Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8354

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
200.237.339
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:1353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Weigering Pensioenfonds om een door MLP (vereniging van gepensioneerden) voorgedragen kandidaat voor een vacature in het bestuur van het Pensioenfonds op de verkiezingslijst te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/170
PR-Updates.nl PR-2018-0117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.237.339

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 454533)

arrest in kort geding van 18 september 2018

in de zaak van

Stichting BPL Pensioen,

statutair gevestigd te Woerden,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: BPL,

advocaat: mr. E. Lutjens,

tegen

Vereniging voor gepensioneerden Landbouwpensioen,

statutair gevestigd te Gouda,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: MLP,

advocaat: mr. A.G. van Marwijk Kooy.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 mei 2018 hier over.

1.2.

Op 18 juni 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.3.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het (bestreden) vonnis van 30 maart 2018.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.

MLP is een in 2016 opgerichte vereniging voor pensioengerechtigden van [voorzitter] (hierna: [voorzitter] ) is voorzitter van MLP. Voorheen was hij bestuurder van het pensioenfonds dat de pensioenregeling van Heinz Holding B.V., H.J. Heinz Nederland B.V., Heinz European Holding B.V. en H.J. Supply Chain Europe B.V. uitvoerde (hierna: Pensioenfonds Heinz). Eind 2014 is besloten om, kort gezegd, de pensioenverplichtingen van Pensioenfonds Heinz aan BPL over te dragen en Pensioenfonds Heinz te ontbinden (artikel 2:19 BW). [voorzitter] en [persoon 1] waren of zijn belast met de vereffening van Pensioenfonds Heinz.

MLP heeft eind 2017 onder meer [voorzitter] voorgedragen voor de vacature van bestuurder van BPL. Na een gesprek met de verkiezingscommissie van BPL op 15 december 2017 heeft die commissie op 17 december 2017 besloten om [voorzitter] niet op de kandidatenlijst te plaatsen. BPL heeft dit besluit bij brief van 19 januari 2018 aan MLP medegedeeld. MLP is in de gelegenheid gesteld een andere kandidaat voor te dragen. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar van MLP is door (het bestuur van) BPL bij brief van 8 maart 2018 ongegrond verklaard. MLP heeft in kort geding onder meer gevorderd om BPL te gebieden [voorzitter] als kandidaat te accepteren, hem aan de verkiezingen deel te laten nemen en voorts om BPL te gebieden een gedetailleerd plan van aanpak en afronding van de verkiezingen aan MLP te sturen. Bij vonnis van 30 maart 2018 zijn de vorderingen van MLP toegewezen met uitzondering van het gevorderde plan van aanpak van de verkiezingen.

3.2.

Met grief 1 komt BPL op tegen de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter omdat deze onvolledig zou zijn en de voorzieningenrechter zich “kennelijk” slechts op een deelselectie van de feiten baseert. Nu BPL niet heeft toegelicht welke feiten ten onrechte niet in de feitenvaststelling (en dus in de beoordeling) zijn betrokken gaat het hof aan deze grief voorbij.

3.3.

De overige grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met deze grieven komt BPL op tegen de toewijzing van de vorderingen van MLP.

3.4.

Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, dient, zo nodig ambtshalve, mede te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). Dit spoedeisend belang staat tussen partijen voldoende vast.

3.5.

MLP stelt dat PBL onrechtmatig jegens haar handelt door [voorzitter] niet op de kandidatenlijst te plaatsen omdat de argumentatie om [voorzitter] als kandidaat te weigeren geen hout snijdt en, voor zover er al enig bezwaar tegen [voorzitter] zou zijn, dat in het niet valt bij het recht van pensioengerechtigden zich over de kandidatuur van [voorzitter] uit te spreken. Met de gevorderde bevelen (en overige voorzieningen) wordt beoogd de hierdoor ontstane onrechtmatige situatie te beëindigen, althans de gevolgen van dit onrechtmatige handelen weg te nemen.

3.6.

