Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8308

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
200.192.398/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Brand in boerderij. Normen die golden voor installeren rookgasafvoerkanaal geschonden. Vooralsnog stat niet vast dat het specifieke gevaar waartegen de geschonden normen bescherming beogen te bieden zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Mogelijk andere oorzaak; schoorsteenbrand. Bewijslast van de stelling dat montagefout de oorzaak van de brand is, rust op eigenaar boerderij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.192.398/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/138488 / HA ZA 14-440)

arrest van 18 september 2018

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. R.B. van Beem, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

tegen

1 De Kachelspecialist V.O.F.,

gevestigd te [B] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: de Kachelspecialist,

advocaat: mr. W.H.C. Bulthuis, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 februari 2018 hier over.

1.2

Ter uitvoering van dat tussenarrest hebben [appellanten] c.s. een akte genomen en de Kachelspecialist een antwoordakte.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken (aanvullend) gefourneerd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals vastgesteld in de rechtsoverwegingen 2.1.1 tot en met 2.1.4 van het (bestreden) vonnis van 24 juni 2015, nu tegen die feiten geen grieven zijn gericht en ook overigens niet van bezwaren daartegen is gebleven. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog als onweersproken vaststaat, gaat het om het volgende.

2.2

[appellanten] c.s. zijn sinds 1992 de eigenaars van een aan het adres [a-straat 1] te [A] gelegen rietgedekte woonboerderij (hierna: de boerderij). Deze boerderij is voorzien van een rietgedekte kap. Ten behoeve van de exploitatie van een zogeheten "Bed & Breakfast" is in 2004 de stal van de boerderij ingericht als gastenverblijf. Nadien is, in 2008/2009, nog een tweetal appartementen ingericht in de achterzijde van de schuur. Deze appartementen zijn genaamd " [C] " respectievelijk " [D] ".
" [C] " is toen voorzien van een houtkachel, waarvan de aanleg en plaatsing, inclusief het rookgasafvoerkanaal, heeft plaatsgehad door De Kachelspecialist. Dat rookgasafvoerkanaal, van het merk Roccheggiani, voerde door het rieten dak.

2.3

Artikel 2:84 Bouwbesluit 2003 houdt in:

'1. Een voorziening voor de afvoer van rook is, bepaald volgens NEN 6062, brandveilig.

2. Materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar. Dit geldt uitsluitend indien in dat materiaal een temperatuur, bepaald volgens NEN 6062, kan optreden van meer dan 363 K.

3. De horizontale afstand tussen de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak van een ander bouwwerk is ten minste 15 m.'

In de toelichting op dit artikel staat onder meer:

'Voorzieningen voor de afvoer van rook, zoals een schacht, koker of kanaal, mogen niet de oorzaak zijn van een beginnende brand. Daarom schrijft het eerste lid voor dat deze voorzieningen brandveilig moeten zijn. De NEN 6062 bevat hiervoor een beproevingsmethode (...). Bij die beproeving moet de voorziening zijn blootgesteld aan 1) trillingsbelastingen, waarbij wordt geverifieerd dat de voorziening niet te veel vervormt; 2) een luchtdichtheidsbeproeving, waarbij wordt geverifieerd of hete gassen uit de voorziening kunnen stromen; 3) een thermische beproeving, waarbij de voorziening gedurende de in het normblad aangegeven tijdsduur aan hete gassen van een in het normblad voorgeschreven temperatuur en met een voorgeschreven vermogen wordt blootgesteld en waarbij wordt nagegaan of de temperatuur aan de buitenzijde van de voorziening niet een zodanige waarde bereikt dat materialen die in de directe omgeving van de voorziening zijn toegepast, spontaan in brand kunnen geraken, en 4) een veegproef, waarbij wordt nagegaan of het vegen van de voorziening niet te snel zal leiden tot een onaanvaardbare vermindering van de dikte-afmeting van de binnenmantel van de voorziening. Na deze combinatie van beproevingen moet voorts worden geverifieerd of de voorziening niet zodanig in kwaliteit is achteruitgegaan, dat ook indien tijdens de beproeving één van eerder genoemde criteria niet is overschreden, dit op grond van de waar te nemen degeneratie op korte termijn alsnog is te verwachten.’

