Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8126

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
200.196.517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moet de koper van een nog te bouwen woning of de verkoper/projectontwikkelaar de kosten van de aansluiting op de collectieve warmtepompinstallatie betalen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2018/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.196.517/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 3996327)

arrest van 11 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [kantoorplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. K.D.C. Schemkes te Tiel,

tegen:

[geïntimeerde 1] en

[geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [geïntimeerden] (in enkelvoud),

advocaat: mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 oktober 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de op 24 januari 2017 ten overstaan van de raadsheer- commissaris gehouden comparitie van partijen;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord, tevens grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met productie;

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het tussenvonnis van 7 oktober 2015 vastgesteld van welke feiten in dit geding wordt uitgegaan. Daartegen zijn geen grieven gericht, noch is tegen die vaststelling anderszins bezwaar gemaakt. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen daarom ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

2.1.1.

Bij overeenkomst van 10 december 2010 (hierna: de koopovereenkomst) heeft [geïntimeerden] van [appellant] een bouwkavel gekocht voor een prijs van € 192.860,-. De bouwkavel is gelegen te [plaats] in het project [adres 1] . De artikelen 20 en 23 van de koopovereenkomst (productie 1 bij inleidende dagvaarding) luiden als volgt (voor zover voor de beoordeling van belang):

" Artikel 20

(...)

2. Bij akte van juridische levering van de grond zullen de navolgende erfdienstbaarheden worden gevestigd:

a. (…)

b. In verband met de aanleg van een gemeenschappelijke verwarmingsvoorziening ten behoeve van bouwkavelnummers (...) verklaren partijen te zijn overeengekomen bij deze te vestigen en aan te nemen (...) de erfdienstbaarheid van buurtverwarming, inhoudende de verplichting voor de eigenaar van het dienend erf om te dulden, dat ten behoeve van vorenbedoeld systeem voorzieningen worden aangelegd, onderhouden en/of vervangen. Onder voorzieningen worden ten deze onder meer verstaan: buizen, sondes, kabels casu quo leidingen, kasten, installaties, putten en/of kelders op de plaatsen als nader door de aannemer te bepalen. Omtrent de plaats en wijze van eerste aanleg zal aannemer deze bepalen. (...)

(…)

5. De kosten voor het aansluiten van het warmtepompsysteem zijn voor rekening van de koper en bedragen maximaal € 10.000,= inclusief BTW prijspeil oktober 2009. (…)

6. Aangezien er geen gasaansluiting wordt gerealiseerd voor het verkochte moet ten behoeve van het warmtetap water een warmtepompboiler gekocht of geleased worden bij Ecomaat."

(...)

Aanvullende bepalingen

Artikel 23

1. Deze koopovereenkomst vormt tezamen met de tussen verkrijger en [bouwbedrijf] bouw en aanneming (onderdeel van [bouwbedrijf] ) gesloten aannemingsovereenkomst een onverbrekelijk geheel. (...)".

2.1.2.

Op dezelfde datum (10 december 2010) heeft [geïntimeerden] met [bouwbedrijf] (hierna: [bouwbedrijf] ) een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een huis met garage op de bouwkavel voor een aanneemsom van € 242.500,- inclusief btw. In artikel 3 van die overeenkomst (geciteerd op bladzijde 3 van de conclusie van antwoord) is opgenomen dat er naast de aanneemsom bijkomende kosten voor rekening van de opdrachtgever ( [geïntimeerden] ) komen. In de specificatie van die kosten is een post 'warmtepomp t.b.v. warmwater' opgenomen van € 2.000,- exclusief btw.

2.1.3.

In de als bijlage bij de aannemingsovereenkomst gevoegde technische omschrijving (productie 1 bij memorie van grieven) is vermeld (bladzijde 10 en 11):

"MECHANISCHE VENTILATIE/WARMTEPOMP:

- In de woning wordt toegepast een warmtepomp. Deze wordt geplaatst op de zolder.

- De badkamer, toilet en keuken worden mechanisch afgezogen en aangesloten op de warmtepomp. De warmtepomp gebruikt de aanwezige warme lucht om het water in de boiler te verwarmen voor huishoudelijk gebruik. (…)

(…)

- Het leveren en plaatsen van de warmtepomp ten behoeve van warmwater is opgenomen. (…)"

2.1.4.

