Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8333

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
200.138.838
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:885, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Ontvanger van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi tegen Appelant en Appelante

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.838

(zaaknummer rechtbank 323182)

arrest van 18 september 2018

in de zaak van

de Ontvanger van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi,

gevestigd te Amersfoort,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: de Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam,

tegen:

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie,

geïntimeerde,

hierna: [appellant] ,

niet verschenen,

en

2. [appellante],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. H. Braak te Veenendaal.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 augustus 2017 hier over.

1.2

In het tussenarrest is een meervoudige comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 2 juli 2018. Verschenen zijn mrs. E.E. Schipper en J.A. Voerman, advocaten te Amsterdam, namens de Ontvanger en [appellante] , bijgestaan door mrs. H. Braak en W.R. Beukhof, advocaten te Veenendaal.

1.3

Na afloop van de comparitie heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.8. van het bestreden vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 6 november 2013, behoudens het door de rechtbank onder 2.2. tweede volzin vastgestelde feit dat [appellant] eigenaar is van een buiten de gemeenschap vallende onroerende zaak aan de [adres] in Boekarest, nu door de Ontvanger in hoger beroep daartegen een grief is opgeworpen.

Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:

2.2

[appellant] en [appellante] hebben beiden de Roemeense nationaliteit. Op 25 oktober 2013 heeft [appellant] de Nederlandse nationaliteit verkregen. [appellante] bezit sinds 1978 de Nederlandse nationaliteit.

2.3

Door [appellante] is op 7 april 2015 een echtscheidingsprocedure bij de Roemeense rechtbank in Boekarest aanhangig gemaakt. De Roemeense rechter heeft de echtscheiding uitgesproken. [appellant] is tegen de uitspraak in beroep gegaan.

2.4

De echtscheiding tussen [appellante] en [appellant] is (inmiddels) een feit en ook ingeschreven in de desbetreffende registers in Roemenië en Nederland (Den Haag).

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De Ontvanger heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat – gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. voor recht te verklaren dat hij zijn vordering op [appellant] mag verhalen op de goederen van de huwelijksgemeenschap van [appellant] en [appellante] , waaronder de in [woonplaats] gelegen onroerende zaken;

II. [appellant] en [appellante] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding;

subsidiair:

I. [appellant] en [appellante] te veroordelen tot verdeling van (goederen van) hun

huwelijksgemeenschap, voor zover nodig voor het verhaal van zijn vordering op [appellant] ;

ll. een notaris te benoemen, ten overstaan van wie - tenzij partijen alsnog overeenstemming bereiken omtrent de keuze van de notaris - de werkzaamheden der verdeling zullen plaatsvinden;

III. voor zowel [appellant] als [appellante] , voor zover zij onwillig zijn, een onzijdige persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW te benoemen om hen te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de gemeenschap;

IV. te bepalen dat de notaris en de onzijdige persoon/personen hun kosten ten laste kunnen brengen van de gemeenschap;

V. [appellant] en [appellante] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de kosten van het op 2 maart 2012 ten laste van [appellant] en [appellante] gelegde conservatoir deelgenotenbeslag.

Ter comparitie bij de rechtbank heeft de Ontvanger, zonder bezwaar van [appellante] , zijn eis gewijzigd, in die zin dat die als volgt is uitgebreid:

meer subsidiair:

I. [appellant] en [appellante] te veroordelen tot verdeling van (goederen van) hun huwelijksgemeenschap, voor zover nodig voor het verhaal van zijn vordering op [appellant] ;

II. de wijze van verdeling te gelasten dan wel de verdeling vast te stellen;

III. [appellant] en [appellante] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder

begrepen de kosten van het op 2 maart 2012 ten laste van [appellant] en [appellante] gelegde conservatoir deelgenotenbeslag.

3.2

[appellante] heeft in eerste aanleg in reconventie de opheffing gevorderd van het executoriale beslag en/althans van het deelgenotenbeslag, althans de veroordeling van de Ontvanger tot opheffing van het executoriale beslag en/althans van het deelgenotenbeslag, in alle geval met veroordeling van de Ontvanger om te bewerkstelligen dat de inschrijving van het executoriale beslag en/althans van het deelgenotenbeslag in de registers wordt doorgehaald binnen vijf werkdagen na het te wijzen vonnis, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.