2.4

Uit artikel 6.4.1 van de NEN 6062 (1991/1997) volgt dat de temperatuurstijging aan de buitenzijde van het kanaal gedurende de thermische beproeving zowel onder normale als onder extreme omstandigheden niet meer mag bedragen dan 75 °C (ten opzichte van een

omgevingstemperatuur; in totaal mag de temperatuur niet meer bedragen dan 75°C + 20°C = 95°C).

2.5

In de installatie-instructie van het rookgasafvoerkanaal van de fabrikant Roccheggiani staat omschreven dat er bij de dakdoorvoer een omkokering rond het rookgasafvoerkanaal moet worden aangebracht.

2.6

Op 20 februari 2013 is, terwijl de houtkachel in gebruik was, brand ontstaan in " [C]

", welk appartement toen aan een groep studenten was verhuurd (hierna: de brand). Door de brand is een groot gedeelte van de boerderij verwoest.

2.7

Op 8 april 2013 is een technische expertise ingesteld door Biesboer Expertise B.V. (hierna: Biesboer) in opdracht van ASR, als opstalverzekeraar van [appellanten] c.s. en
I-TEK B.V. (hierna: I-TEK), in opdracht van ASR, als aansprakelijkheidsverzekeraar van de Kachelspecialist. Biesboer heeft op 23 mei 2013 rapport uitgebracht van haar bevindingen en I-TEK op 19 juli 2013.

2.8

De omvang van de door de brand veroorzaakte schade aan de inboedel en de opstal is gezamenlijk vastgesteld door DEKRA, die als expert door ASR is ingeschakeld en Troostwijk, die als contra-expert door [appellanten] c.s. is ingeschakeld. Deze experts hebben de schade vastgesteld op een bedrag van € 1.032.335,86. Daarnaast is sprake van bedrijfsschade. ASR heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking was omdat er door het exploiteren van de Bed & Breakfast sprake was van een risicowijziging die niet aan haar was gemeld. Bovendien was er volgens ASR – in het geval er wel dekking zou zijn geweest – sprake van onderverzekering. Uiteindelijk is er tussen ASR en [appellanten] c.s. een schikking tot stand gekomen, in welk kader ASR een bedrag ad € 380.000,- aan [appellanten] c.s. heeft uitbetaald.

2.9

[appellanten] c.s. hebben voor hun resterende schade hun voormalig

assurantietussenpersoon Van der Meer aansprakelijk gesteld, vanwege schending van de op hem rustende zorgplicht. Met Van der Meer is een schikking getroffen, uit hoofde waarvan deze een bedrag ad € 187.500,- tegen finale kwijting aan [appellanten] c.s. heeft voldaan.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg hoofdelijke veroordeling van de Kachelspecialist gevorderd tot betaling van een bedrag van € 667.459,98 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en een bedrag van € 5.160,- aan buitengerechtelijke kosten. Daartoe hebben zij, kort samengevat, gesteld dat bij de montage van het rookgasafvoerkanaal in 2008/2009 door de Kachelspecialist een fout is gemaakt waardoor brand is ontstaan op de plaats waar het rookgasafvoerkanaal door het rieten dak gaat, waarna de brand zich over het hele dak heeft uitgebreid. De vordering is als volgt samengesteld:
schade aan de opstal en inboedel € 1.032.335,86
overige schade, onder ander bestaande uit bedrijfsschade € 151.026,17
totale schade € 1.183.326,03

Daarop strekken de van ASR en Van der Meer ontvangen betalingen van € 380.000,- en
€ 187.500,- in mindering. Inclusief de wettelijke rente berekend tot aan de dag van de dagvaarding (als weergegeven in productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) resulteert dat in een bedrag van € 667.459,98.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 juni 2015 overwogen dat op [appellanten] c.s. de bewijslast en bewijsrisico rusten en dat er geen aanleiding is voor het toepassen van de zogenoemde omkeringsregel. De rechtbank heeft [appellanten] c.s. toegelaten te bewijzen dat het ontstaan van de brand een gevolg is van een (toerekenbare) tekortkoming dan wel enig handelen of nalaten zijdens de Kachelspecialist bij de aanleg van het rookkanaal.

