Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8318

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
200.213.653/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gestelde opdracht voor verrichten van administratiewerkzaamheden bewezen en factuur daarom toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.653/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4742132 / CV EXPL 16-341)

arrest van 18 september 2018

in de zaak van

1 De commanditaire vennootschap Debetsaldo & Creditsaldo C.V.,

hierna te noemen: DsCs,

gevestigd te Hoogeveen, en haar beherend vennoot:

2. Stichting Administratiebelangen,

hierna te noemen: de Stichting,

gevestigd te Hoogeveen,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eiseressen in reconventie,

advocaat: mr. H.H. Gerdes, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] h.o.d.n. Administratiekantoor De Pinksterbloem,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.A. van Weelderen, kantoorhoudend te Deventer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot 15 mei 2018 verwijst het hof naar het arrest dat op die datum is gewezen. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 28 augustus 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij zijn van de zijde van [geïntimeerde] twee producties in het geding gebracht en spreeknotities overgelegd.

1.2

Partijen hebben arrest gevraagd op het voorafgaand aan de zitting toegezonden procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie, met aangehechte spreeknotities en genoemde producties.

2 De vaststaande feiten

2.1

In rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.4) van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter een aantal in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat geen geschil. Daarmee zal ook het hof uitgaan van die feiten. Het volgende staat vast.

2.2

Op 21 september 2015 heeft [B] namens "Debetsaldo & Creditsaldo

Administratiekantoor" een opdrachtbevestiging ondertekend. Daarin staat vermeld:

"Deze overeenkomst betreft een algemene opdrachtbevestiging voor door

Administratiekantoor De Pinksterbloem te verrichten werkzaamheden

De werkzaamheden bestaan uit:

- op oproepbasis te verrichten boekhoudkundige werkzaamheden bij verschillende cliënten

van Debetsaldo & Creditsaldo Administratiekantoor."

Als honorarium staat vermeld:

"Administratiekantoor De Pinksterbloem verricht de overeengekomen werkzaamheden tegen

een uurtarief van € 30,00 exclusief btw.

Reiskosten in verband met bestemmingen buiten Apeldoorn worden voor € 0,19 per

kilometer in rekening gebracht."

In de opdrachtbevestiging wordt verder bepaald dat de "Algemene voorwaarden Administratiekantoor De Pinksterbloem" van toepassing zijn.

2.3

[geïntimeerde] heeft diverse (accountants)werkzaamheden verricht. Een en ander zoals

omschreven in de door [geïntimeerde] aan DsCs gezonden facturen:

• factuur d.d. 9 september 2015 € 1.045 86

• factuur d.d. 21 september 2015 € 2.147,90

• factuur d.d. 5 oktober 2015 € 1.584,98

• factuur d.d. 19 oktober 2015 € 1.441.85

• factuur d.d. 9 september 2015 voldaan € 1.045.86 minus

resteert totaal € 5.174,73.

2.4

DsCs heeft de openstaande facturen niet betaald. Bij brieven van 3 november 2015

en 12 november 2015 is DsCs door [geïntimeerde] aangemaand om tot betaling van het

bedrag van € 5.174,73 over te gaan. In de laatste aanmaning is daarbij tevens aanspraak gemaakt op wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen ad € 29,57, dus in totaal € 5.204.30. Bij brief van 19 november 2015 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] DsCs aangemaand om tot betaling van de openstaande facturen over te gaan. Daarbij is tevens aanspraak gemaakt op incassokosten ad € 633.74 en de rente vanaf de vervaldata van de facturen ad € 37,57. Dus in totaal € 5.846,04.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft DsCs en de Stichting gedagvaard en gevorderd, samengevat, dat de rechtbank hen hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 5.899,68 (het onder 2.3 genoemde bedrag van € 5.174,73 vermeerderd met vervallen rente en kosten), te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 6 januari 2016 en met veroordeling van DsCs en de Stichting in de proceskosten.

3.2

DsCs en de Stichting hebben verweer gevoerd en hebben een vordering in reconventie ingesteld.

3.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en heeft in reconventie de vordering afgewezen, met veroordeling van DsCs en de Stichting in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

4 De motivering van de beslissing

4.1

DsCs en de Stichting hebben onder aanvoering van acht grieven gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en die van DsCs en de Stichting zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4.2

Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] vordert betaling van werkzaamheden die zij stelt in opdracht van DsCs te hebben verricht. Niet in geschil is dat de werkzaamheden waarvan betaling wordt gevorderd door [geïntimeerde] zijn verricht bij en ten behoeve van een cliënt van DsCs, Bouw Combinatie Inkoop C.V. (BCI), die inmiddels failliet is verklaard. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat DsCs mondeling op 27 augustus 2015 opdracht voor die werkzaamheden heeft gegeven en dat dit schriftelijk is bevestigd door middel van de opdrachtbevestiging van 21 september 2015 (zie rechtsoverweging 2.2), die voortbouwde op een eerder, op 28 augustus 2015, door [geïntimeerde] aan DsCs toegezonden concept. De tekst van de aangepaste opdrachtbevestiging was op verzoek van DsCs algemeen gehouden, zodat die ook kon gelden voor volgende opdrachten. [geïntimeerde] wijst er verder op dat DsCs de facturen zonder protest heeft behouden en de eerste van de facturen ook heeft betaald. Daarnaast heeft zij ten bewijze van de opdracht verwezen naar een schriftelijke verklaring van [C] , een voormalig medewerker van DsCs. [C] bevestigt in die verklaring dat de werkzaamheden in opdracht van DsCs door [geïntimeerde] zijn verricht.