3.3

De rechtbank heeft bij bestreden vonnis van 6 november 2013 de vorderingen in conventie afgewezen, de Ontvanger in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van [appellant] tot op heden (6 november 2013) begroot op nihil en aan de zijde van [appellante] tot op heden (6 november 2013) op € 1.171,-. Voorts heeft de rechtbank in reconventie het op 2 maart 2012 door de Ontvanger gelegde deelgenotenbeslag opgeheven, de Ontvanger veroordeeld tot het bewerkstelligen van de doorhaling van dit beslag in de registers binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis en de ontvanger veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [appellante] tot op heden (6 november 2013) begroot op nihil.

4 Het geding in hoger beroep

4.1

Bij exploten van 13 november 2013 heeft de Ontvanger aan respectievelijk [appellant] en

[appellante] aangezegd in hoger beroep te komen van het hiervoor genoemde vonnis van 6

november 2013 met gelijktijdige dagvaarding van [appellant] en [appellante] voor dit hof.

4.2

Bij memorie van grieven van 23 juni 2015 heeft de Ontvanger twaalf grieven (grieven I. tot en met XII.) aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende:

in het geding in conventie:

primair:

i. voor recht te verklaren dat de Ontvanger zijn onder 1.1 van de dagvaarding in eerste aanleg genoemde vordering op [appellant] van in totaal € 524.220,- te vermeerderen met invorderingsrente en vervolgingskosten, mag verhalen op de goederen van de huwelijksgemeenschap van [appellant] en [appellante] , waaronder de onder 1.12 van de dagvaarding in eerste aanleg genoemde onroerende zaken;

ii. [appellant] en [appellante] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in beide instanties;

subsidiair:

i. [appellant] en [appellante] te veroordelen tot verdeling van (goederen van) hun huwelijksgemeenschap, voor zover nodig voor het verhaal van de onder 1.1 van de dagvaarding in eerste aanleg genoemde vordering van de Ontvanger op [appellant] van in totaal € 524.220,-, te vermeerderen met invorderingsrente en vervolgingskosten;

ii. een notaris te benoemen, te overstaan van wie – tenzij partijen alsnog overeenstemming bereiken omtrent de keuze van de notaris – de werkzaamheden der vertaling zullen plaatsvinden;

iii. voor elk van [appellant] en [appellante] , voor zover zij onwillig zijn, een onzijdige persoon, als bedoeld in artikel 3:181 BW, te benoemen om hen te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de gemeenschap;

iv. te bepalen dat de notaris en de onzijdige persoon/personen hun kosten ten laste kunnen brengen van de gemeenschap;

v. [appellant] en [appellante] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, waaronder begrepen de kosten van het op 2 maart 2012 ten laste van [appellant] en [appellante] gelegde conservatoir deelgenotenbeslag;

meer subsidiair:

i. [appellant] en [appellante] te veroordelen tot verdeling van (goederen van) hun huwelijksgemeenschap, voor zover nodig voor het verhaal van de onder 1.1 van de dagvaarding in eerste aanleg genoemde vordering van de Ontvanger op [appellant] van in totaal € 524.220,-, te vermeerderen met invorderingsrente en vervolgingskosten;

ii. de wijze van verdeling te gelasten dan wel de verdeling vast te stellen;

iii. [appellant] en [appellante] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, waaronder begrepen de kosten van het op 2 maart 2012 ten laste van [appellant] en [appellante] gelegde conservatoir deelgenotenbeslag;

alsmede

in het geding in reconventie:

de vordering van [appellante] alsnog integraal af te wijzen en [appellante] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

4.3

[appellante] heeft bij memorie van antwoord van 29 november 2016 verweer gevoerd, met conclusie dat het hof de grieven zal verwerpen en het bestreden vonnis, zowel in conventie als in reconventie gewezen, zal bekrachtigen, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten.