3.3

[appellanten] c.s. hebben getuigen doen horen en een expertiserapport van
[E] van Overtoom Brandexpertise, deskundige A Brandonderzoeken, (hierna: Overtoom) van 27 juli 2015 in het geding gebracht.

3.4

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] c.s. bij vonnis van
23 maart 2016 afgewezen en daartoe – kort samengevat – overwogen dat met de getuigenverklaringen onvoldoende is bewezen dat de brand ter plaatse van de rookgasafvoer van de houtkachel is ontstaan, dat ook uit de rapporten van Biesboer, I-TEK en Overtoom geen overtuigend bewijs kan worden geput dat voor de stelling dat de brand op die plaats is ontstaan. Daaruit volgt dat het causaal verband tussen het ontstaan van de brand en een eventuele tekortkoming van de Kachelspecialist evenmin is komen vast te staan, zodat de vraag of de vraag of de Kachelspecialist zich heeft gehouden aan het Bouwbesluit en/of installatie-instructies van de fabrikant onbesproken kan blijven, aldus de rechtbank.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellanten] c.s. vorderen in het hoger beroep om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de op 24 juni 2015 en op 23 maart 2016 door de rechtbank gewezen vonnissen te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellant] en [appellante] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van De Kachelspecialist in de kosten van beide instanties. Zij hebben negen grieven geformuleerd. De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen het in het tussenvonnis van 24 juni 2015 vervatte oordeel dat [appellanten] c.s. hun stellingen moeten bewijzen en dat geen plaats is voor toepassing van de omkeringsregel.
De grieven 3 tot en met 9 zijn gericht tegen de bewijswaardering in het eindvonnis en tegen het oordeel dat de wijze van installeren van het rookgasafvoerkanaal onbesproken kan blijven. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.2

Op grond van de hoofdregel dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast daarvan draagt, rust de bewijslast van de stelling dat de brand is veroorzaakt door een montagefout van de Kachelspecialist in beginsel op [appellanten] c.s (artikel 150 Rv). [appellanten] c.s. hebben echter aangevoerd dat er aanleiding is voor het toepassen van de zogenoemde omkeringsregel.

4.3

De door de Hoge Raad ontwikkelde omkeringsregel strekt ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in die zin dat het bestaan van causaal verband tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van schade (voorshands) wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst – waarbij voor het in dit kader te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de schade ook zonder die onrechtmatige daad of tekortkoming zou zijn ontstaan.
Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifiek) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.
De ratio van de omkeringsregel brengt mee dat in gevallen waarin aan de vereisten voor toepassing daarvan is voldaan, de onzekerheid omtrent het exacte verloop van de gebeurtenissen voor risico komt van degene die de desbetreffende norm heeft geschonden, zodat dat verloop in die gevallen in zoverre niet door de benadeelde behoeft te worden gesteld en, in geval van betwisting, bewezen. (Hoge Raad 23 november 2012 ECLI:NL:HR:2012:BX7264 en 2 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1008).

4.4

De beantwoording van de vraag of de omkeringsregel toepassing kan vinden kan niet los worden gezien van de vraag of sprake is geweest van een montagefout van de Kachelspecialist en de aard van die fout. In de omkeringsregel ligt namelijk besloten dat, wanneer partijen erover strijden of is voldaan aan de voorwaarde voor toepasselijkheid daarvan, de rechter in beginsel steeds mede de aan de vordering ten grondslag gelegde normschending moet beoordelen. De inhoud en strekking van de geschonden norm zijn immers van belang om vast te stellen tegen welk specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade zij bescherming biedt. Dit laatst is weer van belang voor hetgeen de benadeelde dient aan te voeren om aannemelijk te maken dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. (Hoge Raad 19 december 2008 ECLI:NL:HR:2008:BG1890 rov 3.4) Grief 8 slaagt dus.

