Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8358

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
200.242.506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsanering. Informatieplicht en sollicitatieplicht. Beoordeling nakoming sollicitatieplicht in het kader van de schuldsaneringsregeling afhankelijk gesteld van uitkomsten gemeentelijke bezwaarprocedure inzake de gemeentelijke arbeidsverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.242.506

(insolventienummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: C/08/17/9 R)

arrest van 17 september 2018

in de zaak van:

[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellante, hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J. Klomp.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van 5 januari 2017 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, ten aanzien van [appellante] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2

Bij vonnis van 10 juli 2018 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op verzoek van de bewindvoerder, J. Bolhaar, de toepassing van de wettelijke schuldsanerings-regeling van [appellante] tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 13 juli 2018 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 10 juli 2018 en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te laten, dan wel de looptijd van die regeling te verlengen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief van 23 juli 2018 van mr. Klomp, de brief met bijlagen van 30 augustus 2018 van de bewindvoerder en de brieven met bijlagen van 4 september 2018 en 6 september 2018 van mr. Klomp.

2.3

De mondelinge behandeling, die aanvankelijk was vastgesteld op 2 augustus 2018 maar op verzoek van mr. Klomp is aangehouden, heeft plaatsgevonden op 10 september 2018. Daarbij is [appellante] verschenen in persoon, vergezeld van haar echtgenoot, [partner] (hierna: [partner] ), en bijgestaan door mr. Klomp. Tevens is verschenen de bewindvoerder.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellante] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , is ongeveer 17 jaar geleden in Nederland komen wonen. Zij is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [partner] .
[appellante] en [partner] hebben samen twee nog minderjarige kinderen.
[appellante] is sinds 2012 bekend bij het Medisch Spectrum Twente (hierna: het MST) wegens chronische recividerende uveïtis anterior aan beide ogen. Sinds maart 2018 bezoekt zij weer de polikliniek van MST wegens toegenomen klachten. In verband met een mogelijke aanwezige auto-immuunziekte is [appellante] tevens doorverwezen naar het UMC Utrecht.
heeft zowel in haar land van herkomst als in Nederland geen betaald werk verricht. Zij ontvangt van de gemeente Enschede (hierna: de gemeente) een uitkering ingevolge de Participatiewet.

3.2

In verband met een mogelijke gedeeltelijke ontheffing van de gemeentelijke arbeidsverplichtingen is [appellante] op verzoek van de gemeente op 17 november 2016 onderzocht door F. Knol, medisch adviseur van Sciopeng (SCio Consult) te Deventer. In de op 19 november 2016 uitgebrachte rapportage komt naar voren dat er voor [appellante] geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn tot het verrichten van arbeid, maar dat verbetering van de belastbaarheid binnen zes maanden tot de mogelijkheden behoort.
Bij besluit van 17 augustus 2017 heeft de gemeente [appellante] met ingang van die datum op grond van individuele dringende redenen gedeeltelijk vrijgesteld van de arbeidsverplich-tingen (waarmee haar sollicitatieplicht tot 1 november 2017 verviel, maar alle overige verplichtingen van kracht bleven). Hiertegen heeft [appellante] op 15 september 2017, aangevuld op 3 oktober 2017, een bezwaarschrift ingediend. De gemeente heeft vervolgens wederom Sciopeng om een medisch advies gevraagd. In afwachting daarvan heeft de gemeente bij besluit van 11 december 2017 [appellante] vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen (waarmee haar sollicitatieplicht tot 1 april 2018 verviel, maar alle overige verplichtingen van kracht bleven). Tegen dat besluit heeft [appellante] op 8 januari 2018 een bezwaarschrift ingediend.

3.3

De rechter-commissaris heeft [appellante] in het kader van de schuldsaneringsregeling vrijstelling van de sollicitatieplicht verleend tot 1 november 2017.

3.4

In zijn rapportage van 18 februari 2018 heeft F. Knol van Sciopeng de gemeente als volgt geadviseerd: “Cliënt heeft wel duurzaam benutbare mogelijkheden in arbeid/vrijwilligerswerk indien rekening wordt gehouden met de beschreven beperkingen. Op grond van het ter beschikking staande medische feitencomplex dient te worden geconcludeerd dat er geen sprake is van beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en gebrek. Client is belastbaar overeenkomstig krachten en bekwaamheden.”
Vervolgens heeft de gemeente met [appellante] een gesprek gehad op 16 mei 2018. In dat gesprek heeft de gemeente besloten de vrijstelling van [appellante] met betrekking tot de arbeidsverplichting niet verder te verlengen en zou [appellante] begin september 2018 worden aangemeld voor het traject “werken aan werk”. Hiervan is geen schriftelijke bevestiging aan [appellante] verzonden.

3.5

Bij brief, tevens verzoek om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] , van 30 mei 2018 heeft de bewindvoerder de rechtbank, onder verwijzing naar het gesprek tussen de gemeente en [appellante] op 16 mei 2018, instemming gevraagd per laatstgenoemde datum de sollicitatieplicht weer op [appellante] van toepassing te verklaren.