4.4

[appellant] is in hoger beroep niet verschenen. Aan hem is verstek verleend.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellant] en [appellante] hebben in Nederland woonplaats, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

5.2

De zaak betreft, kort weergegeven, het volgende. Aan [appellant] zijn tien (navorderings)aanslagen over de jaren 1994 tot en met 1999 opgelegd. Het gaat om een totaalbedrag van € 524.220,-, ter comparitie bij het hof is de totale vordering per heden berekend op een bedrag tussen de € 700.00,- en € 800.000,- aan openstaande belastingaanslagen, te vermeerderen met invorderingsrente en vervolgingskosten. De aanslagen hebben vanaf de uitspraak van de Hoge Raad op 12 maart 2010 formele rechtskracht. Tot op heden heeft [appellant] niet betaald. De Ontvanger zoekt verhaal op (in Nederland aanwezige goederen van) de huwelijksgemeenschap van [appellant] en [appellante] , die in 1990 te Boekarest naar Roemeens recht met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Ingevolge Roemeens recht dienen schuldeisers van één der echtelieden zich primair te verhalen op de privéeigendommen van deze echtgenoot. Indien dit niet toereikend is, kan de schuldeiser verdeling van de gemeenschap vorderen. [appellant] en [appellante] stellen dat de Ontvanger daarom zich eerst moeten richten op verhaal op het appartement in Roemenië van [appellant] , dat in hun stelling alleen in eigendom is van [appellant] .

5.3

De grieven I tot en met VI zien op het primaire gevorderde. Grief VII op de subsidiaire vordering en de grieven VIII en IX op het meer subsidiair gevorderde. Aan grief X wordt geen zelfstandige betekenis toegekend en behoeft derhalve geen bespreking. Grief XI ziet op de vaststelling van feiten. Met grief XII legt de Ontvanger het geschil in volle omvang aan het hof voor en komt hij tevens op tegen de toewijzing van de reconventionele vordering en de proceskostenveroordeling in conventie en in reconventie.

5.4

Vooreerst overweegt het hof dat voor zover [appellante] betoogt dat het gewijzigde standpunt van de Ontvanger moet worden beschouwd als het terugkomen op een gerechtelijke erkentenis ex artikel 154 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), het hof dat betoog passeert. Het staat een partij in beginsel vrij om in hoger beroep eventuele onjuistheden of onduidelijkheden uit haar stellingen in eerste aanleg te herstellen. Van een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 lid 1 Rv is naar het oordeel van het hof geen sprake.

primaire vordering

5.5

Primair vordert de Ontvanger een verklaring voor recht dat hij zijn vordering op [appellant] van in totaal € 524.220,-, te vermeerderen met invorderingsrente en vervolgingskosten, mag verhalen op de goederen van de huwelijksgemeenschap van [appellant] en [appellante] (de onroerende zaak, kadastraal omschreven “wonen erf – tuin”, gelegen aan de [adres] [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Veenendaal, sectie B, nummer 5388, grootte 12 a en 24 ca, en de onroerende zaak, kadastraal omschreven “wonen met bedrijvigheid erf – tuin”, gelegen aan de [adres] [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Veenendaal, sectie B, nummer 5356, grootte 32 a en 33 ca.).

5.6

Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het (materieel) toepasselijk recht, in casu het Roemeense recht. Nu geen van partijen tegen dit oordeel is opgekomen, is de appelrechter gebonden aan het oordeel van de rechter in eerste instantie, tenzij een regel van openbare orde is geschonden (HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:394, conclusie P-G van 11 december 2015 en HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1525, conclusie P-G van 10 april 2015).

5.7

De meest verstrekkende beroepsgrond van de Ontvanger is zijn stelling dat de rechtbank zijn beroep op de Nederlandse openbare orde niet heeft aanvaard, in casu de openbare-orde-exceptie ex artikel 10:6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het hof zal dan ook eerst de grieven IV, V en VI bespreken die op die stelling zien, omdat bij een aanvaarding van die stelling het Roemeense recht in zoverre opzij wordt gezet dat naar Nederlands recht de gezamenlijke goederen van [appellante] en [appellant] tot verhaal van de belastingschuld van [appellant] uitgewonnen kunnen worden.

