf 1] stuurde. [appellant] wijst ten slotte nog op een notariële akte van bekrachtiging van 28 september 2011 waarin [appellant] en [naam] namens [naam bedrijf 1] hebben verklaard alle voor de oprichting verrichte rechtshandelingen goed te keuren en alle onttrekkingen aan de rekening van de vennootschap te bekrachtigen.

4.4.1.

Het hof stelt voorop dat in de schuldbekentenis uitdrukkelijk als schuldenaar ‘ [appellant] , geboren op [geboortedatum] , wonende te ( [postcode] [woonplaats] , [adres] ’ staat vermeld. In de schuldbekentenis wordt op geen enkele wijze verwezen naar [naam bedrijf 1] (of destijds nog [naam bedrijf 1] i.o.) als schuldenaar. Uit de ondertekening van de schuldbekentenis blijkt evenmin dat [appellant] heeft getekend namens [naam bedrijf 1] (i.o.). Onder de handtekening van [appellant] staat enkel zijn naam vermeld.

4.4.2.

Anders dan [appellant] meent, kan uit de preambule niet worden afgeleid dat niet [appellant] maar [naam bedrijf 1] als de schuldenaar moet worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat [appellant] de geldlening enkel kan aanwenden ten behoeve van [naam bedrijf 1] kan nog niet tot de conclusie leiden dat [naam bedrijf 1] feitelijk de schuldenaar is.

4.4.3.

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat uit artikel 5 van de schuldbekentenis kan worden opgemaakt dat er een zekere zakelijke verwevenheid tussen [geïntimeerde] , haar dochtermaatschappij [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] bestaat. Uit dit artikel kan de door [appellant] gestelde bedoeling van partijen echter evenmin worden afgeleid. In het artikel gaat het om een wijze van terugbetaling van de geldlening, namelijk verrekening van de restantschuld met de eventueel door [naam bedrijf 1] te behalen bonusuitkering door het bestellen van producten bij de dochtermaatschappij van [geïntimeerde] , [naam bedrijf 2] . Weliswaar zou de feitelijke betaling op de geldlening dan plaatsvinden door [naam bedrijf 1] , maar een verbintenis kan door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen (artikel 6:30 BW). Gelet op dit laatste kan de omstandigheid dat betalingen op de geldlening steeds hebben plaatsgevonden vanaf de bankrekening van [naam bedrijf 1] en rentenota’s naar [naam bedrijf 1] zijn gestuurd evenmin de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] bij de contractsluiting is opgetreden namens [naam bedrijf 1] .

4.4.4.

[appellant] voert verder ter onderbouwing van zijn stelling aan dat [geïntimeerde] het door haar ter beschikking gestelde bedrag van € 60.000,00 rechtstreeks op de zakelijke bankrekening van [naam bedrijf 1] heeft gestort. Het hof kan [appellant] ook hierin niet volgen. In zijn e-mail van 20 juli 2011 heeft [appellant] [directeur] bericht dat het nummer van zijn bankrekening [rekeningnummer] is en dat deze op naam is gesteld van [appellant] (zie citaat onder rov. 2.1.2). Tussen partijen staat vast dat het door [geïntimeerde] ter beschikking gestelde bedrag van

€ 60.000,00 op dit rekeningnummer is gestort. Dit blijkt ook uit het door [appellant] in hoger beroep overgelegde bankafschrift van dit rekeningnummer (productie 7 bij memorie van grieven). Uit dit bankafschrift blijkt tevens dat voornoemde bankrekening op naam is gesteld van [naam bedrijf 3] . Kennelijk gebruikte [appellant] deze bankrekening ook als privé rekening, aangezien uit het bankafschrift tevens blijkt dat hierop salaris werd gestort.

4.4.5.

Dit oordeel vindt bovendien steun in het volgende. De verklaring van [appellant] tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep lijkt erop te wijzen dat [appellant] de overeenkomst van geldlening in privé, dus in eigen naam, heeft gesloten. Zo heeft [appellant] verklaard dat hij en zijn compagnon, met wie hij het bedrijf startte (het hof neemt aan dat [appellant] hiermee [naam] bedoelt) hadden afgesproken dat zij beiden een bedrag van € 60.000,00 zouden inbrengen in de op te richten onderneming, dat zijn compagnon eigen geld had maar hij niet en dat [directeur] hem vervolgens het geld heeft geleend. Hieruit volgt dat [appellant] de afgesproken inbreng van privé geld in de onderneming heeft gefinancierd met de door [geïntimeerde] ter beschikking gestelde geldsom. Het ligt dan zonder nadere toelichting - die niet wordt gegeven - niet voor de hand dat [appellant] de overeenkomst van geldlening is aangegaan namens [naam bedrijf 1] .