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de montage van een rookgasafvoerkanaal, die in 2008/2009 heeft plaatsgehad, diende te voldoen aan het Bouwbesluit 2003 en aan NEN 6062. Als onweersproken staat vast dat het door de Kachelspecialist geplaatste rookgasafvoerkanaal van het merk Rocheggianni CE is goedgekeurd. [appellanten] c.s. hebben, onder verwijzing naar het rapport van Overtoom, echter gesteld dat daarbij de restrictie geldt dat er bij het installeren van het rookgasafvoerkanaal een afstand van tenminste 50 mm tot brandbare materialen in acht moet worden genomen.
De Kachelspecialist ontkent niet dat een dergelijke, kennelijk ongeschreven, norm geldt, maar stelt dat zij deze ook in acht heeft genomen (antwoordconclusie na enquête, nummer 54). Tenslotte staat vast dat in de installatie-instructie van de fabrikant staat omschreven dat er bij de dakdoorvoer een omkokering rond het rookgasafvoerkanaal moet worden aangebracht.

4.6

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft de raadsman van de Kachelspecialist verklaard dat de thermische beproeving als bedoeld in het Bouwbesluit en de NEN 6062 wordt uitgevoerd door TüV. Het gaat daarbij niet gaat om het keuren van individuele zaken maar om een typegoedkeuring voordat een product op de markt komt. Het onderhavige type rookgasafvoer heeft de tests doorstaan, aldus de Kachelspecialist. Nu [appellanten] c.s. dat vervolgens niet hebben betwist, is niet komen vast te staan dat dit type rookgasafvoer als zodanig niet aan het Bouwbesluit of de NEN-normen voldoet.

4.7

[appellanten] c.s. stellen dat niet aan de vereiste afstand van 50 mm is voldaan en hebben dat gemotiveerd uiteengezet aan de hand van een tekening (ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg) en aan de hand van een model (zoals getoond ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep).

4.8

De Kachelspecialist is in de processtukken niet ingegaan op de door [appellanten] c.s in eerste aanleg overgelegde tekening. Zij heeft de juistheid daarvan niet gemotiveerd betwist en heeft dat ook in hoger beroep niet gedaan toen deze tekening op de comparitie is besproken. Ook heeft zij niet aan de hand van het door [appellanten] c.s. getoonde model duidelijk gemaakt hoe er rondom het rookgasafvoerkanaal een ruimte van 50 mm gegarandeerd was.

Daarmee staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat de vereiste afstand van 50 mm tussen het rookgasafvoerkanaal en brandbare materialen (het rieten dak met houten spanten) niet gegarandeerd was.

4.9

Ten aanzien van de installatie-instructie van het betreffende rookgasafvoerkanaal van de fabrikant heeft de heer [geïntimeerde3] , vennoot van de Kachelspecialist, tijdens de comparitie in hoger beroep verklaard dat hij bekend is met deze instructie en dat hij deze zelfs uit zijn hoofd kent. Desalniettemin staat vast dat de Kachelspecialist geen omkokering heeft aangebracht. Naar zij zelf stelt (memorie van antwoord onder 76) heeft zij aan de buitenzijde van het dak een loodslabbe aangebracht, naast de balk/spant verticaal een onbrandbare plaat, heeft zij de ruimte tussen de loodslabbe en de onbrandbare plaat opgevuld met onbrandbare minerale wol en een onbrandbare plaat (horizontaal) met metalenbeugels aangebracht rondom het kanaal tegen de onderzijde van het dak.
[appellanten] c.s. betwisten dat er sprake was van twee onbrandbare platen; zij wijzen erop dat er na de brand slechts één onbrandbare plaat is aangetroffen.
Naar het oordeel van het hof heeft de Kachelspecialist aldus niet voldaan aan de voorschriften van de leverancier inzake een omkokering.

4.10

Zowel de norm inzake de afstand van 50 mm tot brandbare materialen als het voorschrift van de leverancier inzake omkokering zijn, zo volgt uit hetgeen over en weer is gesteld en niet is weersproken bedoeld ter voorkoming van het specifieke gevaar dat de directe omgeving van het rookgasafvoerkanaal zodanig wordt aangestraald dat deze, al dan niet na een proces van pyrolyse als omschreven in het rapport van Overtoom, vlam kan vatten. De Kachelspecialist heeft betwist dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt.
In de eerste plaats heeft zij erop gewezen dat [appellant] , na installatie van het rookgaskanaal, zelf nog beplating tegen het dak heeft aangebracht, waardoor de rookgasafvoer mogelijk is verschoven. Dit verweer is op de comparitie in hoger beroep aan de orde geweest. [appellant] heeft bij die gelegenheid, mede aan de hand van een door hem gemaakt model, uitgelegd hoe hij te werk is gegaan bij het aanbrengen van beplating tussen de sporen van het dak. Hij heeft op voor het hof overtuigende wijze uiteengezet dat hij niet ter plaatse van de rookgasafvoer beplating heeft aangebracht.
In de tweede plaats heeft de Kachelspecialist als verweer gevoerd dat het brandbeeld overeenkomt met een schoorsteenbrand. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