5.8

Naar de mening van de Ontvanger heeft de rechtbank ten onrechte het beroep van de Ontvanger op de Nederlandse openbare orde niet aanvaard en geoordeeld dat de Nederlandse en de Roemeense rechtsstelsels niet zodanig van elkaar verschillen dat de toepassing van Roemeens recht in het concrete geval onverenigbaar is met de openbare orde. Daarbij heeft de rechtbank evenzeer ten onrechte doorslaggevend geacht de omstandigheid dat het Roemeense recht een voorziening kent voor de situatie dat uitwinning van de privé-goederen niet toereikend is voor voldoening van de schuld (IV). Voorts is door de rechtbank ten onrechte geen (overwegende) betekenis toegekend aan artikel 1:96 BW bij de beslissing van het beroep van de Ontvanger op de openbare-orde-exceptie (V) en is de primaire vordering niet reeds toegewezen op basis van het uitgangspunt dat de Nederlandse openbare orde zich in de concrete omstandigheden van het geval er tegen verzet dat de Ontvanger op basis van het toepasselijke Roemeens huwelijksgoederenrecht zich eerst buiten Nederland op persoonlijke goederen van [appellant] dient te verhalen voor Nederlandse belastingschulden (VI).

5.9

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concludeert tot verwerping van het beroep van de Ontvanger op de openbare-orde-exceptie en de daartoe geformuleerde grieven onder IV, V en VI.

5.10

Het hof overweegt als volgt. De toepassing van de Nederlandse regels van internationaal privaatrecht kan inhouden dat de Nederlandse rechter gehouden is het recht van een ander land toe te passen of te erkennen. De toepassing van buitenlands recht in Nederland en de erkenning van in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtsverhoudingen vinden echter altijd hun grens in de Nederlandse openbare orde. Dit betekent dat aan de bereidheid om onder omstandigheden buitenlands recht toe te passen een einde komt waar het buitenlandse recht in strijd komt met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde. Dit heeft tot gevolg dat een vreemd voorschrift dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde door de Nederlandse rechter buiten toepassing wordt gelaten. Artikel 10:6 BW beoogt geen gehele terzijdestelling van het buitenlandse recht, maar beoogt alleen die onderdelen van het buitenlandse recht terzijde te stellen die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde. De inbreuk op de toepasselijkheid van het buitenlandse recht dient zo beperkt mogelijk te worden gehouden.

5.11

Uitgangspunt is dat de grote verscheidenheid aan waarden en normen in de verschillende rechtsstelsels, zoveel mogelijk, dient te worden gerespecteerd. Dit uitgangspunt leidt er toe, dat de openbare orde-exceptie slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden ingezet tegen toepasselijk buitenlands recht. Dit ultimum remedium-karakter van de openbare orde wordt in artikel 10:6 BW tot uitdrukking gebracht door de woorden ‘kennelijk onverenigbaar’. Aansluiting is aldus gezocht bij de in een aantal internationale regelingen van onder meer de Haagse Conferentie voor IPR en de Europese Unie gehanteerde formuleringen, ‘kennelijk onverenigbaar’ of ‘klaarblijkelijk onverenigbaar’ (‘manifestement contraire à l’ordre public’ en ‘manifestly contrary to public policy’). Het bijwoord ‘kennelijk’ is een waarschuwing dat een beroep op de openbare orde-exceptie niet lichtvaardig mag slagen. Dit uitzonderingskarakter van de openbare orde leidt er in de eerste plaats toe, dat ook wanneer het als toepasselijk aangewezen buitenlandse rechtsstelsel in aanmerkelijke mate van het eigen recht afwijkt, dit nog niet voldoende grond is om een beroep op de openbare orde te doen slagen. De openbare orde-exceptie moet gereserveerd blijven voor sprekende gevallen waarin het buitenlandse recht op essentiële punten ingrijpend afwijkt van het Nederlandse.

5.12

Het openbare orde leerstuk in het internationaal privaatrecht kent twee maatstaven (zie L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 8e druk, Deventer: Kluwer 2005, p. 57 e.v.). De eerste en zwaarste maatstaf die moet worden aangelegd is het buitengrenscriterium. Bij deze maatstaf wordt het buitenlandse recht enkel en alleen op grond van zijn inhoud buiten toepassing gelaten ongeacht de mate van verbondenheid van de zaak met Nederland. Het uit de rechtspraak afgeleide criterium is of de buitenlandse wetgever de grenzen ‘‘wat naar Nederlandsche opvattingen voor een wetgever behoorlijk en geoorloofd is’’ (HR 13 maart 1936, NJ 1936, 281) overschreden heeft, of het buitenlandse recht naar haar inhoud onaanvaardbaar is. De tweede maatstaf, het zogenoemde binnengrenscriterium, heeft een relatief karakter. De verbondenheid van het internationale geval doet bij de toepassing van dit criterium wel ter zake. Hoe sterker het geval met Nederland is verbonden, hoe groter de afweerkracht van de openbare orde. Bij deze tweede maatstaf gaat het niet alleen om de inhoud, maar ook en vooral om de gevolgen van toepassing van het buitenlandse recht. Toepassing van vreemd recht dat naar zijn inhoud niet absoluut onaanvaardbaar is, blijft niettemin achterwege wanneer de toepassing ‘‘zou leiden tot een gevolg, dat naar Nederlandsche opvattingen niet mag worden geduld’’ (HR 13 maart 1936, NJ 1936, 280). De vaststelling dat de zaak in vrij grote mate met Nederland verbonden is, betekent dat de afweerkracht van de Nederlandse openbare orde sterker wordt (A.E. Oderkerk, universitair docente internationaal privaatrecht (JPF 2006/71, Gerechtshof Amsterdam, 09-02-2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AV2119, 956/05 (annotatie)).