Volgens BPL voldoet [voorzitter] niet aan het (toepasselijke) functieprofiel, onder meer, omdat [voorzitter] de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt, onvoldoende vermogen heeft getoond bestuurlijke en strategische risico’s goed in te schatten, twee nagekomen baten (bij de vereffening van Pensioenfonds Heinz) maandenlang niet heeft vermeld (met) wetenschap omtrent overname van pensioenverplichtingen en de bestemming in de liquidatiebalans, wisselende standpunten heeft ingenomen, niet volledig transparant is over toetsen (rapportages van Stichting Pensioen Opleidingen, hierna: SPO) en omdat een functioneren in het bestuur als collectief niet vruchtbaar kan zijn (mvg 2.25, 4.4 en 4.10). Daarnaast, of in het verlengde daarvan, heeft BPL met grief VI betoogd dat [voorzitter] geen constructieve bijdrage kan leveren aan de werking van het bestuur, gelet op het gesprek met de verkiezingscommissie, zijn houding en standpunten zowel voor als na dat gesprek, het opzoeken van de rechter in plaats van de dialoog met het bestuur en zijn betwisting dat BPL belanghebbende is bij voormelde nagekomen baten. Op grond hiervan ontbreken de loyaliteit, de sensitiviteit en de vertrouwensbasis die vereist zijn om met [voorzitter] als team en collectief in het bestuur te kunnen functioneren, aldus BPL.

3.7.

Tussen partijen staat vast dat [voorzitter] qua deskundigheid voldoet aan het functieprofiel. Het besluit is vooral gebaseerd op de bezwaren van BPL tegen de wijze waarop [voorzitter] Pensioenfonds Heinz heeft vereffend en de wijze waarop [voorzitter] daarover met BPL heeft gecommuniceerd. Die vereffening is (tot nu toe) in het kort als volgt verlopen:

  • -

    Pensioenfonds Heinz heeft eind 2014 besloten tot vereffening van het fonds en collectieve waardeoverdracht aan (onder meer) BPL. Daartoe is op 30 april 2015 tussen Pensioenfonds Heinz, BPL en H.J. Heinz Holding B.V. (en enkele andere vennootschappen) een overeenkomst tot collectieve waardeoverdracht en vrijwaring (hierna: CWO) gesloten.

  • -

    [voorzitter] is samen met [persoon 1] als vereffenaar opgetreden.

  • -

    Op 19 juni 2015 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat Pensioenfonds Heinz per 27 mei 2015 is ontbonden.

  • -

    Op 19 juni 2015 mailt [persoon 2] aan [pensioenconsulent] (pensioenconsulent van BPL) met cc aan [voorzitter] dat er druk overleg met de herverzekeraars ‘of afkoop alsnog mogelijk is’.

  • -

    Op 13 oktober2015 wordt de rekening en verantwoording van de vereffening van Pensioenfonds Heinz gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.

  • -

    In oktober 2015 is in De Volkskrant gepubliceerd dat de rekening en verantwoording (artikel 23b lid 4 BW) ter inzage ligt tot 16 december 2015.

  • -

    Uit een emailwisseling van 14 januari (e-mail van [pensioenconsulent] (pensioenconsulent van BPL, hierna: [pensioenconsulent] ) aan onder andere [voorzitter] ) en 20 januari 2016 (e-mail van [voorzitter] aan onder andere [pensioenconsulent] ) blijkt dat Pensioenfonds Heinz en BPL op 13 januari 2016 hebben gesproken (ook) over vertraging bij de afkoop van ‘de herverzekerde AO vanuit Leidsche/AON’.

  • -

    In het liquidatieverslag d.d. 26 februari 2016 (over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 oktober 2015) is op pagina 39 vermeld dat voor de lopende arbeidsongeschiktheidsrentes vanaf 1 juli 2015 door de herverzekeraar een afkoopsom is betaald.

  • -

    Op 15 mei 2016 mailt [voorzitter] aan [pensioenconsulent] dat hij wil overgaan tot uitschrijving bij de kamer van koophandel en dat hij dat pas kan doen als de laatste betaling goed is afgehandeld.

  • -

    Op 30 mei 2016 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven dat de (al eerder ontbonden) Stichting Pensioenfonds Heinz is opgehouden te bestaan per 24 mei 2016.

  • -

    Op 19 juni 2016 mailt [voorzitter] aan [pensioenconsulent] dat het dossier (met een goedgekeurde betaling van vereffeningskosten door BPL) helemaal is gesloten.