Het huis is opgeleverd op 29 november 2011. [geïntimeerden] heeft zowel de termijnen van de aanneemsom als de bijkomende kosten betaald.

[bouwbedrijf] heeft aan [geïntimeerden] een factuur d.d. 23 september 2014 gezonden (productie 3 bij inleidende dagvaarding) voor een bedrag van € 9.389,60. Op de factuur is vermeld: "Hiermee brengen wij u de kosten in rekening voor het aansluiten van het warmtepompsysteem, welke wij nog niet eerder gefactureerd hebben (waarvoor onze excuses). (…)"

Op 18 februari 2015 heeft [bouwbedrijf] een creditnota gezonden en heeft [appellant] (in plaats van [bouwbedrijf] ) laatstgenoemd bedrag aan [geïntimeerden] in rekening gebracht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] vordert hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] ( [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) tot betaling van € 9.389,60 in hoofdsom, te vermeerderen met € 844,48 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten en met wettelijke rente.

[appellant] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom voortvloeit uit artikel 20 lid 5 van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. [geïntimeerden] is ondanks aanmaning in gebreke gebleven de desbetreffende factuur voor de aansluiting van zijn woning op het warmtepompsysteem (de collectieve warmtevoorziening) te voldoen, aldus [appellant] .

3.2.

[geïntimeerden] heeft betwist dat hij het gevorderde bedrag verschuldigd is. Hij heeft daartoe de volgende verweren gevoerd (kort weergegeven):

a. Voor zover de overeenkomst tussen [geïntimeerden] (een particulier) en [bouwbedrijf] (die handelt in de uitoefening van een bedrijf) ziet op de koop en installatie van een warmtepomp, bevat die overeenkomst kenmerken van zowel aanneming als van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW. Daarom is de korte verjaringstermijn van twee jaar ex artikel 7:28 BW van toepassing. Gelet op de datum van oplevering (29 november 2011) en de datum van de factuur (23 september 2014 dan wel 18 februari 2015) is de vordering verjaard.

b. Artikel 20 lid 5 behelst geen betalingsverplichting van [geïntimeerden] aan [appellant] . In het artikellid is alleen geregeld dat [geïntimeerden] en de aannemer ( [bouwbedrijf] ) met elkaar een overeenkomst aangaan voor het aansluiten van een warmtepomp en dat de kosten daarvan voor rekening van [geïntimeerden] komen. [bouwbedrijf] heeft het warmtepompsysteem aangelegd. [geïntimeerden] heeft de desbetreffende kosten, verdisconteerd in de aanneemsom, reeds aan [bouwbedrijf] betaald.

c. [geïntimeerden] betwist de hoogte van de vordering. De kosten zijn in de factuur van 23 september 2014 niet gespecificeerd, aldus [geïntimeerden] . Ook betwist [geïntimeerden] dat hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

3.3.

Bij het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen en beslist dat het beroep op verjaring niet opgaat. Volgens de kantonrechter ziet de koopovereenkomst niet op de koop van een roerende zaak en is de korte verjaringstermijn van twee jaar van artikel 7:28 BW daarom niet toepasselijk.

Voorts heeft de kantonrechter in dat vonnis overwogen (naar aanleiding van het in de vorige rechtsoverweging onder b weergegeven verweer van [geïntimeerden] ): "De kantonrechter begrijpt het verweer van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zo, dat zij gemotiveerd betwisten dat de werkzaamheden die [appellant] in rekening heeft gebracht aan [appellant] zijn opgedragen en door [appellant] zijn uitgevoerd." [appellant] is in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij de werkzaamheden waarop haar factuur van 18 februari 2015 ziet heeft uitgevoerd.

Na het nemen van aktes heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en de vordering van [appellant] afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd, alle gericht tegen het eindvonnis, en geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van haar vordering. De grieven I en II hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] niet heeft bewezen dat zij de werkzaamheden waarop de factuur van 18 februari 2015 ziet volgens overeenkomst heeft uitgevoerd. Met de overige grieven voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte de vordering heeft afgewezen (grief III) en [appellant] in de proceskosten heeft veroordeeld (grief IV).