5.13

Van overschrijding van wat naar Nederlandse opvattingen voor een wetgever behoorlijk of geoorloofd is, of van het onaanvaardbaar zijn van de inhoud van het Roemeense recht is geen sprake. Anders gezegd: het Roemeense recht is naar haar inhoud niet onaanvaardbaar, zodat aan het buitengrenscriterium niet wordt voldaan. Dat is overigens tussen de Ontvanger en [appellante] ook niet in geschil.

Dat is anders voor wat betreft het binnengrenscriterium. De Ontvanger heeft als toelichting op zijn grieven gesteld dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op de daadwerkelijke omstandigheden van het geval. Onverkorte toepassing van het Roemeense recht zou de Ontvanger dwingen eerst in het buitenland verhaal te zoeken op eventuele privégoederen van [appellant] om pas daarna, indien dat verhaal niet (volledig) slaagt, verdeling van de gemeenschap te kunnen vorderen en verhaal te zoeken op het ‘Nederlandse vermogen’. Gelet op de aard van de schuld is een dergelijke uitkomst onaanvaardbaar en strijdig met het binnengrenscriterium van de Nederlandse openbare orde. [appellante] heeft dat gemotiveerd betwist.

5.14

Het hof overweegt daartoe als volgt. [appellant] en [appellante] – die beiden naast de Roemeense tevens de Nederlandse nationaliteit bezitten – hebben zich in 1993 in Nederland gevestigd. Zij wonen en werken sinds die tijd onafgebroken in Nederland, oefenen hun werkzaamheden uit binnen hun in Nederland gevestigde onderneming(en) en hun (stief)kinderen zijn in Nederland opgegroeid, alwaar zij schoolgaand waren en waar thans de gezamenlijke zoon (in Nijmegen) studeert. [appellant] en [appellante] hebben in [woonplaats] twee panden gezamenlijk in eigendom. De tenaamstelling van de panden is op beider naam. Ook beschikken zij over Nederlandse bankrekeningen en creditcards. Vanaf 9 november 1993 tot 2 januari 1996 was [appellante] directeur/enig aandeelhouder van [bedrijf] . [appellant] is met ingang van 2 januari 1996 als directeur bij [bedrijf] in dienst getreden. De belastingschulden van [appellant] zijn ten tijde van de huwelijkse samenleving van partijen opgekomen. Kortom, samen bezitten [appellant] en [appellante] verschillende vermogensbestanddelen in Nederland, zijn zij al jaren in Nederland belastingplichtig, is tussen hen sedert hun huwelijksvoltrekking in 1990 sprake van een financiële verweven- en verbondenheid en hebben zij gedurende de jaren waarover de belasting wordt gevorderd een gezin gevormd. Het enige (mogelijk) aanwezige vermogensbestanddeel in Roemenië vertegenwoordigt een onbekende waarde, waarvan gesteld wordt dat dit om en nabij

€ 50.000,- zou bedragen.

