Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8065

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
200.243.080/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale bevoegdheid. Ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis). Minderjarige verblijft bij grootvader in Duitsland. In tegenstelling tot de rechtbank acht het hof de Nederlandse rechter wel bevoegd. Minderjarige heeft een grotere sociale binding met Nederland dan met Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.243.080/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/123269 / JE RK 18-279)

beschikking van 6 september 2018

inzake

de gecertificeerde instelling:
Stichting Legers des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

kantoorhoudend te Utrecht,
verzoekster,

verder te noemen: de GI,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] , ingeschreven te [B] ,
verweerster,

verder te noemen: de moeder,
advocaat mr. G. Altena te Arnhem.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de vader] ,
wonende te [A] ,
verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 10 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de GI met productie(s), ingekomen op 24 juli 2018;
- het verweerschrift van de moeder met productie(s);
- brieven met bijlagen van de GI van 27 juli 2018, 15 augustus 2018 en 17 augustus 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn namens de GI mw. [C] (juriste) en mw. [D] (gezinsvoogd), de moeder en haar advocaat, de vader en voorts als informant de heer [E] (de grootvader van de hierna genoemde minderjarige [de minderjarige] ).

3 Feiten en achtergronden

3.1

Uit de affectieve relatie van partijen is [in] 2017 geboren de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

De ouders oefenen sinds 16 juni 2017 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. Beide ouders hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.3

De raad is na een zorgmelding van de gemeente Overbetuwe op 22 februari 2017 (waar de moeder destijds woonde) een onderzoek gestart naar de opvoedingssituatie van de toen nog ongeboren [de minderjarige] , waarvan de bevindingen zijn neergelegd in raadsrapporten van 29 mei 2017 en 13 juni 2017. Uit de rapporten blijken de nodige zorgen over [de minderjarige] en de ouders. [de minderjarige] is 'verslaafd' geboren als gevolg van middelengebruik van de moeder, en bij de ouders is een afwerende houding naar hulpverlening geconstateerd, naast de nodige sociaal-emotionele problematiek en een belaste voorgeschiedenis van de ouders.

3.4

Bij mondelinge beschikking van 23 april 2017, in het openbaar uitgesproken op
24 april 2017, is door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op mondeling verzoek van de raad, gevolgd door een verzoekschrift, de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uitgesproken met ingang van 23 april 2017 tot 23 juli 2017 en is voorts machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend voor [de minderjarige] met ingang van 23 april 2017 voor de duur van vier weken, onder aanhouding van de beslissing voor het overige. [de minderjarige] is op grond van die maatregelen kort na zijn geboorte in een pleeggezin ondergebracht.

3.5

De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg zijn vervolgens meerdere keren voor relatief korte perioden door de kinderrechterrechter verlengd bij beschikking van 3 mei 2017 (samen met de beschikking van 24 april 2017 bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 13 juli 2017), 21 juli 2017 en 11 oktober 2017, waarbij de kinderrechter de noodzaak van nader onderzoek naar de mogelijkheden van een plaatsing van [de minderjarige] bij de ouders en/of hun netwerk heeft benadrukt. Op 6 november 2017 heeft de raad in dit verband een aanvullend rapport uitgebracht waaruit onder meer blijkt dat de GI inmiddels inzette op een netwerkplaatsing van [de minderjarige] bij grootvader (mz) in Duitsland maar dat daarvoor nog een formele screening nodig was via de Duitse autoriteiten. De raad was van mening dat zolang de screening nog niet was afgerond de (neutrale) pleeggezinplaatsing van [de minderjarige] bleef aangewezen.

3.6

Bij beschikking van 11 december 2017 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend, meer in het bijzonder in een voorziening voor pleegzorg bestaande uit het netwerkgezin van de grootvader (mz) en de stiefmoeder, met ingang van 7 december 2017 tot uiterlijk 23 januari 2018, onder de overweging dat voldoende is gebleken dat niet met plaatsing van [de minderjarige] kan worden gewacht totdat het screeningsonderzoek is afgerond.

3.7

Op 22 december 2017 is [de minderjarige] feitelijk overgeplaatst vanuit het pleeggezin, waar hij de eerste acht maanden van zijn leven heeft verbleven, naar zijn grootvader (mz) in Duitsland waar [de minderjarige] tot op heden verblijft. Grootvader woont in [F] op ongeveer vijftien kilometer van [A] , waar de ouders van [de minderjarige] wonen. Ter zitting van het hof hebben de ouders en grootvader toegelicht dat de ouders [de minderjarige] vrijwel dagelijks bezoeken bij grootvader en dat [de minderjarige] ongeveer een weekend per maand naar zijn grootmoeder in [B] gaat.

3.8

Bij mondelinge uitspraak van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van
19 januari 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (het hof begrijpt: netwerkpleeggezin) verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 23 juli 2018.

3.9

De moeder heeft zich in maart 2018 weer in laten schrijven in [B] op het adres van haar moeder. De GI heeft zich vervolgens tot de rechtbank Noord-Nederland gewend. Ter zitting heeft de moeder toegelicht dat zij de inschrijving in [B] om financiƫle redenen heeft gedaan, en dat haar werkelijke woonplaats [A] is.