  • -

    Op 19 november 2016 mailt [voorzitter] aan [pensioenconsulent] over een onverwachte nabetaling door de verzekeraar die ergens rond de € 100.000 zal bedragen.

  • -

    Op 10 februari 2017 mailt verzekeraar AON aan [voorzitter] dat een herziene opgave van de afkoopwaarden van Leidsche/RGA van € 107.000 is ontvangen.

  • -

    Op 13 februari 2017 mailt [voorzitter] aan AON daarmee akkoord te gaan en dat € 100.000 kan worden overgemaakt aan BPL en dat de rest is voor flink hoger uitgevallen vereffeningskosten.

  • -

    In mei 2017 betaalde ASR Pensioen € 830,70 zijnde het restsaldo uit een rekening courant verhouding met Pensioenfonds Heinz.

  • -

    In juli 2017 werd € 14.898,37 ontvangen als vergoeding uit hoofde van een door Black Rock (voormalige vermogensbeheerder van Pensioenfonds Heinz gevoerde ‘class action claim’.

  • -

    Bij verzoekschrift d.d. 6 februari 2018 hebben [voorzitter] en [persoon 1] de rechtbank Midden-Nederland primair verzocht voor recht te verklaren dat Pensioenfonds Heinz niet is opgehouden te bestaan op 24 mei 2016, dat deze nog bestaat en zij nog de vereffenaars zijn en subsidiair om de vereffening te heropenen en hen te benoemen tot vereffenaars.

3.8.

Het hof is, mede op grond van de ter zitting op de vereffening van Pensioenfonds Heinz door partijen gegeven toelichting, voorlopig van oordeel dat de bezwaren van BPL tegen de handelwijze en communicatie van [voorzitter] deels ongegrond zijn en voor het overige niet meebrengen dat [voorzitter] niet aan het functieprofiel van bestuurslid van BPL voldoet. Ten eerste is ter zitting gebleken dat sprake was van twee te onderscheiden ‘afkoopkwesties’. Eén afkoop zag op aanspraakgerechtigden die ziek (arbeidsongeschikt) uit dienst waren gegaan en een premievrije opbouw van het pensioen kregen. Dit risico was door Pensioenfonds Heinz verzekerd. Met de vereffening van het pensioenfonds kwam afkoop van deze verzekering (of: dit risico) in beeld. Er waren daarnaast aanspraakgerechtigden die ten tijde van de vereffening ziek waren maar nog niet uit dienst waren. Voor hen zou voornoemde verzekering mogelijk ook gaan gelden. Ten tijde van de vereffening was echter niet duidelijk wie van hen tot het einde van het dienstverband arbeidsongeschikt zou blijven. Dat verklaart de (voortzetting van de) vereffening in 2015/2016 en de latere, begin 2017, uitbetaalde afkoopsom van € 107.000. De door [voorzitter] in zijn e-mail van 19 november 2016 gebruikte term ‘onverwachte’ is, zo heeft [voorzitter] ter zitting erkend, in die zin niet op zijn plaats omdat hij wist dat er nog arbeidsongeschikte aanspraakgerechtigden (deelnemende werknemers) waren en mogelijk een (tweede) afkoopsom betaald zou worden. Daar staat tegenover dat hij ter zake de ontvangst van die bate voldoende transparant heeft gehandeld en dat hij zich heeft ingespannen om deze nabetaling ten gunste van de aanspraakgerechtigden door BP te laten aanwenden. De ‘afroming’ van € 7.000 van deze nabetaling voor de kosten van vereffening en het parkeren van dat bedrag (en de twee andere, in mei en juni 2017 ontvangen baten) bij MLP heeft bij BPL argwaan gewekt maar onweersproken is dat [voorzitter] hierover steeds voldoende openheid van zaken heeft gegeven (zie onder andere zijn mail van 13 februari 2017, productie 22 MLP) en dat hij ook aan BPL gemotiveerd heeft toegelicht dat dit een bewuste keus was omdat er bij MLP zicht op (het geld) is door de mede-vereffenaar en het bestuur van MLP. Wellicht verdient het apart zetten van deze bedragen bij MLP geen schoonheidsprijs omdat [voorzitter] voorzitter is van MLP, MLP geen inkomsten heeft en het risico van insolventie niet was afgedekt. Daar staat echter tegenover dat de door BPL geboden oplossing, te weten het betalen van het volledige bedrag aan BPL en het daarna betalen van vereffeningskosten vanuit BPL aan de vereffenaars, evenmin voor de hand lag. Het was immers Pensioenfonds Heinz zelf die – ingevolge met BPL overeengekomen CWO – de vereffeningskosten moest voldoen. Bovendien voorziet artikel 3.6 van de CWO in de mogelijkheid van een batig liquidatiesaldo en is daarin bepaald dat dit (in beginsel) zal worden aangewend voor inkoop bij BPL van een eenmalige toeslag voor alle aanspraakgerechtigden. Ook over de andere twee nagekomen, in mei en juli 2017 ontvangen baten is niet geheimzinnig gedaan. BPL is hierover mogelijk pas aan het einde van dat jaar geïnformeerd maar met haar bezwaren daartegen gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat de vereffenaars van Pensioenfonds Heinz primair gehouden zijn verantwoording af te leggen aan het (voormalig bestuur van dat) pensioenfonds. De afkeuring door BPL van de gedragingen van [voorzitter] in het kader van zijn kandidaatstelling eind 2017 laten zich voorts moeilijk rijmen met de wijze waarop BPL (in de persoon van [pensioenconsulent] als haar pensioenconsulent) zich ten tijde van de nabetaling jegens [voorzitter] heeft opgesteld. Uit de aan het besluit gehechte correspondentie uit die periode kan immers niet worden afgeleid dat [pensioenconsulent] destijds tegen de gang van zaken voldoende duidelijk bezwaar heeft gemaakt, maar lijkt veeleer een bereidheid te spreken om mee te werken aan een praktische oplossing.

