Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8215

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
WAHV 200.202.899
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Heeft zich een reële mogelijkheid tot staandehouding voorgedaan? De betrokkene voert nadrukkelijk aan dat hij had moeten worden staande gehouden.

Anders dan de kantonrechter oordeelde, heeft de verbalisant geen verklaring gegeven over waarom hij niet tot staandehouding kon overgaan. Het hof acht het niet geraden om thans alsnog die nadere informatie op te vragen bij de verbalisant. Het wordt er daarom voor gehouden dat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 5 Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Het hof vernietigt de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.202.899

13 september 2018

CJIB 186670481

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 4 oktober 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)”, welke gedraging zou zijn verricht op
29 november 2014 om 16:30uur op de Monnikenweg te Geertruidenberg met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

2. De betrokkene voert aan dat de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht onjuist is. Ontkend wordt dat een ander voertuig met 80 km/h is ingehaald op de desbetreffende weg. Daarnaast stelt de betrokkene zich op het standpunt dat, mocht de bestuurder iets fout hebben gedaan, de verbalisant die bestuurder staande had kunnen en moeten houden. De betrokkene betreurt het dat de verbalisant wordt geloofd, terwijl diens verklaring niet klopt.

3. In zaken betreffende de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, dat hij op de onder 1. vermelde plaats, datum en tijd heeft gezien dat met het voertuig van de betrokkene een doorgetrokken streep is overschreden.

5. Nu niet wordt ontkend dat bij een inhaalmanoeuvre ter plaatse een doorgetrokken streep is overschreden, staat vast dat de gedraging is verricht. Gelet op het verweer van de betrokkene dient het hof voorts te beoordelen of er redenen zijn om de sanctie te vernietigen.

6. Artikel 5 van de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de sanctie met toepassing van artikel 5 van de Wahv is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting dienen te vragen (HR 14 maart 2000, VR 2000,148).

7. De kantonrechter heeft bij zijn beslissing van 4 oktober 2016 overwogen dat uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, nu de verbalisant in burger gekleed was en in een burgerauto reed. Uit de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht volgt dat de verbalisant heeft geconstateerd dat een achter hem rijdend voertuig hem inhaalde, "terwijl rapporteur in eigen auto 80 km/h reed." De kantonrechter heeft deze zinsnede klaarblijkelijk zo opgevat dat de verbalisant in zijn eigen auto, zijnde een burgerauto, reed. Het hof kan de kantonrechter hierin niet volgen, nu de verbalisant hiermee slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat het voertuig van de betrokkene met een snelheid van meer dan 80 km/h moet hebben gereden, nu de auto waarin hij reed 80 km/h reed en door voornoemd voertuig werd ingehaald. De verbalisant heeft verder niet aangegeven waarom hij niet tot staandehouding is overgegaan. Op grond van deze verklaring kan derhalve niet blijken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, terwijl het dossier ook overigens geen basis biedt voor een zodanige vaststelling. Hoewel de betrokkene dit verweer ook al in de fase van administratief beroep heeft gevoerd, is hieromtrent door zowel de officier van justitie, de kantonrechter als de advocaat-generaal geen nader onderzoek ingesteld. Het hof acht het niet geraden om thans alsnog nadere informatie op te (doen) vragen bij de verbalisant.

8. Nu op grond van de stukken niet blijkt dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, moet het ervoor worden gehouden dat de verbalisant ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv, door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd.

9. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep van de betrokkene gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking, vernietigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 186670481 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.