3.6

Bij e-mail van 3 juli 2018 heeft [appellante] de gemeente verzocht haar op grond van nieuwe medische gegevens (objectiveerbare aandoeningen die beperkingen voor arbeid opleveren) ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen.

3.7

De hoorzitting bij de gemeente heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Op 4 september 2018 heeft de commissie bezwaarschriften van de gemeente geadviseerd om:
- het bezwaarschrift van 15 september 2017 niet-ontvankelijk te verklaren wegens het
ontbreken van procesbelang;

- het bezwaarschrift van 8 januari 2018 gegrond te verklaren, wegens onzorgvuldige
besluitvorming;

- een nieuw besluit te nemen (binnen vier maanden na het nemen van het besluit op bezwaar)
dat zal moeten berusten op een beoordeling van de actuele medische beperkingen van
[appellante] ;
- [appellante] met ingang van 1 april 2018 volledig en tijdelijk (vier maanden na het besluit op
bezwaar) te ontheffen van alle arbeidsverplichtingen en tegenprestatieverplichtingen;
- een (arbeidsdeskundig) onderzoek bij het UWV aan te vragen.
Bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft [appellante] verklaard dat de gemeente na het uitbrengen van het advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente nog geen besluit op bezwaar heeft genomen.

3.8

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds beëindigd, omdat [appellante] niet heeft voldaan aan de uit die regeling voortvloeiende informatieplicht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Blijkens de stukken en de behandeling ter zitting heeft [appellante] de bewindvoerder niet spontaan geïnformeerd over het arbeidsbelastbaarheidsonderzoek dat begin 2018 bij Sciopeng heeft plaatsgehad, over het gesprek dat zij op 16 mei 2018 met de gemeente heeft gehad, waarbij is besloten de vrijstelling met betrekking tot de arbeidsverplichting niet verder te verlengen, over de besluiten van de gemeente die op 3 oktober 2017 en 8 januari 2018 (het hof begrijpt: 17 augustus 2017 en 11 december 2017) zijn afgegeven en over de daartegen ingediende bezwaarschriften. Vervolgens moet de bewindvoerder ondanks meerdere schriftelijke verzoeken en via WhatsApp om informatie steeds zelf overal achteraan gaan om de benodigde informatie over de arbeids(on)geschiktheid van [appellante] boven water te krijgen. Zo heeft de bewindvoerder bijvoorbeeld voor het eerst op 5 juni 2018 het op 18 februari 2018 door Sciopeng uitgebrachte rapport ontvangen. [appellante] heeft ter zitting geen afdoende verklaring gegeven waarom zij dit rapport pas op 5 juni 2018 aan de bewindvoerder heeft doen toekomen. Evenmin is een afdoende verklaring gegeven waarom de besluiten van de gemeente van 3 oktober 2017 (hof: 17 augustus 2017) en 8 januari 2018 (hof: 11 december 2017) en de daartegen gerichte bezwaren niet aan de bewindvoerder zijn overgelegd. De omstandigheid dat [appellante] niet met de computer kan omgaan en de Nederlandse taal niet beheerst, doet niet af aan de verwijtbaarheid van de schending van de informatieplicht. [appellante] is zelf volledig verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Het ligt dan ook op haar weg zo nodig (tijdig) hulp van (deskundige) derden in te schakelen om haar belangen naar behoren te behartigen, aldus de rechtbank. Al eerder in de schuldsaneringsregeling zijn problemen ontstaan bij het overleggen van het op 19 november 2016 uitgebrachte rapport van Sciopeng dat de bewindvoerder eerst op 21 augustus 2017 heeft ontvangen, mede omdat [appellante] de Nederlandse taal niet beheerst en zij niet met computers kan omgaan, aldus de rechtbank.
De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat informatieplicht in de toekomst wel naar behoren zal worden nagekomen door [appellante] . [appellante] heeft structureel niet voldaan aan haar informatieplicht en zij heeft tot op heden geen (deskundige) hulp gezocht, aldus de rechtbank.

3.9

Het hof oordeelt als volgt. De wettelijke schuldsaneringsregeling kent een aantal (strikte) verplichtingen, waaronder de verplichting de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de regeling.

Hoewel niet in debat is dat [appellante] , met name met hulp van [partner] en nu ook van een kennis, mevrouw [naam kennis] , de bewindvoerder steeds heeft voorzien van alle van belang zijnde financiële informatie, staat wel vast dat zij in verzuim is geweest de bewindvoerder op de hoogte te brengen en te houden van alle ontwikkelingen omtrent haar gezondheidssituatie, arbeids- en sollicitatieverplichtingen en de daarmee verband houdende bezwaarprocedure(s) bij de gemeente. In het bijzonder rekent het hof het [appellante] aan dat zij de bewindvoerder pas na geruime tijd de rapportages van Sciopeng van 19 november 2016 en 18 februari 2018 heeft gegeven. Zeker met betrekking tot de laatste rapportage had [appellante] kunnen en ook moeten weten, dat zij dit met spoed aan de bewindvoerder had moeten geven.

