Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8289

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
200.235.137
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinder- en partneralimentatie. Convenant. Behoefte en behoeftigheid, enkel tijdsverloop niet van invloed op huwelijksgerelateerde behoefte. Ingangsdatum, terugbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.235.137

(zaaknummer rechtbank Overijssel 205087)

beschikking van 18 september 2018

inzake

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J.J. van Geel te Almelo,

en

[naam verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.H.H. Schepers te Almelo.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 4 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 28 februari 2018;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 9;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Van Geel van 5 juli 2018 met producties 4 tot en met 13;

- een journaalbericht van mr. Schepers van 6 juli 2018 met producties;

- een journaalbericht van mr. Van Geel van 6 juli 2018 met productie;

- een journaalbericht van mr. Van Geel van 24 juli 2018;

- een journaalbericht van mr. Schepers van 24 juli 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op [datum ontbinding huwelijk] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 3 maart 2014 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

- [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

De kinderen verblijven bij de vrouw.

3.3

In het door beide partijen op 27 februari 2014 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen - voor zover thans van belang- met betrekking tot de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook : partneralimentatie) het navolgende overeengekomen:

- 2.1 ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant heeft de vrouw wel behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, doch de man heeft geen draagkracht om een bijdrage in deze kosten te voldoen. De behoefte van de vrouw is berekend op € 430,- netto per maand. Partijen komen op deze grond overeen dat thans geen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw door de man wordt voldaan. Mocht de draagkracht van de man positief wijzigen, dan zullen partijen zich wenden tot een deskundige om alsnog tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud te komen. Ten tijde van ondertekening van het convenant is nog onduidelijk of de arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV wordt gecontinueerd. Indien de uitkering voor dezelfde hoogte wordt hervat als in het jaar 2013, dan zal de partneralimentatie, gezien de draagkracht van de man inclusief de uitkering, € 684,- bruto per jaar bedragen. Dit bedrag wordt dan in maandelijkse termijnen ad € 57,- per de eerste van de maand gestort op een door de vrouw aan te wijzen regeling (het hof leest; rekening).

- 2.2 De in artikel 2.1 bepaalde alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2015;

(…)

- 2.4 Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat verwerven respectievelijk wanneer de arbeidsinkomsten van de vrouw in de toekomst stijgen, zullen deze inkomsten, zolang zij een bedrag van € 18.500,- bruto per jaar niet te boven gaan, geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie. Bereiken haar inkomsten uit arbeid het bedrag van € 18.500,- bruto per jaar, dan wordt het meerdere voor 100% op de alimentatie gekort. De in dit artikel genoemde bedrag van € 18.500,- wordt jaarlijks per 1 januari, voor het eerst op 1 januari 2015, verhoogd met hetzelfde percentage als waarmee de alimentatie ingevolge de in artikel 2.2 vastgelegde indexeringsregeling zal stijgen.

3.4

In het door partijen eveneens op 27 februari 2014 ondertekende ouderschapsplan dat deel uitmaakt van het onder 3.3 vermelde echtscheidingsconvenant zijn partijen terzake kinderalimentatie - voor zover thans van belang - het navolgende overeengekomen:

10. Financiën

Kinderalimentatie

- Het bedrag voor kinderalimentatie is volgens de Nibud-norm € 127,- per kind. Dit bedrag zal maandelijks, per eerste van de maand, door de vader gestort worden op een door de moeder aan te wijzen rekening, te beginnen vanaf betrekken zelfstandige woonruimte vrouw.

Indien de vrouw een huurwoning betrekt i.p.v. een koopwoning zal de kinderalimentatie per kind € 163,- bedragen.

Ten tijde van ondertekening van dit convenant is nog onduidelijk of de arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV wordt gecontinueerd. Indien de uitkering voor dezelfde hoogte wordt hervat als in het jaar 2013, dan zal de kinderalimentatie € 11,- per kind per maand meer bedragen ongeacht of de vrouw een woning huurt of koopt.