4.11

De bewijslast van de stelling dat dat specifieke gevaar waartegen de geschonden normen bescherming beogen te bieden zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, rust op [appellanten] c.s. Vooralsnog staat dat niet vast. Uit het enkele feit dat er brand aan het dak is ontstaan, volgt dat nog niet. Ook uit de rapporten van Biesboer en I-TEK, die kort na de brand een onderzoek hebben ingesteld naar het ontstaan van de brand, valt die conclusie nog niet te trekken. Overtoom heeft ruim twee jaar na de brand een rapport uitgebracht in opdracht van [appellant] . Hij schetst in zijn rapport het proces van pyrolyse als mogelijke oorzaak van de brand. Overtoom heeft zelf geen onderzoek ter plaatse verricht, maar heeft de rapporten van Biesboer en I-TEK ter beschikking gekregen. De opdracht van Overtoom was: ‘bewijs te leveren ter onderbouwing dat de brand een gevolg is van een toerekenbare tekortkoming dan wel enig handelen of nalaten aan de zijde van de installateur van het rookgasafvoerkanaal’. Daarbij diende – blijkens het kopje: ‘Achtergrond’ in de inleiding van het rapport – het volgende als uitgangspunt: ‘Samengevat is vastgesteld dat de oorzaak voor het ontstaan van voornoemde brandschade waarschijnlijk is gelegen in de verkeerde wijze van installeren van de kachelpijp van het merk Rocchegiani, te weten zonder omkokering door een houten/rietgedekt dak.’
Het is het hof niet duidelijk op basis waarvan dat tot uitgangspunt is genomen: Biesboer en
I-TEK hebben immers juist niet kunnen vaststellen wat de oorzaak van de brand was en derhalve ook niet vastgesteld dat de oorzaak in de wijze van installeren van het rookgasafvoerkanaal was gelegen. Grief 3 faalt daarom.

4.12

De getuigen [F] , [appellante] en [appellant] zelf hebben alle drie verklaard dat de eerste vlammetjes te zien waren op het rieten dak ter hoogte van/rondom het rookgasafvoerkanaal. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende aannemelijk dat de brand op die plaats is ontstaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is immers niet in geschil dat de kachel ten tijde van het ontstaan van de brand in bedrijf was. De grieven 4 en 5 zijn terecht voorgedragen. Of dat tot vernietiging van het vonnis leidt, zal blijken uit de verdere beoordeling.

4.13

Met de plaats van het ontstaan van de brand, is de oorzaak daarvan immers nog niet gegeven. Hoewel de plaats van het ontstaan van de brand een aanwijzing kan zijn dat het gevaar waartegen de geschonden normen bescherming beogen te bieden zich heeft verwezenlijkt in die zin dat het door Overtoom geschetste scenario zich heeft voorgedaan, is evenzeer voorstelbaar dat sprake is geweest van een schoorsteenbrand zoals de Kachelspecialist bij wijze van verweer heeft aangevoerd.

4.14

In dat kader is van belang of het rookgasafvoerkanaal jaarlijks werd geveegd. [appellanten] c.s., die daarover in de processtukken niets hadden gesteld, hebben desgevraagd ter zitting in hoger beroep verklaard dat het rookgasafvoerkanaal jaarlijks werd geveegd.
De Kachelspecialist heeft betwist dat er voldoende is geveegd. [appellanten] c.s. zijn bij tussenarrest van 20 februari 2018 in de gelegenheid gesteld om bij akte schriftelijke stukken zoals facturen en/of verklaringen van getuigen in het geding te brengen waaruit de juistheid van het door hen gestelde zou kunnen blijken.