5.15

Dat ten laste van binnenlands belastingplichtige(n), die om en nabij vijfentwintig jaar in Nederland woonachtig zijn, hun (stief)kinderen in Nederland (hebben) laten opgroeien en studeren, (het overgrote deel van) hun in Nederland bevindende vermogensbestanddelen hebben verworven met arbeid verricht in Nederland, met (een) onderneming(en) die in Nederland is/zijn gevestigd, op grond van Roemeens huwelijksvermogensrecht door de Ontvanger niet tot rechtstreeks verhaal en uitwinning van hun gemeenschappelijke goederen kan worden overgegaan, zou naar het oordeel van het hof leiden tot een gevolg, dat naar Nederlandse opvattingen niet mag worden geduld. Het hof komt tot dat oordeel op grond van de hiervoor in rov. 5.14 omschreven feiten en omstandigheden, die maken dat geconcludeerd moet worden dat sprake is van een grote mate van verbondenheid met Nederland en de opvatting dat de ten tijde van de fiscale verplichting (de opgelegde (navorderings)aanslagen over de jaren 1994 tot en met 1999, die formele rechtskracht hebben gekregen met het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2010) [appellant] en [appellante] fiscaal zodanig met elkaar verbonden waren/zijn dat zij tezamen maatschappelijk en economisch gezien in wezen een eenheid vorm(d)en en dat die materiële verbondenheid ook op het punt van verrekening van te innen en terug te geven belastingbedragen en dergelijke dient te prevaleren boven het feit dat het formeel gaat om van elkaar te onderscheiden rechtssubjecten. Indien toepassing van het Roemeense recht de Ontvanger mogelijk zou verplichten eerst in Roemenië verhaal te zoeken op privégoederen van [appellant] , in casu het appartement waarvan de waarde de vordering van de Ontvanger slechts voor een zéér gering gedeelte dekt, vervolgens verdeling te vorderen en verhaal zoeken op het Nederlandse vermogen, dan is dat naar het oordeel van het hof onverenigbaar met het zwaarwegend maatschappelijk belang en de verplichting die op de Ontvanger rust om (actief) tot verhaal van openstaande belastingschulden over te gaan. Daarbij weegt ook mee dat de Ontvanger stelt (in 1.5 van de memorie van grieven) dat van de Roemeense belastingautoriteiten is vernomen dat [appellant] in Roemenië in het geheel geen onroerend goed op zijn naam (meer) heeft staan. Vorenstaande noopt het hof tot het oordeel dat de toepassing van Roemeens recht, dat naar zijn inhoud – zoals reeds hiervoor is overwogen – niet absoluut onaanvaardbaar is, in het onderhavige geval achterwege dient te blijven, nu de toepassing daarvan naar Nederlandse opvattingen niet kan en mag worden geduld. De aanvaarding van de openbare-orde-exceptie betekent dat naar Nederlands recht voor verhaal van de belastingschuld van [appellant] (tevens) de goederen van de gemeenschap kunnen worden uitgewonnen.

5.16

Met inachtneming van het hiervoor overwogene zal het hof de primaire vordering van de Ontvanger toewijzen. Het verweer van [appellante] dat de aard van de vordering geen preferentie teweeg brengt, die er toe strekt dat een wettelijk, in casu de Roemeense wetgeving, geregelde volgorde inzake het verhaal op vermogensbestanddelen moet worden doorbroken, als ook dat de door de Ontvanger gesuggereerde en beoogde buitenwettelijke preferentie een novum is, kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. De grieven IV, V en VI slagen.Verwijzingen

5.17

Nu de vierde, vijfde en zesde grief terecht zijn voorgedragen, behoeven de overige grieven die op de primaire vordering zien (de grieven I, II, III) en op de subsidiaire- en meer subsidiaire vordering(en) (de grieven VII, VIII en IX), als ook grief XI bij gebrek aan belang, geen bespreking meer. Wel dient het hof in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep ambtshalve acht te slaan op eventuele in eerste aanleg door [appellante] aan de orde gestelde, maar buiten behandeling gebleven stellingen en weren, voor zover (hiervoor) niet reeds opzij gezet door de aanvaarding van de openbare-orde-exceptie. In eerste aanleg stelt [appellante] ter zake het primair gevorderde dat de Ontvanger de werking van artikel 10:44 BW miskent. Het hof verwerpt ook dit beroep. Genoemde regel geldt uitsluitend voor huwelijken gesloten op of na 1 september 1992. Ten aanzien van eerdere huwelijken gelden de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1905 dan wel het commune internationaal huwelijksvermogensrecht. Voor zover [appellante] een beroep doet op laatstgenoemd Verdrag, kan ook dat beroep niet slagen, nu ook hier geldt dat door aanvaarding van de openbare-orde-exceptie de regels van vreemd recht in onderhavig concrete geval opzij zijn gezet.