  • -

    De vrouw voldoet met de kinderalimentatie, het kindgebonden budget, de kinderbijslag en haar eigen bijdrage alle lasten van de kinderen. Indien een opleiding door de kinderen wordt gevolgd die meer kost dan de gemiddelde kosten van een opleiding, bijvoorbeeld als gevolg van aangeschafte materialen, reiskosten e.d. zal alleen na overleg met de vader en akkoord van de vader, de vader een extra bijdrage doen in deze kosten .

  • -

    Indexering

  • -

    De kinderalimentatie en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie worden jaarlijks verhoogd met het door de Minister van Justitie vastgestelde percentage, voor het eerst per 1 januari 2015. In overleg kan een grotere stijging worden afgesproken.

  • -

    Regelingen rondom de kinderalimentatie

  • -

    Indien de inkomsten van de ouders substantieel wijzigen (bijvoorbeeld door rente-inkomsten i.v.m. verkrijgen erfenis of winnen prijs in de loterij, wijziging salaris, etc) zullen zij dit direct aan de andere ouder meedelen, door middel van het jaarlijks overleggen van de jaaropgave aan elkaar. Bij een wijziging van omstandigheden zullen partijen opnieuw hun eigen aandeel in de kosten van de kinderen laten vaststellen en zich hiervoor wenden tot een deskundige. Partijen zullen alle benodigde stukken aanleveren en de kosten gelijkelijk voldoen.

  • -

    Kosten meerderjarige kinderen

  • -

    Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt betalen beide ouders na rato van hun draagkracht genoemde alimentatie aan het kind zelf op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de moeder woont. In dat geval wordt door de ouders en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang die situatie voortduurt.

3.5

In voormelde echtscheidingsbeschikking van 3 maart 2014 is bepaald dat de inhoud van het echtscheidingsconvenant, tevens houdende ouderschapsplan, deel uitmaakt van die beschikking.

3.6

Ingevolge de wettelijke indexering bedroegen zowel de kinderalimentatie voor [naam kind 2] als de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor [naam kind 1] met ingang van 1 januari 2017 € 133,12 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking:

- is, tot zover uitvoerbaar bij voorraad, de bij het van voormelde beschikking van 3 maart 2014 deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 27 februari 2014 overeengekomen partneralimentatie gewijzigd en met ingang van 19 juli 2017 bepaald op € 717,- per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- zijn de kosten van die procedure gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- is het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de behoefte van de kinderen en van de vrouw en de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat hij als kinderalimentatie voor [naam kind 2] een bedrag van € 340,88 per maand dient te voldoen, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, primair met ingang van de datum van de te geven beschikking, subsidiair vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift door de vrouw op 19 juli 2017, meer subsidiair vanaf de datum die het hof juist acht.

Verder verzoekt de man het verzoek van de vrouw om hem te veroordelen tot het betalen van partneralimentatie af te wijzen, kosten rechtens.

4.3

De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep en is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie en de extra studiekosten (€ 93,- per maand) die de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de man in aanmerking heeft genomen. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bevestigen voor zover het betreft de partneralimentatie, waarbij de door de man te betalen studiekosten niet in aanmerking dienen te worden genomen en de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum en te bepalen dat de partneralimentatie ingaat op 1 oktober 2016, althans een datum die het hof juist acht.

4.4

De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.5

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen afgesproken dat zij nog gaan proberen om in onderling overleg tot afspraken te komen en hebben zij toegezegd dat zij het hof binnen een week na de mondelinge behandeling over het resultaat zullen berichten. Bij voormelde journaalberichten van 24 juli 2018 hebben partijen het hof bericht dat hun pogingen niet tot resultaat hebben geleid Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen en verzoeken het hof een beslissing te geven.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van meerdere relevante wijzigingen van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigen.

ingangsdatum

5.2

De vrouw heeft in haar eerste grief in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank als ingangsdatum voor de gewijzigde partneralimentatie 1 oktober 2016 had moeten hanteren. Partijen hebben voorafgaand aan de procedure in onderling overleg geprobeerd om afspraken te maken en aanvankelijk leek het er op dat partijen overeenstemming zouden bereiken. Aan haar moet niet worden tegengeworpen dat zij daarom pas op 19 juli 2017 een verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend.