Het hof is al met al, gelet op de door [voorzitter] steeds betrachte transparantie en de verhoudingen tussen alle betrokken partijen, van oordeel dat de gang van zaken rond de vereffening niet het besluit kon rechtvaardigen dat [voorzitter] niet aan de genoemde eisen uit de profielschets -van onder meer professioneel gedrag en gevoel voor relevantie van juridisch juist handelen - voldeed en om die reden niet op de kandidatenlijst kon worden geplaatst.

Voor zover de vereffening niet geheel is gelopen overeenkomstig de regels van artikel 2:19 e.v. BW geldt, gelet op alle genoemde omstandigheden van het onderhavige geval, dat daarin geen (voldoende) reden is gelegen om [voorzitter] niet op de verkiezingslijst te plaatsen. Het belang van gepensioneerden bij het recht om in het paritair bestuur een persoon van hun keuze hun belangen te laten vertegenwoordigen vergt dat een besluit van deze aard zeer zorgvuldig wordt genomen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat in dit verband voorts voldoende gewicht moet worden toegekend aan de omstandigheid dat [voorzitter] wat betreft deskundigheid en ervaring als voormalig bestuurder van Pensioenfonds Heinz en van – thans – twee andere pensioenfondsen kwalificeert voor deze functie van bestuurder van BPL en er wat betreft overige in het functieprofiel genoemde functie eisen in positieve zin wordt gerapporteerd door SPO, waarover hierna meer.

3.9.

BPL motiveert haar besluit [voorzitter] niet op de verkiezingslijst te plaatsen ook met de stelling dat bij [voorzitter] sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling omdat hij in deze opereert als vereffenaar van Pensioenfonds Heinz en daarnaast als voorzitter van MLP. Mede gelet op de omstandigheid dat het belang van een goede vereffening in beginsel samenloopt met het belang van die leden van MLP die pensioenverzekerde/aanspraakgerechtigde bij Pensioenfonds Heinz waren (en thans bij BPL zijn), had het op de weg van BPL gelegen om voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die desondanks de conclusie rechtvaardigen dat de twee hoedanigheden van [voorzitter] een (schijn van) belangenverstrengeling meebrengen die aan plaatsing op de kieslijst van [voorzitter] in de weg zou staan. Zij heeft dat in onvoldoende mate gedaan.

3.10.

Het besluit om [voorzitter] niet op de verkiezingslijst te plaatsen is mede gebaseerd op het gesprek met de verkiezingscommissie op 15 december 2017. BPL verwijt [voorzitter] dat hij zich in dat gesprek op onderdelen zeer onwelwillend heeft opgesteld en dat hij heeft gedreigd met een gang naar de rechter.