4.15

[appellanten] c.s. hebben vervolgens een aantal stukken in het geding gebracht waaronder één factuur van Schoorsteenservice Bedrijf [G] (hierna: [G] ) waaruit blijkt dat op 18 maart 2011 drie schoorsteenrookkanalen zijn schoongemaakt, en één bankafschrift waaruit blijkt dat de betreffende factuur op 4 mei 2011 door [appellanten] c.s. is voldaan. Daarnaast is een aankondigingskaartje van [G] overgelegd met de volgende voorgedrukte tekst:
“Geachte bewoner,
Middels dit kaartje berichten wij u dat het ca. 1 jaar geleden is dat uw schoorsteen is geveegd. Om efficiënt te kunnen werken stellen wij voor om op:’s ochtends …’s middags .. uw schoorsteen te vegen [….]”
Handgeschreven is de voorgestelde datum (7 mei 2013) en het tijdstip (13.00-16.00) ingevuld.
Anders dan [appellanten] c.s. betogen, volgt uit dat kaartje niet noodzakelijkerwijs dat het betreffende rookgasafvoerkanaal in 2012 is geveegd. Het betreft immers een voorgedrukte tekst en [appellant] heeft in zijn schriftelijke verklaring zelf aangegeven dat zij nog ieder jaar een dergelijk kaartje ontvangen, ondanks het feit dat zij al sinds 2013 geen gebruik meer maken van de diensten van [G] . Vooralsnog is dan ook niet komen vast te staan dat het rookgasafvoerkanaal in de jaren voorafgaand aan de brand jaarlijks is geveegd.

4.16

Het hof is van oordeel dat [appellanten] c.s. aldus nog onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het gevaar, waartegen de door de Kachelspecialist geschonden normen, bescherming beogen te bieden, zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Voor toepassing van de omkeringsregel ziet het hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen op dit moment geen aanleiding. [appellanten] c.s. op wie de bewijslast rust hebben uitdrukkelijk bewijs aangeboden van hun stellingen door middel van het horen van getuigen en door middel van deskundigen. [appellanten] c.s. zullen in de gelegenheid worden gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de brand is veroorzaakt door de wijze waarop de Kachelspecialist het rookgasafvoerkanaal heeft geïnstalleerd, waartoe kan worden volstaan dat zij aannemelijk maken dat de directe omgeving van het rookgasafvoerkanaal door het niet naleven van de installatievoorschriften door hitte is aangestraald en na een proces van pyrolyse vlam heeft gevat. Voor dit laatste kan, afhankelijk van wat verder nog zal blijken, mogelijk voldoende zijn dat alsnog wordt aangetoond dat de schoorsteen in de jaren voorafgaand aan de brand is geveegd, omdat daarmee de enige resterende alternatieve verklaring waarom de brand ter hoogte van het rookgasafvoerkanaal is begonnen zou zijn, te weten een schoorsteenbrand, mogelijk wordt geëcarteerd.
Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding een verhoor van deskundigen te gelasten en de door [appellant] genoemde deskundigen te horen. De rapporten die deze deskundigen van hun bevindingen hebben uitgebracht zijn immers reeds in het geding gebracht en de inhoud daarvan is naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk.

4.17

In afwachting van de bewijslevering wordt de beoordeling van de grieven 6, 7 en 9 aangehouden.

5 De beslissing

Het gerechtshof, alvorens verder te beslissen:

laat [appellanten] c.s. toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de brand die op 20 februari 2013 heeft gewoed in hun woonboerderij annex bed & breakfast, is veroorzaakt door de wijze waarop de Kachelspecialist het rookgasafvoerkanaal in het in de schuur gesitueerde appartement ‘ [C] ’ heeft geïnstalleerd, waartoe kan worden volstaan dat zij aannemelijk maken dat de directe omgeving van het rookgasafvoerkanaal door het niet naleven van de installatievoorschriften door hitte is aangestraald en na een proces van pyrolyse vlam heeft gevat;

bepaalt dat, indien [appellanten] c.s. dat bewijs (ook) door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.M.A. Wind, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellanten] c.s. het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum 2 oktober 2018, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellanten] c.s. overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. L. Janse en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op
18 september 2018.