In incidenteel appel heeft [geïntimeerden] voorwaardelijk, namelijk voor het geval het principaal appel slaagt, één grief aangevoerd. Met die grief in incidenteel appel betoogt [geïntimeerden] dat de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte zijn beroep op verjaring heeft verworpen.

Het hof overweegt als volgt.

5.2.

Het gaat in dit geding om de vraag of [appellant]  op wie ook naar het oordeel van het hof op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast rust – gerechtigd is tot betaling door [geïntimeerden] voor de werkzaamheden waarop haar factuur van 18 februari 2015 ziet. [appellant] heeft in eerste aanleg (punt 4 e.v. conclusie van repliek) en in hoger beroep (punt 10 e.v. memorie van grieven) uiteengezet dat er sprake is van twee systemen: een centraal systeem voor de levering van warmte door middel van een warmtepompinstallatie (ten behoeve van de verwarming van de woning), waarop ook de woning van [geïntimeerden] is aangesloten, en een individueel warmwatersysteem door middel van een boiler, teneinde de woning van warm (kraan)water te voorzien. Op de warmtepompinstallatie, voor de aanleg waarvan [appellant] verantwoordelijk is, ziet artikel 20 lid 5 van de koopovereenkomst. Op het warmwatersysteem, dat in opdracht van [geïntimeerden] door [bouwbedrijf] op zolder is geïnstalleerd, zien artikel 20 lid 6 van de koopovereenkomst en de (technische omschrijving bij) de aannemingsovereenkomst (waarin, aldus [appellant] , ongelukkigerwijs ook wordt gesproken van 'warmtepomp').

5.3.

Bij conclusie van dupliek (punt 3) en antwoordakte na tussenvonnis (punt 8) heeft [geïntimeerden] (aanvankelijk) betwist dat er sprake is van twee (verschillende) systemen. Het warmwatersysteem maakt volgens [geïntimeerden] onderdeel uit van het warmtepompsysteem, waarvan de aansluitkosten ten bedrage van € 2.000,- exclusief btw al door hem aan [bouwbedrijf] zijn betaald.

In hoger beroep betwist [geïntimeerden] niet langer dat er sprake is van twee systemen (punt 14 memorie van antwoord/grieven). Wel hangen de twee systemen volgens [geïntimeerden] zodanig met elkaar samen dat het ene systeem niet zonder het andere kan functioneren.

5.4.

De vraag hoe (artikel 20 van) de tussen partijen gesloten koopovereenkomst moet worden begrepen, dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex).

Nu in artikel 23 van de koopovereenkomst is bepaald dat die overeenkomst en de met [bouwbedrijf] gesloten aannemingsovereenkomst een onverbrekelijk geheel vormen, spelen ook de bepalingen van de aannemingsovereenkomst een rol bij de vraag hoe de koopovereenkomst moet worden uitgelegd. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

5.5.

In artikel 20 van de koopovereenkomst staat te lezen dat de kosten voor het aansluiten van het warmtepompsysteem (ten bedrage van maximaal € 10.000,- inclusief btw) voor rekening van [geïntimeerden] komen (lid 5) en voorts dat het aan [geïntimeerden] is (althans niet aan [appellant] ) om te zorgen voor een warmwatersysteem (lid 6). Dit volgt uit het feit dat het warmtepompsysteem een centraal systeem is waarop alle woningen binnen het desbetreffende woningbouwproject ( [adres 2] zijn aangesloten, in tegenstelling tot het warmwatersysteem dat in de afzonderlijke woningen is geïnstalleerd (i.c. op de zolder van [geïntimeerden] ). Door [geïntimeerden] is niet betwist dat [bouwbedrijf] alleen het warmwatersysteem heeft aangelegd. [appellant] heeft zorggedragen voor de aansluiting op het centrale warmtepompsysteem; [bouwbedrijf] heeft met dat systeem als zodanig niet van doen gehad.