[appellant] heeft voorts verklaard dat [directeur] hem op een gegeven moment heeft gemaild dat de boekhouder wilde dat de geldlening op naam van [appellant] zou worden verstrekt. Hieruit en uit het feit dat [appellant] in de schuldbekentenis ook als schuldenaar staat vermeld, kan worden afgeleid en had [appellant] zelf ook kunnen afleiden dat het in ieder geval de bedoeling van [geïntimeerde] is geweest om met [appellant] in privé een geldleningsovereenkomst te sluiten. Desondanks heeft [appellant] de overeenkomst getekend.

4.4.6.

Op grond van het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] de overeenkomst met [geïntimeerde] in eigen naam - dus als contractpartij van [geïntimeerde] - is aangegaan en niet als vertegenwoordiger van [naam bedrijf 1] i.o. Gelet hierop heeft de door [appellant] overgelegde akte van bekrachtiging in dit verband geen betekenis. Deze akte ziet immers op rechtshandelingen die door [appellant] zijn verricht namens [naam bedrijf 1] i.o.

4.5.

[appellant] voert nog als verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij de lening persoonlijk moet dragen. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW doet zich echter slechts bij uitzondering gelden. Naar het oordeel van het hof zijn de door [appellant] in dit kader aangevoerde omstandigheden niet zodanig dat het beroep van [appellant] hierop kan slagen.

De enkele omstandigheid dat [appellant] geen financiële middelen had en heeft om de verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening na te komen en dat [geïntimeerde] hiervan op de hoogte was, is, wat daar verder ook van zij, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat instandhouding van de geldleningsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

Voor zover [appellant] aan zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten grondslag legt dat het juist de bedoeling van partijen was dat [naam bedrijf 1] schuldenaar was, stuit dat af op hetgeen hiervoor op dat punt is geoordeeld. Ten slotte voert [appellant] in dit verband aan dat [geïntimeerde] jegens hem tekort is geschoten in zijn advies- en informatieplicht en zijn zorgplicht. Zo al op [geïntimeerde] een dergelijke verplichting rustte, heeft [appellant] niet, althans onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] in de nakoming daarvan zodanig is tekortgeschoten dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [geïntimeerde] van [appellant] nakoming verlangt van de uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen.

Andere omstandigheden legt [appellant] niet aan zijn beroep op artikel 6:248 lid 2 BW ten grondslag.

4.6.1.

[appellant] doet ten slotte een beroep op dwaling. Voor zover voor een dergelijk beroep van belang voert hij aan dat hij geen (juridische) bijstand had en dat [geïntimeerde] hem had moeten inlichten over de consequenties die waren verbonden aan het tekenen van de overeenkomst, namelijk dat dit zou leiden tot een privé-aansprakelijkheid van [appellant] , tot het nakomen van de verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst. [appellant] stelt dat hij, indien hij van deze consequenties op de hoogte was geweest, de schuldbekentenis nimmer zou hebben getekend. Het hof begrijpt dat [appellant] hiermee bedoelt te stellen dat op [geïntimeerde] ter zake een mededelingsplicht rustte en dat zij deze heeft geschonden (artikel 6:228 lid 1 sub b BW).

4.6.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van de vraag of [appellant] zich met succes op dwaling kan beroepen het volgende voorop.

Ingevolge artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. Op grond van artikel 6:228 lid 2 BW is een vernietiging wegens dwaling desondanks niet mogelijk indien de dwaling een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

4.6.3.

Hiervoor (rov. 4.4.6) heeft het hof al geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat [appellant] bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst in eigen naam is opgetreden, dus als contractuele wederpartij van [geïntimeerde] . In dit oordeel ligt besloten dat niet valt in te zien dat op [geïntimeerde] een mededelingsverplichting rustte als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 en onder b BW. [appellant] heeft er zelf voor gekozen bij deze zakelijke transactie geen (juridische) bijstand in te roepen. [geïntimeerde] mocht ervan uitgaan dat [appellant] in staat was de aan de geldlening voor hem verbonden risico’s te overzien en was niet gehouden hem op dat punt te waarschuwen. Daar komt bij dat [appellant] nalaat te stellen ten aanzien van welke feiten en omstandigheden hij precies heeft gedwaald. Het beroep op dwaling wordt verworpen.

4.7.