Op grond van de hierover ter zitting door [voorzitter] en BPL afgelegde verklaringen en gegeven toelichting is voorhands voldoende aannemelijk dat in dat gesprek aan [voorzitter] vragen zijn gesteld over de vereffening van Pensioenfonds Heinz en dat daarbij de integriteit van [voorzitter] in twijfel is getrokken, dat [voorzitter] hierover geïrriteerd was en mede daarom (nagenoeg) niet op die vragen heeft willen antwoorden. Het staat verder vast dat [voorzitter] in dat gesprek heeft gezegd dat hij naar de rechter zou stappen als hij onbetrouwbaar werd bevonden en om die reden niet op de kandidatenlijst zou komen. Deze gang van zaken kan naar het oordeel van het hof niet los worden gezien van de voorgeschiedenis tussen partijen. [voorzitter] had al eerder kritische vragen gekregen van BPL over de vereffening van Pensioenfonds Heinz en had die vragen uitvoerig beantwoord bij brief van 18 oktober 2017. Voorts staat onweersproken vast dat hij op 3 november 2017 met BPL over de vereffening van Pensioenfonds Heinz heeft gesproken, dat [voorzitter] dat gesprek als ‘bijzonder prikkelend’ heeft ervaren en dat [voorzitter] ten tijde van het gesprek met de verkiezingscommissie bezig was met de beantwoording van schriftelijke, kritische vragen die door de advocaat van BPL hierover op 7 december 2017 waren gesteld. Verder staat vast dat [voorzitter] eerder (in de pers) had gezegd dat BPL zich bezig hield met sjoemelpensioenen. Dat [voorzitter] daardoor (extra) gespannen aan het gesprek van 15 december begon en dat die spanning bij de leden van de verkiezingscommissie merkbaar was of kon zijn is dan ook voorstelbaar en wordt door partijen niet betwist. Ook aan de zijde van BPL was sprake van spanning. Tegen die achtergrond kon op basis van het gesprek van 15 december 2017 niet geconcludeerd worden dat [voorzitter] niet over de in het functieprofiel omschreven eigenschappen zou beschikken om als bestuurder van BPL te functioneren. Het hof betrekt daarbij dat uit het rapport van SPO zonder meer blijkt dat hij daartoe juist wel in staat was en dat ten aanzien van zijn integriteit geen punten van twijfel zijn. Dat de verkiezingscommissie die informatie niet heeft willen afwachten, maar nog in het weekend na het gesprek haar besluit heeft genomen, is in het licht van het voorgaande onvoldoende zorgvuldig. Anders dan BPL ( [X] ) heeft verklaard is het niet zo dat de resultaten van die onderzoeken enkel als bevestiging van een reeds op grond van het gesprek getrokken conclusie kunnen worden beschouwd.

3.11.

SPO heeft in opdracht van de verkiezingscommissie van BPL een kennistoets afgenomen en een competentieprofiel opgesteld. Verder heeft een organisatiepsycholoog van SPO een gesprek met [voorzitter] gehouden. Dit heeft op 21 december 2017 plaatsgevonden. BPL verwijt [voorzitter] dat hij onvoldoende openheid heeft betracht ten aanzien van de rapportages van SPO terwijl dit blijkens het profiel een onderdeel van de procedure is. Dit ziet op de beslissing van [voorzitter] om geen toestemming te geven om de vragenlijst met de antwoorden van [voorzitter] (basisrapport/NEO-rapportage) in zijn geheel aan BPL te zenden maar dit te beperken (tot een rapport van vier pagina’s). De reden hiervoor is dat hij de scores (in detailniveau) en de gebruikte tijd voor beantwoording erg persoonlijk vindt (e-mail [voorzitter] 23 december 2017, productie 21 MLP).