De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte ingangsdatum. Hij voert daartoe aan dat de vrouw tijdens het onderling overleg aanvankelijk geen bedrag voor de partneralimentatie heeft genoemd en dat partijen fors verschilden van inzicht over de verschuldigdheid en de hoogte van een partneralimentatie. In december 2016 was al duidelijk dat zij niet tot overeenstemming zouden komen. Het moet voor risico van de vrouw blijven dat de vrouw pas veel later een procedure is gestart. Bij vaststelling van een partneralimentatie met terugwerkende kracht als door de vrouw verzocht komt de man in financiële problemen.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid een wijziging met ingang van een vóór de datum van de uitspraak gelegen datum kan worden vastgesteld. Indien dat naar het oordeel van de rechter het geval is, zal de rechter daarvan rekenschap moeten geven in de motivering. De rechter is bij die beoordeling op grond van vaste jurisprudentie niet uitsluitend afhankelijk van hetgeen partijen hebben aangevoerd.

Het hof is van oordeel dat het feit dat partijen, voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg door de vrouw, enige tijd in onderling overleg hebben getracht afspraken te maken over de partneralimentatie, geen reden vormt om een ingangsdatum te bepalen die gelegen is voor de datum van indiening van het verzoek.

Anders dan vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift, hoefde de man in de daaraan voorafgaande overlegfase nog geen rekening te houden met een eventueel door hem aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie die ook zou moeten worden betaald over de periode waarin partijen overleg hebben gevoerd. Vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift door de vrouw heeft de man in redelijkheid wel rekening kunnen en moeten houden met een gerechtelijke vaststelling van partneralimentatie. De eerste grief van de vrouw faalt.

kosten van de kinderen

5.3

De man heeft in zijn eerste grief in het principaal hoger beroep aangevoerd dat de behoefte van de kinderen moet worden vastgesteld op basis van een gezinsinkomen van de man ten tijde van de samenleving van partijen van € 3.644,- per maand en de tabel kosten van kinderen van het NIBUD. Hij stelt ter onderbouwing dat de behoefte van [naam kind 2] na het uiteengaan van partijen is toegenomen in verband met studie- en reiskosten en hogere kosten voor haar levensonderhoud. Daarnaast voldoet hij een bedrag aan extra studiekosten van gemiddeld € 93,- per maand. De kosten van de kinderen bedragen op grond van het voormelde gezinsinkomen € 474,- per maand en daarop moet de bijdrage die hij nog steeds voor [naam kind 1] dient te voldoen, € 133,12 per maand, in mindering worden gebracht. De behoefte van [naam kind 2] bedraagt dan € 340,88.

5.4

De vrouw voert hiertegen verweer en stelt dat uitgegaan moet worden van de in het ouderschapsplan overeengekomen behoefte van € 127,- per kind per maand. De man heeft de hoogte van het gezinsinkomen niet nader onderbouwd en uit de stukken blijkt ook niet dat het huidige inkomen van de man hoger is dan het gezinsinkomen waarover partijen ten tijde van de samenleving de beschikking hadden. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw toegelicht dat [naam kind 2] een kappersopleiding volgt en dat [naam kind 1] na de zomervakantie ook weer met een opleiding zal gaan starten.

5.5

Het hof is van oordeel dat uit het door de man aangevoerde niet kan worden afgeleid dat [naam kind 2] thans behoefte heeft aan een hogere bijdrage dan partijen in 2014 zijn overeengekomen. Het inkomen van de man in 2017 overstijgt niet het gezinsinkomen van partijen ten tijde van de samenleving en de man heeft zijn stellingen met betrekking tot de gestegen kosten van [naam kind 2] niet nader uitgewerkt met concrete cijfers. De eerder door partijen overeengekomen kinderalimentatie geldt thans als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie nu beide kinderen inmiddels meerderjarig zijn. De vrouw is door de kinderen niet gemachtigd om (één van) hen te vertegenwoordigen in de onderhavige zaak. Het door de man gestelde geeft geen aanleiding tot wijziging van de tussen partijen in het onder 3.4 vermelde ouderschapsplan overeengekomen kinderalimentatie die in 2017 € 133,12 per kind per maand bedroeg.. De man dient deze bijdrage ongewijzigd aan de kinderen te blijven voldoen. In het kader van de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage voor de vrouw zal de rechtbank dan ook rekening houden met dit bedrag. De eerste grief van de man faalt.