De slotsom is dat [appellant] de betalingsverplichtingen uit de geldleningsovereenkomst jegens [geïntimeerde] dient na te komen. Voor dat geval stelt [appellant] dat het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag op grond van artikel 5 van de schuldbekentenis dient te worden verrekend met een nog niet uitgekeerde bonus van € 7.584,53, zijnde 5 % van de totale inkopen door [naam bedrijf 1] bij [naam bedrijf 2] over de jaren 2013 tot en met 2015.

[appellant] betwist echter niet dat, zoals [geïntimeerde] stelt, [naam bedrijf 1] nimmer de grens van

€ 100.000,00 per jaar aan inkopen bij [naam bedrijf 2] heeft gehaald en daarmee niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor het uitkeren van de bonus. Daar komt bij dat een eventuele vordering op [naam bedrijf 2] tot uitkering van de bonus in eerste instantie toekomt aan [naam bedrijf 1] en dus ook alleen kan worden ingesteld door [naam bedrijf 1] , en in diens faillissement, door de curator, en niet door [appellant] . Kruislingse verrekening van de restantschuld van [appellant] aan [geïntimeerde] met een eventuele vordering van (de curator van) [naam bedrijf 1] op [naam bedrijf 2] , de dochtermaatschappij van [geïntimeerde] , zoals hier door [appellant] gesteld, is dan ook niet mogelijk. Het beroep van [appellant] op verrekening dient dan ook te worden verworpen.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat grieven 1 tot en met 5 falen.

4.9.1.

De zesde grief van [appellant] is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat [appellant] niet voldoende verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde rente tot en met 31 januari 2014. [appellant] stelt dat [naam bedrijf 1] altijd heeft voldaan aan de rentebetalingen. Daarnaast stelt [appellant] dat in het geval hij de geldlening persoonlijk moet dragen, het beding in de schuldbekentenis over de over de (restant) hoofdsom verschuldigde rente van 6,5 % per jaar een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13 EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het beding is naar de mening van [appellant] onredelijk bezwarend voor hem, aangezien hierover niet afzonderlijk is onderhandeld en de rente in de schuldbekentenis op jaarbasis 4,5 % hoger is dan de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW.

4.9.2.

Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt. Nu [appellant] zich beroept op een bevrijdende omstandigheid ten aanzien van de gevorderde rente tot en met 31 januari 2014, te weten dat deze rente altijd is voldaan zodat de verbintenis in zoverre is tenietgegaan, ligt op hem de bewijslast van deze betaling. [appellant] laat evenwel na ten aanzien van de rente betalingsbewijzen over te leggen en biedt evenmin specifiek bewijs aan op dit punt. Het hof gaat dus voorbij aan het (bevrijdend)verweer van [appellant] dat [naam bedrijf 1] de rente altijd heeft betaald.

De stelling van [appellant] dat sprake is van een oneerlijk beding als bedoeld in de hiervoor genoemde richtlijn, kan hem evenmin baten. De richtlijn is niet van toepassing, nu [appellant] niet is aan te merken als een consument in de zin van artikel 2 sub b van de richtlijn. [appellant] handelde bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst weliswaar als natuurlijk persoon, maar niet voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. [appellant] heeft de geldlening immers aangewend als startkapitaal voor [naam bedrijf 1] en mocht de geldlening op grond van de preambule van de schuldbekentenis ook niet voor andere doeleinden gebruiken dan voor [naam bedrijf 1] ter financiering van zaken die kwalificeren als verplicht bedrijfsvermogen.

Overigens gaat de door [appellant] gemaakte vergelijking tussen de door hem op grond van de schuldbekentenis verschuldigde rente van 6,5 % per jaar en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW niet op. Eerstgenoemde rente betreft de vergoeding voor de verstrekking van de geldlening, terwijl de wettelijke rente schadevergoeding is die verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom.

De zesde grief treft dus evenmin doel.

4.10.

[appellant] biedt in hoger beroep nog bewijs aan. Aan het bewijsaanbod wordt voorbij gegaan, omdat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aan het voorgaande kunnen afdoen.

4.11.

[appellant] voert in hoger beroep voor het overige geen verweer tegen het gevorderde bedrag van € 30.775,20, de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de gevorderde wettelijke rente. Die staan daarmee ook in hoger beroep vast.

5 De slotsom

Nu de grieven falen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep. De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden tot op heden begroot op € 1.937,00 aan griffierecht en op € 2.086,00 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punt [memorie van antwoord 1, antwoordakte 0,5] maal tarief III).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 september 2015;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 1.937,00 aan griffierecht en op € 2.086,00 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, R.A. van der Pol en G.M. Menon, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.