Het hof kan het verwijt van BPL in die zin niet plaatsen dat het primaire en later bevestigde besluit van de verkiezingscommissie is genomen op zondag 17 december 2017 en (daarom) enkel was gebaseerd op het gesprek op vrijdag 15 december 2017 (en de daarbij voorhanden informatie) maar niet op rapportages van SPO. Bij de beslissing op het bezwaar waren deze rapportages wel beschikbaar. Daarvoor geldt dat in bedoelde weigering van [voorzitter] geen argument voor (de juistheid van) het besluit kan worden gezien omdat [voorzitter] voor die weigering valide argumenten heeft aangevoerd. Tevens is van belang dat SPO in haar mail van 17 april 2018 (productie 26 MLP) heeft verklaard dat een NIP psycholoog de onbewerkte inputgegevens heeft verwerkt en daar conclusies aan heeft verbonden in een rapport en dat deze rapportage wat SPO betreft afdoende is om de vraagstelling te beantwoorden en dat er met het ontvangen van alleen dit rapport geen relevantie informatie ontbreekt.

3.12.

Bij haar beslissing om [voorzitter] niet op de kandidatenlijst te plaatsen heeft BPL betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de Raad van Toezicht van BPL negatief heeft geadviseerd. Dit kan echter geen voor het besluit dragend argument zijn omdat het aan (de verkiezingscommissie van) BPL is om een besluit over de verkiezingslijst te nemen en haar besluit om [voorzitter] niet op die lijst te plaatsen onderwerp van dit kort geding is. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat bedoeld besluit ter goedkeuring aan de Raad van Toezicht moet worden voorgelegd. Ook afgezien daarvan weegt het negatieve oordeel niet op tegen de in het voorgaande besproken feiten en omstandigheden, die aannemelijk doen zijn dat het besluit van BPL om [voorzitter] niet op de kandidatenlijst te plaatsen onzorgvuldig is geweest.

3.13.

De slotsom is dat voldoende aannemelijk is dat het besluit om [voorzitter] niet op de verkiezingslijst te plaatsen op zodanig onvolledige en onjuiste argumenten is gebaseerd dat dit, in de omstandigheden van het onderhavige geval en gelet op alle betrokken belangen, als onrechtmatig jegens MLP moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat MLP in de gelegenheid is gesteld een andere kandidaat voor te dragen, doet daaraan niet af. MLP heeft een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde, toegewezen voorzieningen. Dit betekent dat de bezwaren van BPL tegen het vonnis van de voorzieningenrechter niet opgaan.

Incidenteel appel

3.14.

Grieven 1 en 2 zien op de door de voorzieningenrechter genoemde ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot het voldoen van een kandidaat aan het functieprofiel en de in het vonnis genoemde norm dat voldoende aannemelijk moet zijn dat het bestuur op onterechte gronden heeft besloten de kandidatuur van [voorzitter] af te wijzen (omdat dit zou impliceren dat de stelplicht en aannemelijkheidslast bij MLP ligt). Deze grieven behoeven geen bespreking omdat de grieven in het principaal geen doel treffen.

3.15.

Grief 3 strekt tot veroordeling van BPL tot het maken van een gedetailleerd plan van aanpak voor verkiezingen en benoeming. Deze voorziening wordt niet gegeven wegens het ontbreken van belang daarbij. Ter zitting is namelijk voldoende gebleken dat BPL de organisatie van de verkiezingen ter hand heeft genomen en daarbij uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter. De stemmen konden tot 6 juli 2018 worden uitgebracht. Daarvan uitgaande zijn de verkiezingen inmiddels gehouden en gegeven de bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter geldt dat de uitslag van de verkiezingen (ook betreffende [voorzitter] ) bekend gemaakt zal worden en dat een voordracht tot benoeming gedaan (artikel 9 van het verkiezingsreglement van BPL) zal worden.

4 De slotsom

4.1.

Zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep faalt, zodat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

4.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof BPL in het principaal appel in de kosten van het hoger beroep veroordelen. MLP wordt in de proceskosten van het incidenteel appel veroordeeld.

4.3.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van MLP worden begroot op € 727 aan voor griffierecht en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten x tarief). Er is geen grond om van genoemd liquidatietarief af te wijken.

4.4.

De kosten voor de procedure in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van MLP worden begroot op € 537 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (half punt x tarief).

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (Utrecht) van 30 maart 2018;

veroordeelt BPL in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van MLP vastgesteld op € 726 aan verschotten en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt MLP in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van BPL vastgesteld op € 537 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, M.B. Beekhoven van den Boezem en M.H.F. van Vugt en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.