5.6

In het verlengde van de behoefte en de kosten van de kinderen van partijen bespreekt het hof de tweede grief in het incidenteel hoger beroep van de vrouw. Zij heeft daarin gesteld dat de rechtbank ten onrechte bij de bepaling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie rekening heeft gehouden met een extra bijdrage in de studiekosten voor [naam kind 2] van € 93,- per maand naast de kinderalimentatie van € 133,12 per kind per maand. De vrouw stelt dat partijen ieder de helft van de extra studiekosten voldoen. Zij betaalt eenzelfde deel als de man en daarom moet hiermee geen rekening worden gehouden in het kader van de berekening van de draagkracht van de man.

De man voert hiertegen verweer en stelt dat hij heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk gemiddeld € 93,- per maand voldoet ter zake van extra studiekosten.. Nu deze betalingsverplichting voortvloeit uit de afspraken van partijen moet hiermee in de berekening van zijn draagkracht rekening worden gehouden.

Het hof zal - evenals de rechtbank - rekening houden met deze extra kosten in het kader van de hierna nog te berekenen draagkracht van de man. Partijen zijn nu eenmaal in het ouderschapsplan overeengekomen dat de man in het geval een opleiding door de kinderen wordt gevolgd die meer kost dan de gemiddelde kosten van een opleiding, bijvoorbeeld als gevolg van aangeschafte materialen, reiskosten en dergelijke, na overleg een extra bijdrage in deze kosten zal voldoen. De man heeft genoegzaam - met stukken - onderbouwd dat extra kosten door hem zijn voldaan en dat deze kosten over een langere periode gemiddeld € 93,- per maand bedroegen. De vrouw heeft de hoogte van het gemiddelde bedrag onvoldoende betwist. Dat de vrouw eenzelfde bijdrage zou leveren in de extra studiekosten doet niet aan af aan het feit dat aan de zijde van de man sprake is van een maandlast tot dit bedrag waarmee in het kader van de vaststelling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden. Nu de man niet heeft betwist dat de vrouw eenzelfde bedrag ter zake extra studiekosten voldoet, dient in het kader van een eventuele jusvergelijking wat betreft de financiële situaties van de man en de vrouw, aan de zijde van de vrouw wel met eenzelfde kostenpost voor de kinderen rekening te worden gehouden. De tweede grief van de vrouw faalt eveneens.

behoefte en behoeftigheid

5.7

De tweede grief van de man heeft betrekking op de behoefte/behoeftigheid van de vrouw. De man stelt dat de lotsverbondenheid afneemt na echtscheiding. De vrouw heeft geen beperking om betaalde arbeid te kunnen verrichten en er is geen sprake van een huwelijksgerelateerde achterstand op de arbeidsmarkt. Van belang is volgens de man verder dat de vrouw haar werkzaamheden tijdelijk - voor drie maanden - heeft uitgebreid bij een andere werkgever , zodat zij haar woning kon financieren. Het werkaanbod in de directe omgeving van de vrouw is toegenomen. De vrouw werkt slechts tweeëntwintig uur per week en het is een keuze van de vrouw om niet meer inkomen te willen genereren, aldus de man. Voorts kan [naam kind 1] gelet op zijn situatie bijdragen met een bedrag ter zake kost en inwoning. Subsidiair dient de behoefte van de vrouw slechts voor de helft in aanmerking te worden genomen omdat de vrouw zich onvoldoende inspant om meer inkomsten te verwerven. De man heeft voorts foto’s overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat de vrouw iedere vrijdag een gastenverblijf schoonmaakt te [plaats] . De vrouw dient open en eerlijk te zijn tegenover hem en tegenover haar werkgever over extra inkomsten die zij verwerft.