Een en ander volgt uit de aannemingsovereenkomst en de daarbij als bijlage gevoegde technische omschrijving. Nu in die bijlage is vermeld dat de door [bouwbedrijf] te installeren warmtepomp op zolder zou worden geplaatst, kon en moest het [geïntimeerden] naar het oordeel van het hof duidelijk zijn dat met die 'warmtepomp' (alleen) het warmwatersysteem werd bedoeld en dat in de aannemingsovereenkomst niet (ook) is voorzien in de aansluiting van de woning op het collectieve warmtepompsysteem. Dit is in lijn met de leden 5 en 6 van artikel 20 van de koopovereenkomst, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de door [appellant] nog in rekening te brengen kosten voor het warmtepompsysteem (lid 5) en het door (de aannemer van) [geïntimeerden] zelf te realiseren warmwatersysteem.

De omstandigheid dat het warmwatersysteem, naar [geïntimeerden] heeft aangevoerd, technisch samenhangt met het warmtepompsysteem, brengt het hof niet tot een andere uitleg. Het is welhaast vanzelfsprekend dat beide op het warmwater van het huis gerichte systemen met elkaar technisch samenhangen maar daaruit volgt, mede in het licht van het voorgaande, niet dat [geïntimeerden] redelijkerwijs mocht verwachten dat een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij hij met de betaling van € 2.000,- (exclusief btw) voor de aansluitkosten aan [bouwbedrijf] ook de door [appellant] verrichte prestatie (de aansluiting op het warmtepompsysteem), waarvan de kosten maximaal € 10.000,- inclusief btw konden bedragen, zou hebben vergoed.

5.6.

De conclusie van het voorgaande is dat artikel 20 van de koopovereenkomst, mede in aanmerking genomen de zin die partijen aan dat artikel redelijkerwijs mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien mochten verwachten, redelijkerwijs niet anders kan worden begrepen dan dat [geïntimeerden] de verplichting op zich heeft genomen om de door [appellant] gemaakte kosten van de aansluiting van de woning van [geïntimeerden] op het warmtepompsysteem aan [appellant] te vergoeden.

5.7.

Als productie 9 bij akte na tussenarrest heeft [appellant] in het geding gebracht een deel van de overeenkomst die op 13 oktober 2010 is gesloten tussen [verzamelnaam bedrijven] (een samenwerkingsverband tussen de verschillende bouwbedrijven en ontwikkelaars) en [appellant] , strekkende tot verkoop van de desbetreffende percelen bouwgrond aan [appellant] . In artikel II lid 11 van die overeenkomst is bepaald: "Koper [ [appellant] ] en verkoper [ [verzamelnaam bedrijven] ] gaan ermee akkoord dat de bijdrage van de aansluitingskosten conform artikel II, lid 12, door Eco-maat [de energieleverancier] aan koper worden gefactureerd. De bijdrage van de aansluitkosten, evenals alle overige kosten op woningniveau aangaande de warmtelevering, zitten derhalve niet verwerkt in de koopsom. Alle termijnen worden rechtstreeks door Eco-maat B.V. (of haar rechtsopvolgers) aan de koper gefactureerd."

Op pagina 15 van deze overeenkomst zijn de door [appellant] aan [verzamelnaam bedrijven] te betalen aansluitkosten per woning op het warmtepompsysteem vermeld. Voor een woning als die van [geïntimeerden] bedragen de aansluitkosten € 7.750,- exclusief btw, inclusief btw (nagenoeg) het door [appellant] in hoofdsom gevorderde bedrag.

Niet valt niet in te zien, zoals door [geïntimeerden] gesteld, dat en waarom de in deze overeenkomst bedoelde aansluitkosten andere kosten zijn dan de in de koopovereenkomst bedoelde aansluitkosten. [geïntimeerden] heeft zijn desbetreffende stelling (punt 17 memorie van antwoord/grieven) niet dan wel onvoldoende toegelicht, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

5.8.1.

[geïntimeerden] heeft voorts aangevoerd (punt 21 memorie van antwoord/grieven) dat hij maandelijks vastrecht betaalt aan Exist Energy B.V. en dat in dat vastrecht reeds een vergoeding is begrepen voor de aansluitkosten van het warmtepompsysteem. [geïntimeerden] verwijst daartoe naar de koopovereenkomst, waarin onder kettingbedingen, punt 2, pagina 10, is vermeld dat Exist Energy B.V. investeringen doet teneinde de levering van warmte aan de tot het project behorende woningen mogelijk te maken en te waarborgen, welke investeringen onder meer bestaan uit het plaatsen en onderhouden van een warmtepompinstallatie, inclusief de meterset in de betreffende woning en alle benodigde leidingen en bronnering.