3.10

Hoewel de schending van de informatieplicht aanleiding zou kunnen zijn de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds te beëindigen, moet [appellante] naar het oordeel van het hof nog een laatste kans krijgen haar regeling tot een goed einde te brengen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellante] er thans voldoende van doordrongen lijkt te zijn wat er van haar in het kader van deze kernverplichting uit de schuldsaneringsregeling wordt verwacht. Naast de hulp van haar echtgenoot wordt zij inmiddels ook wekelijks door mevrouw [naam kennis] begeleid bij het ordenen van haar administratie en het informeren van de bewindvoerder en met het verder leren van de Nederlandse taal. Ook volgens de bewindvoerder is de naleving van de informatieverplichting sterk verbeterd.

Verder weegt mee dat een tussentijdse beëindiging voor [appellante] ernstige gevolgen heeft en dat [appellante] tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet eerder door de rechter-commissaris of de rechtbank is gewaarschuwd voor de mogelijke consequenties die het verzuim de bewindvoerder tijdig te informeren voor haar regeling zouden kunnen hebben en haar een kans is geboden om haar leven in dit opzicht te verbeteren.

3.11

Ten aanzien van de in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling door [appellante] in acht te nemen sollicitatieverplichting oordeelt het hof voorts als volgt.
In beginsel geldt dat [appellante] zonder uitdrukkelijke ontheffing van de sollicitatieplicht door de rechter-commissaris of de rechtbank verplicht is volgens de daartoe geldende regels in de schuldsaneringsregeling te solliciteren naar betaalde arbeid.
is door de rechter-commissaris tot 1 november 2017 vrijgesteld van de sollicitatie-plicht. Ter beoordeling van de vraag of een verdere vrijstelling aangewezen is en of daarbij aansluiting kan worden gezocht bij de tot 1 april 2018 verlengde gemeentelijke vrijstelling van de arbeidsverplichting, heeft de bewindvoerder het rapport van 18 februari 2018 van Sciopeng bij [appellante] opgevraagd.
Vaststaat dat ook na het begin juni 2018 door de bewindvoerder ontvangen rapport van Sciopeng door de rechter-commissaris noch de rechtbank een beslissing is genomen omtrent een eventuele verdere verlenging van de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor [appellante] . De bewindvoerder heeft ter mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat, mede uit oogpunt van kostenbesparing, ervoor is gekozen niet zelf een medisch-arbeidsdeskundig onderzoek te (laten) verrichten, maar het onderzoek en de beslissing op bezwaar van de gemeente af te wachten alvorens een (nader) standpunt te bepalen.
Niettegenstaande het voorgaande, heeft de bewindvoerder zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat nu de gemeente in een gesprek met [appellante] op 16 mei 2018 [appellante] heeft voorgehouden dat zij weer moest solliciteren, in elk geval vanaf die datum voor [appellante] de sollicitatieplicht weer van kracht was en dat zij zich hieraan niet heeft gehouden. De bewindvoerder vindt dit echter geen gebrek dat tot tussentijdse beëindiging zou moeten leiden omdat zij [appellante] daarop niet heeft aangesproken en de situatie in de bezwaarschriftprocedures bij de gemeente op dat moment onzeker en onduidelijk was voor [appellante] en voor haarzelf.

Het hof volgt het standpunt van de bewindvoerder in deze, ook omdat de bewindvoerder in samenspraak met de rechter-commissaris heeft besloten de uitkomst van de gemeentelijke bezwaarprocedure af te wachten alvorens te beslissen over de sollicitatieplicht van [appellante] in de schuldsaneringsregeling.

3.12

[appellante] dient zich te realiseren dat zij hiermee, zoals nu is te voorzien, een laatste kans krijgt haar schuldsaneringsregeling succesvol tot een einde te brengen.

Van belang is dan ook dat [appellante] zich gedurende de resterende looptijd van haar regeling stipt zal houden aan alle verplichtingen, in het bijzonder de informatieverplichting.
Ten aanzien van deze verplichting zal [appellante] de bewindvoerder voortaan ook op eigen initiatief tijdig en correct van alle relevante feiten en omstandigheden op de hoogte moeten houden en met haar moeten overleggen over alles wat voor haar regeling van belang is of zou kunnen zijn.

Tot slot gaat het hof er vanuit dat [appellante] gebruik zal blijven maken van de thans aan haar geboden hulp bij het nakomen van haar verplichtingen en dat zij, gelet op het belang dat zij heeft om het einde van de looptijd van haar schuldsaneringsregeling deze regeling met een schone lei af te sluiten, daar waar nodig aanvullende hulp en begeleiding zal inroepen en aanvaarden.

3.13

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 10 juli 2018 en, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] zal worden voortgezet.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, F.J.P. Lock en I. Brand, en is op 17 september 2018 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.