5.8

De vrouw betwist de stellingen van de man over haar behoefte en behoeftigheid. De werkgever waar zij enige tijd aanvullende werkzaamheden heeft verricht, had niet voldoende werk meer voor haar. Uit de door haar overgelegde verklaring van de gemeente waar zij werkzaam is, blijkt dat een uitbreiding van deze werkzaamheden niet mogelijk is. Zij kijkt wel rond voor aanvullende werkzaamheden, maar zelfs als zij ergens aangenomen wordt, dan moet nog worden bezien of het lukt om de aanvullende werkzaamheden te combineren met haar huidige werkzaamheden, die op onregelmatige tijdstippen worden uitgevoerd. Het is voor haar niet zinvol om een ander dienstverband te gaan zoeken, vanwege het hoge uurloon dat zij in haar huidige functie ontvangt. Zij heeft geen andere inkomsten dan haar salaris van de gemeente, behalve € 50,- per maand voor het schoonmaken van de toiletten op de markt, hetgeen dateert uit de tijd dat zij marktmeester was. De gemeente is van deze inkomsten op de hoogte. Gelet op het feit dat partijen pas vier jaar uit elkaar zijn en de echtelijke woning tot de zomer van 2016 nog niet verdeeld was, kan geen sprake zijn van een afname van de lotsverbondenheid. Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen dat zij de afgelopen jaren veel energie heeft moeten stoppen in de opvoeding van de kinderen, omdat de kinderen mede ten gevolge van de echtscheidingsperikelen kampten met problematiek. Zij legt een brief over van de chiropractor die verklaart dat zij te maken heeft gehad met stressklachten en de lichamelijke gevolgen daarvan.

5.9

Tussen partijen is niet in geschil dat de (aanvullende) behoefte van de vrouw ten tijde van de echtscheiding is vastgesteld op € 430,- per maand. De man heeft de stelling van de vrouw dat dit leidt tot een behoefte van € 741,- bruto per maand, niet betwist. De vrouw was ten tijde van de echtscheiding al werkzaam voor de gemeente.

5.10

De hoogte van de behoefte van de vrouw is gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Het hof passeert de stelling van de man dat de lotsverbondenheid afneemt na de echtscheiding. Volgens vaste jurisprudentie dient bij de vaststelling van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Enkel tijdsverloop sinds de beëindiging van het huwelijk is niet van invloed op de huwelijksgerelateerde behoefte; tijdsverloop kan uitsluitend gelden als een relevante bijkomende omstandigheid.

5.11

Van behoeftigheid van de vrouw is sprake als zij niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

Het hof passeert de stelling van de man dat [naam kind 1] aan de vrouw een bijdrage kan betalen voor kost en inwoning, nu tegenover een eventuele bijdrage ook feitelijke kosten staan die de vrouw voor hem heeft en bovendien ter zitting is gebleken dat [naam kind 1] weer zal starten met een opleiding.

Het hof is van oordeel dat de man zijn- door de vrouw betwiste - stelling dat de vrouw inkomsten verwerft met schoonmaakwerkzaamheden die niet worden geadministreerd en opgegeven niet aannemelijk heeft gemaakt. De feitelijke gegevens die de man ter nadere onderbouwing van die stelling heeft overgelegd zijn door de vrouw voldoende gemotiveerd betwist. Gelet op het opleidingsniveau van de vrouw en haar leeftijd is het begrijpelijk dat de vrouw in verband met haar relatief hoge uurloon haar huidige dienstverband wil voortzetten. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat zij haar uren bij de gemeente niet structureel kan uitbreiden en ook dat het weinig zinvol is om een andere baan te zoeken, omdat zij dan waarschijnlijk genoegen moet nemen met een veel lager uurloon, waardoor haar inkomen bij een uitbreiding van uren niet of nauwelijks tot een hoger inkomen zal leiden.