DsCs en de Stichting hebben een en ander betwist en stellen zich op het standpunt dat de opdrachtbevestiging van 21 september 2015 bedoeld was als mantelovereenkomst op basis waarvan [geïntimeerde] op afroep werkzaamheden voor DsCs zou gaan verrichten. DsCs en de Stichting ontkennen echter dat DsCs [geïntimeerde] voor de onderhavige werkzaamheden op 27 augustus 2015 (of nadien) opdracht heeft gegeven. Dat heeft BCI gedaan. Ter ondersteuning verwijzen DsCs en de Stichting naar een schriftelijke verklaring van de heren [D] en [E] van BCI, die verklaren dat BCI opdracht heeft gegeven aan [geïntimeerde] . De eerste factuur is volgens DsCs en de Stichting ten onrechte betaald, reden waarom (in oorspronkelijk reconventie) terugbetaling wordt gevorderd.

4.3

De kantonrechter heeft overwogen dat [geïntimeerde] haar stellingen op een overtuigende wijze heeft onderbouwd en met de verklaring van [C] ook heeft bewezen. Voorts heeft hij geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde] door DsCs onvoldoende gemotiveerd is betwist (rov. 5.6). Met de (toelichting op) Grief II bestrijdt DsCs dat laatste oordeel op zich terecht, nu de betwisting door DsCs wel van een voldoende motivering is voorzien. Die constatering leidt echter nog niet tot vernietiging van het bestreden vonnis, aangezien de kantonrechter de stellingen van [geïntimeerde] niet uitsluitend als vaststaand heeft aangenomen wegens onvoldoende betwisting (artikel 149 Rv), maar omdat hij die stellingen ook bewezen achtte (artikel 150 Rv). Tegen dat oordeel komen de grieven III tot en met VII tevergeefs op. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] het bewijs van haar stellingen heeft geleverd met de verklaring van [C] , de opdrachtbevestiging, het niet protesteren tegen de facturen en het betalen van de eerste factuur. De verklaringen van [D] en [E] kunnen dit bewijs niet ontzenuwen. Het hof verwijst daartoe naar en neemt als zijn overwegingen over rechtsoverwegingen 5.4 tot en met 5.11 van het bestreden vonnis. Het hof voegt daar het volgende aan toe naar aankleding van wat in de toelichting op de grieven III tot en met VII is aangevoerd.

Het enkele feit dat [C] als ex-werknemer van DsCs op enig moment het faillissement van DsCs heeft aangevraagd, doet voor het hof aan diens geloofwaardigheid niet af. Dat hij een vriendschappelijke relatie zou hebben met [geïntimeerde] , is door deze ontkend en staat daarmee niet vast, voor zover dit al relevant zou zijn. Op de door de kantonrechter terecht gesignaleerde verschillen in kwaliteit tussen de verklaringen van [C] en die van [D] en [E] (rov. 5.8 en 5.9) en de ongerijmdheden in de stellingen van DsCs (rov. 5.10) wordt in de grieven niet of nauwelijks ingegaan, zodat deze ook voor het hof tot uitgangspunt dienen. Het hof stelt ten slotte vast dat DsCs en de Stichting in hoger beroep geen aanbod hebben gedaan tot het leveren van (nader) tegenbewijs. Het hof ziet geen aanleiding hen ambtshalve daartoe gelegenheid te bieden.

4.4

Met grief I wordt nog aangevoerd dat de opdrachtbevestiging dateert van 21 september 2015 terwijl volgens [geïntimeerde] de opdracht is gegeven op 27 augustus 2015. [geïntimeerde] heeft daarvoor echter een afdoende verklaring gegeven en die met stukken onderbouwd: de eerste versie van de opdrachtbevestiging is al direct op 28 augustus 2015 aan DsCs verzonden, ondertekening bleef slechts uit omdat de tekst nadien nog wat werd aangepast om de tekst een algemenere strekking te geven (onder meer door opname concurrentiebeding). Het enkele feit dat in artikel 3 lid 1 van de in de opdrachtbevestiging van toepassing verklaarde algemene voorwaarden wordt bepaald dat een overeenkomst tot stand komt op het moment dat de ondertekende opdrachtbevestiging door opdrachtnemer retour is ontvangen, sluit niet uit dat partijen mondeling daarvoor al een overeenkomst zijn aangegaan, zoals wordt geregeld in het tweede lid van artikel 3.

4.5

Grief VIII (gericht tegen de afwijzing van de reconventionele vordering) bouwt op de hiervoor verworpen grieven voort en deelt daarom het lot van die grieven.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. DsCs en de Stichting zullen als de in het ongelijk te stellen partijen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vast te stellen als volgt:

- € 313,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.518,- (2 punten in tarief I) aan geliquideerd salaris van de advocaat.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 13 december 2016 van de rechtbank Noord-Nederland (kantonrechter Assen) waarvan beroep;

veroordeelt DsCs en de Stichting hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld als volgt:

€ 313,- aan verschotten en € 1.518,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.W. Zandbergen en mr. A.G.J van Wassenaer van Catwijck en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.