5.8.2.

Zoals [appellant] heeft aangevoerd, blijkt uit het desbetreffende beding evenwel niet dat in het door [geïntimeerden] aan Exist Energy te betalen vastrecht een vergoeding is begrepen voor de eenmalige aansluitkosten. Het beding regelt daarentegen de installatie zelf en het onderhoud ervan en de afschrijving erop.

5.9.

Gelet op het hiervoor overwogene wordt de stelling van [geïntimeerden] (punt 19 memorie van antwoord/grieven) dat hem voor ogen stond dat hij met [bouwbedrijf] contracteerde voor de aansluiting op het warmtepompsysteem, niet gerechtvaardigd door de bepalingen van de koopovereenkomst en de aannemingsovereenkomst, noch door de overige door [geïntimeerden] gestelde feiten en omstandigheden.

Ook het beroep van [geïntimeerden] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid gaat niet op. Dit beroep is onvoldoende onderbouwd met de enkele herhaling van de reeds verworpen stelling dat [geïntimeerden] erop mocht vertrouwen dat hij alle met de warmwatervoorziening samenhangende kosten al had voldaan aan [bouwbedrijf] .

5.10.

Gelet op het hiervoor overwogene slagen de grieven I en II in principaal appel. Vast is komen te staan dat de warmtepompinstallatie is geïnstalleerd en dat de woning van [geïntimeerden] daarop is aangesloten. Er dus voldaan aan de verplichting die correspondeert met de [appellant] op grond van artikel 20 van de koopovereenkomst toekomende vergoeding.

5.11.

Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep dienen thans de overige verweren van [geïntimeerden] tegen de vordering te worden beoordeeld. In zoverre is het incidenteel hoger beroep overbodig ingesteld.

5.12.1.

[geïntimeerden] doet een beroep op verjaring en voert daartoe aan dat de factuur van [appellant] van 18 februari 2015 betrekking heeft op de aankoop van een warmtepompboiler, een door [geïntimeerden] als particulier van een bedrijf ( [bouwbedrijf] ) gekochte roerende zaak en dat vorderingen tot betaling van de koopprijs bij een dergelijke consumentenkoop verjaren na twee jaar.

5.12.2.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat dit verweer niet kan slagen. Artikel 20 van de koopovereenkomst en de factuur van [appellant] waarvan in dit geding betaling wordt gevorderd hebben geen betrekking op de door [bouwbedrijf] geleverde en op de zolder van de woning van [geïntimeerden] geïnstalleerde boiler, maar op de aansluiting van de woning van [geïntimeerden] op de collectieve warmtepompinstallatie. Van koop en levering van een (roerende) zaak is in dit verband geen sprake. Dan is er dus geen sprake van een consumentenkoop en is de korte verjaringstermijn van twee jaar niet van toepassing.

5.13.1.

[geïntimeerden] heeft verder als verweer aangevoerd (punt 7 conclusie van dupliek) dat [appellant] de kosten niet heeft gespecificeerd en dat de vordering daarom moet worden afgewezen. Ook heeft [appellant] betwist dat hij gehouden is door [appellant] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden.

5.13.2.

Bij akte na tussenvonnis heeft [appellant] in het geding gebracht de overeenkomst tussen de gemeente [gemeente] , [verzamelnaam bedrijven] en Eco-Maat B.V. van 4 mei 2010 (productie 8) en een deel van de overeenkomst tussen [verzamelnaam bedrijven] en [appellant] van 13 oktober 2010 (productie 9). Uit die overeenkomsten (artikel 3.2.1 respectievelijk 12) volgen de tarieven die het desbetreffende energiebedrijf aan [verzamelnaam bedrijven] in rekening brengt voor de aansluiting van een woning op het collectieve warmtepompsysteem, corresponderend met het door [appellant] aan [geïntimeerden] in rekening gebrachte bedrag van € 9.389,60 inclusief btw. Nu [geïntimeerden] een en ander niet (gemotiveerd) heeft betwist, staat daarmee naar het oordeel van het hof vast dat [appellant] laatstgenoemd bedrag aan kosten heeft gemaakt en dat [geïntimeerden] op grond van artikel 20 van de koopovereenkomst gehouden is die kosten aan [appellant] te vergoeden.