5.18

In hoger beroep doet [appellante] een beroep ex artikel 6:101 BW en voert daartoe aan dat er aanleiding is om rekening te houden met de lange duur van het verzoek tot verhaal van de Ontvanger, specifiek met betrekking tot de oplopende kosten aan invorderingsrente en

-kosten. Voorts meent [appellante] dat de Ontvanger zich jegens haar onrechtmatig heeft gedragen door niet tijdig verhaal te zoeken op vermogensbestanddelen van [appellant] of andere maatregelen jegens hem te treffen, hetgeen ‘eigen schuld’ oplevert. Door de Ontvanger is gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof overweegt als volgt. Niet is gebleken dat de Ontvanger onvoldoende of niet tijdig actie heeft ondernomen en ook niet dat de kosten onnodig zijn opgelopen. Per 1 januari 2007 is Roemenië toegetreden als lid van de Europese Unie. De Ontvanger heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eerst na de uitspraak van de Hoge Raad op 12 maart 2010 de vordering is komen vast te staan en dat het trachten van verhaal in Roemenië pas vanaf dat moment mogelijk was. Dat, zoals [appellante] stelt, sprake is van verzuim en onwil en nalaten van de Ontvanger om eerst verhaal te zoeken op privégoederen van [appellant] is niet gebleken. Blijkens de onderliggende stukken is de ontvanger tijdig tot actie overgegaan en is hij sedert de vordering vaststaat actief doende gebleven om tot inning van de belastingschulden te komen.

[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onrechtmatig handelen jegens haar. Haar beroep op die grond faalt dan ook.

reconventionele vordering en proceskosten (grief XII)

5.19

In zijn twaalfde grief (XII) komt de Ontvanger op tegen de toewijzing door de rechtbank van de reconventionele vordering. De Ontvanger stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn conventionele vorderingen heeft afgewezen, de reconventionele vordering heeft toegewezen en de Ontvanger zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten heeft veroordeeld.

5.20

Het hof overweegt als volgt. Als hoofdregel geldt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten zal worden veroordeeld. Omdat de primaire vordering in conventie van de Ontvanger wordt toegewezen, zal het hof gelijktijdig de reconventionele vordering van [appellante] in eerste aanleg alsnog afwijzen. Uit het voorgaande volgt immers dat ten onrechte is beslist dat het door de Ontvanger gelegde deelgenotenbeslag dient te worden opgeheven. Het hof zal [appellante] en [appellant] in de proceskosten in beide instanties veroordelen. Ook grief XII slaagt.

6 De slotsom

6.1

De grieven IV, V, VI en XII slagen. De overige grieven behoeven geen nadere bespreking. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, met beslissing als na te melden.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partijen zal het hof [appellante] en [appellant] als volgt in de kosten van beide instanties veroordelen.

6.3

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op € 688,- aan verschotten (€ 30,- voor dagvaarding, € 83,- voor conservatoir deelgenotenbeslag en € 575,- voor griffierecht) en op € 5.160,- (2 punt x tarief VII) voor salaris advocaat. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op € 713,- aan verschotten (€ 30,- voor dagvaarding en € 683,- voor griffierecht) en op € 9.356,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punt x tarief VII).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie, en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat de Ontvanger zijn vordering op [appellant] van in totaal € 524.220,-, te vermeerderen met invorderingsrente en vervolgingskosten, mag verhalen op de goederen van de huwelijksgemeenschap van [appellant] en [appellante] , waaronder de onroerende zaak, kadastraal omschreven “wonen erf – tuin”, gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente Veenendaal, sectie B, nummer 5388, grootte 12 a en 24 ca, en de onroerende zaak, kadastraal omschreven “wonen met bedrijvigheid erf – tuin”, gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente Veenendaal, sectie B, nummer 5356, grootte 32 a en 33 ca.;

veroordeelt [appellant] en [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg en die in hoger beroep en begroot die in eerste aanleg op € 688,00 aan verschotten en € 5.160,00 aan te liquideren kosten van de advocaat en in hoger beroep op € 713,00 aan verschotten en op

€ 9.356,00 aan te liquideren kosten van de advocaat.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, T. ter Brugge en G.J. Rijken en is in tegenwoordigheid van G.J. Heuvelink, de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.