Het vorenstaande neemt echter niet weg dat zij slechts tweeëntwintig uur per week werkzaam is. Gebleken is dat het met de thans jongvolwassen kinderen van partijen inmiddels redelijk goed gaat. In het licht van haar situatie en van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt gedurende de afgelopen jaren, waardoor de mogelijkheden voor de vrouw om aanvullend werk te kunnen verrichten gunstiger zijn geworden, is het hof van oordeel dat het mogelijk moet zijn voor de vrouw om naast haar baan bij de gemeente enige aanvullende werkzaamheden te verrichten en dat zij daarmee haar inkomen kan verhogen, temeer omdat van de vrouw ook in het kader van de beoordeling van haar verzoek tot het vaststellen van een eventuele partneralimentatiebijdrage wordt verwacht dat zij zich tot het uiterste inspant om zoveel mogelijk zelf in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien.

Uit de onderbouwing van de stelling van de vrouw dat zij haar inkomen niet kan verhogen door meer uren te gaan werken, kan het hof niet afleiden dat zij alles in het werk gesteld heeft op dit punt. Aan die stelling wordt om die reden voorbij gegaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw naast haar huidige werk bij de gemeente bijvoorbeeld laaggeschoold werk in de zorg, de horeca of de schoonmaakbranche gedurende een gering aantal uren per week kan verrichten. Bovendien is uit de door de vrouw overgelegde inkomensgegevens 2018 gebleken dat zij af en toe extra werkzaamheden kan verrichten bij de gemeente in verband met incidenteel voorkomende evenementen of vervanging van een collega en dat dit tot substantiële extra inkomsten kan leiden. Verder zal het hof rekening houden met een bedrag van € 50,- netto per maand voor het reinigen van de sanitaire voorziening ten behoeve van de markt als extra inkomsten. Alles overziend, is het hof van oordeel dat de vrouw in redelijkheid in staat moet worden geacht haar inkomsten te verhogen met een bedrag van € 200,- netto per maand. Ten gevolge daarvan heeft zij geen behoefte meer aan een aanvullende bijdrage € 741,- bruto, maar nog slechts aan een bijdrage van € 250,- bruto per maand. Een partneralimentatie van € 741,- bruto per maand leidt voor de vrouw naast haar eigen huidige inkomen bij de gemeente - dat blijkens de jaaropgave 2017 € 21.027,- bruto bedroeg - tot een netto besteedbaar inkomen van circa € 1.925,- per maand. Een partneralimentatie van € 250,- bruto per maand en een extra netto inkomen van € 50,- plus € 200,- per maand leidt tot een vergelijkbaar netto besteedbaar inkomen.

Het hof is van oordeel dat de man naar draagkracht in de resterende huwelijksgerelateerde behoefte van € 250,- bruto per maand dient te voorzien. Aldus slaagt de tweede grief van de man gedeeltelijk.

draagkracht van de man

5.12

De man voert in zijn derde grief aan dat de rechtbank zijn draagkracht niet op de juiste wijze heeft berekend en de vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

5.13

Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de man kan worden gebaseerd op zijn inkomen zoals vermeld op de jaaropgave 2017. Het hof rekent daarom met een inkomen van € 41.801,- bruto per jaar aan de zijde van de man.

5.14

Rekening houdend met de lasten verbonden aan de woning en met de heffingskortingen, leidt dit tot een verschuldigde inkomensheffing van € 10.678,- en dan bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man in 2017 € 2.594,- per maand.

5.15

Voor de berekening van het draagkrachtloos inkomen moet rekening worden gehouden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de navolgende maandelijkse lasten:

- de woonlasten, bestaande uit de hypotheekrente van € 429,25 per maand, de aflossing van € 254,- per maand, de premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek van € 33,- en het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 221,- en de niet betwiste bijdrage van de partner van de man in de netto woonlasten van € 352,-;

- de premie ziektekostenverzekering inclusief de aanvullende verzekering van € 135,- te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie van € 40,- en ook zal rekening worden gehouden met het verplicht eigen risico van € 32,- omdat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk geconfronteerd wordt met deze kosten;

- de extra studiebijdrage voor de kinderen van € 93,-.

5.16

Het vorenstaande leidt tot een draagkrachtloos inkomen van € 1.445,- per maand en een draagkrachtruimte van € 1.149,- per maand. Daarvan is 60%, ofwel € 689,- beschikbaar voor alimentatieverplichtingen.