5.13.3.

In de koopovereenkomst is geen termijn gesteld waarbinnen betaling diende plaats te vinden. De aansluiting op het warmtepompsysteem is bij [geïntimeerden] in rekening gebracht bij factuur van 23 september 2014 (productie 2 bij inleidende dagvaarding). Deze factuur is verstuurd door [bouwbedrijf] , niet door [appellant] . De daaropvolgende brieven/aanmaningen van 18 november 2014 en 5 december 2014 zijn ook door [bouwbedrijf] verzonden (productie 5 respectievelijk 6 bij inleidende dagvaarding). Deze factuur en brieven hebben naar het oordeel van het hof niet tot verzuim kunnen leiden, omdat deze niet door de schuldeiser ( [appellant] ) zijn verzonden, maar door een niet tot de betaling gerechtigde ( [bouwbedrijf] ).

Eerst bij brief van 18 februari 2015 (productie 7 bij inleidende dagvaarding) heeft [appellant] aanspraak gemaakt op betaling van het in hoofdsom gevorderde bedrag. Daarbij is [geïntimeerden] een termijn van 14 dagen gesteld om tot betaling over te gaan. Betaling heeft niet binnen die termijn plaatsgevonden, zodat het verzuim 14 dagen nadien is ingetreden. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] [geïntimeerden] nadien nog heeft aangemaand.

5.12.4.

Nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden, is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing. Gelet op artikel 6:96 lid 6 BW worden consumenten (zoals [geïntimeerden] ) de incassokosten eerst verschuldigd 14 dagen nadat zij ná intreden van het verzuim zijn aangemaand en de aanmaning vruchteloos is gebleven (lid 6). Het enkele versturen van de brief van 18 februari 2015 door [appellant] (de ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:81 BW die tot verzuim heeft geleid) heeft derhalve niet tot verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten geleid. Grief III, gericht tegen de afwijzing van de nevenvorderingen van [appellant] , faalt derhalve voor zover het de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten betreft.

5.13.5.

Wel is de vordering tot betaling van wettelijke rente toewijsbaar, en wel vanaf de datum waarop het verzuim is ingetreden (14 dagen na verzending van de brief van 18 februari 2015).

5.14.

Grief IV in principaal appel, gericht tegen de door de kantonrechter uitgesproken kostenveroordeling, slaagt. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld.

6 De slotsom

6.1

De grieven I, II en IV in principaal appel slagen, evenals grief III in principaal appel maar enkel voor zover die ziet op de betaling van wettelijke rente. Grief III in principaal appel faalt voor het overige.

De voorwaardelijke grief in incidenteel appel faalt. Het hof zal het bestreden eindvonnis vernietigen en het door [appellant] in hoofdsom gevorderde bedrag (€ 9.389,60) alsnog toewijzen. Wettelijke rente over dat bedrag zal het hof toewijzen vanaf 4 maart 2015 (14 dagen nadat [appellant] de brief van 18 februari 2015 heeft verzonden), op welke dag verzuim is ingetreden.

6.2

Zoals gezegd zal het hof [geïntimeerden] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 81,10 ter zake van explootkosten, € 466,- ter zake van griffierecht en € 750,- ter zake van salaris gemachtigde.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 80,95 ter zake van explootkosten, € 718,- ter zake van griffierecht en € 759,- (1 punt x tarief I) ter zake van salaris advocaat. Voor een kostenveroordeling met betrekking tot het incidenteel appel is geen reden omdat het in dat appel aan de orde gestelde punt door de devolutieve werking in het principaal hoger beroep reeds aan de orde is gekomen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Arnhem (rechtbank Gelderland) van 16 maart 2016 en doet opnieuw recht:

veroordeelt geïntimeerden ( [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) hoofdelijk, in die zin dat de een betalende de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, om aan [appellant] te betalen € 9.389,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot de voldoening;

veroordeelt geïntimeerden ( [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) hoofdelijk, in die zin dat de een betalende de ander voor het betaalde bedrag zal zijn bevrijd, in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.297,- en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.558,-;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, R.A. van der Pol en R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.