5.17

Het hof houdt, zoals hiervoor reeds vermeld, op dit bedrag de bijdrage voor [naam kind 1] en [naam kind 2] van € 132,12 per kind per maand in.

De rechtbank gaat daarbij aan de stellingen van partijen omtrent de zorgkorting, nu de man en de kinderen niet of nauwelijks contact met elkaar hebben gehad de afgelopen periode en de kinderen inmiddels beiden meerderjarig zijn.

5.18

Aldus gerekend heeft de man voldoende draagkracht om naast de bijdragen voor de kinderen een bruto bijdrage voor de vrouw te kunnen voldoen van € 250,- bruto per maand.

5.19

Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie in een betere financiële positie dan hij komt te verkeren, ziet het hof aanleiding een zogenaamde jusvergelijking te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met voormeld jaarinkomen van € 21.027,- bruto per jaar en de netto inkomsten bestaande uit € 50,- en € 200,- per maand. Voorts houdt het hof aan de zijde van de vrouw op dezelfde wijze als bij de man rekening met haar niet betwiste woonlasten, de norm voor een alleenstaande en haar ziektekostenverzekering en de extra kosten voor de kinderen van € 93,- per maand. De man heeft zijn stelling dat aan de zijde van de vrouw sprake is van een onredelijk hoge woonlast onvoldoende nader onderbouwd, terwijl uit de draagkrachtberekening volgt dat de vrouw een netto woonlast heeft van € 619,- per maand. Een dergelijk bedrag is naar het oordeel van het hof ten opzichte van de hoogte van haar inkomen niet onredelijk.

Uit de berekening blijkt dat de vrouw bij een partneralimentatie van € 250,- per maand zeker niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat er geen reden is dit bedrag te matigen.

De derde grief van de man faalt.

terugbetalingsverplichting

5.20

Het vorenstaande leidt er toe dat het hof de bestreden beschikking waarbij is bepaald dat de man met ingang van 19 juli 2017 een partneralimentatie van € 717,- per maand dient te voldoen, zal vernietigen en een partneralimentatie van € 250,- per maand zal vaststellen. Voor zover de man vanaf 19 juli 2017 meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan € 250,- per maand overweegt het hof als volgt. In het kader van de beoordeling van de ingangsdatum is reeds overwogen dat behoedzaam moet worden omgegaan met een terugbetalingsverplichting. Nu de man in de periode vanaf 19 juli 2017 tot heden voldoende draagkracht had voor de door de rechtbank vastgestelde bijdrage en niet is komen vast te staan dat de vrouw gedurende die periode extra inkomsten heeft verworven naast haar dienstverband bij de gemeente en voormelde vergoeding van € 50,- per maand voor de schoonmaakwerkzaamheden voor de markt, acht het hof het niet redelijk dat de vrouw de partneralimentatie die door de man is voldaan vanaf 19 juli 2017 voor zover deze de thans vast te stellen bijdrage van € 250,- per maand heeft overstegen, dient terug te betalen. Het moet er voor worden gehouden dat zij hetgeen door de man is voldaan van maand tot maand volledig heeft verbruikt. Daarom zal het hof beslissen dat de vrouw voor zover zij vanaf 19 juli 2017 teveel partneralimentatie heeft ontvangen, dit bedrag niet hoeft terug te betalen aan de man.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de eerste en de derde grief van de man. De tweede grief van de man slaagt gedeeltelijk. Dit leidt er toe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en zal beslissen als volgt.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de vrouw.

in het principaal en het incidenteel hoger beroep voorts

6.3

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van partijen alsook een jusvergelijking. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen zal aan deze beschikking worden gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 4 december 2017, en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 3 maart 2014 en het door beide partijen op 27 februari 2014 ondertekende echtscheidingsconvenant ten aanzien van de

bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 juli 2017 € 250,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw voor zover zij vanaf 19 juli 2017 tot heden ten titel van partneralimentatie teveel heeft ontvangen, dit bedrag niet aan de man hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.Th. Weijers-van der Marck, A. Smeeïng-van Hees en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 18 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.