3.10

Bij inleidend verzoekschrift van 20 juni 2018, ingekomen bij de rechtbank Noord-Nederland op 21 juni 2018, heeft de GI verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar (tot 23 juli 2019) te verlengen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf gedurende dag en nacht in een netwerkgezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.11

In de bestreden beschikking van 10 juli 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland zich onbevoegd verklaard van het voormelde verzoek van de GI kennis te nemen onder de overweging dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Duitsland is bij de grootvader en dat de Nederlandse rechter daarom geen rechtsmacht (meer) toekomt.

4
4. De omvang van het geschil

4.1

De GI verzoekt het hof in het beroepschrift om de bestreden beschikking te vernietigen, omdat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard

4.2

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Aan de orde is (allereerst) de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van het inleidend verzoek van de GI.

5.2

Omdat het in dit geval gaat om kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter te worden beoordeeld aan de hand van de hoofdregel van artikel 8 lid 1 van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis).

5.3

Uitgangspunt is dat de internationale bevoegdheid op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis wordt beoordeeld op grond van de gewone verblijfplaats van het kind, en wel op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt (artikel 8 lid 1 jo. artikel 16 sub a Brussel II-bis). De bevoegdheid dient daarbij in iedere (vervolg)procedure zelfstandig te worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van indiening van het inleidend verzoekschrift, in dit geval 21 juni 2018 (vgl. ECLI:NL:HR:2014:443).

5.4

Gelet op het autonome karakter van de Europese rechtsorde waartoe ook Brussel II-bis behoort, heeft de rechtbank in de bestreden beschikking voor de uitleg van het begrip 'gewone verblijfplaats' terecht verwezen naar de criteria die het Hof van Justitie van de Europese Unie daarvoor in zijn jurisprudentie heeft gegeven. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat het begrip 'gewone verblijfplaats' een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt en dat dit dient te worden beoordeeld aan de hand van onder meer de duur en regelmatigheid van het verblijf van het kind, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind en de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind. Het hof voegt hieraan toe dat ook andere factoren van belang zijn zoals de nationaliteit van het kind, de plaats van inschrijving en de bedoeling van de gezagsdragers (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY7753 en JBF 2014/36 en 2014/61).

5.5

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat deze factoren in het onderhavige geval niet de conclusie kunnen dragen dat [de minderjarige] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had bij zijn grootvader. Het hof neemt in aanmerking dat [de minderjarige] nog zeer jong is, dat hij de eerste acht maanden van zijn leven in Nederland heeft verbleven (dus ten tijde van indiening van het verzoek het grootste deel van zijn leven) en dat de plaatsing van [de minderjarige] bij grootvader klaarblijkelijk als een tijdelijke oplossing was bedoeld in afwachting van nader onderzoek naar het perspectief van [de minderjarige] . Het gaat hier om kinderbeschermingsmaatregelen die naar hun aard tijdelijk zijn. In hoger beroep is daarbij gebleken dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de aard en bestendigheid van het verblijf van [de minderjarige] bij de grootvader, dat het perspectief van [de minderjarige] nog niet vast staat en dat tevens nog onduidelijkheid bestaat over de wens en de bedoeling van de ouders. Zo hebben de ouders enerzijds aangegeven dat zij graag zelf de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich willen nemen maar anderzijds ook dat zij voorbereidingen aan het treffen zijn om naar Duitsland te verhuizen (waarbij nog niet vast staat of dat gaat lukken). De GI heeft op haar beurt enerzijds toegelicht dat de GI ook de mogelijkheid van een plaatsing bij de ouders in Nederland niet uit wil sluiten (en dat daar nog nader onderzoek naar gedaan zal worden) en anderzijds dat de Duitse autoriteiten inmiddels bereid zijn gebleken de screening van de netwerkplaatsing bij grootvader ter hand te nemen (die aanvankelijk wegens verzuim van vormen was geweigerd). Voor het hof is verder van belang dat grootvader vlak over de grens woont op ongeveer vijftien kilometer van [A] en dat het sociale leven van [de minderjarige] (en grootvader) voornamelijk op Nederland lijkt te zijn georiƫnteerd. Grootvader heeft toegelicht dat hij regelmatig naar Nederland gaat. De grootmoeder waar [de minderjarige] regelmatig logeert woont in [B] , het voormalige pleeggezin van [de minderjarige] woont in Nederland en ook de ouders wonen in Nederland. De voertaal binnen de familie is daarbij Nederlands en [de minderjarige] heeft -evenals zijn ouders- de Nederlandse nationaliteit. Naar het oordeel van het hof heeft [de minderjarige] in deze omstandigheden een grotere sociale binding met Nederland dan met Duitsland. Al deze factoren in onderlinge samenhang bezien leiden het hof tot de conclusie dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek op 21 juni 2018 in Nederland was.

5.6

Een en ander brengt mee dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-bis geen rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek van de GI. De bestreden beschikking kan daarom niet in stand blijven. Artikel 76 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de rechter die in hoger beroep een beschikking van een lagere rechter, waarbij deze zich onbevoegd had verklaard wegens ontbreken van rechtsmacht, vernietigt, de zaak naar deze lagere rechter verwijst om op de hoofdzaak te worden beslist, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de rechter in beroep de zaak aan zich houdt. Omdat partijen niet beiden hebben aangegeven te wensen dat in beroep een uitspraak wordt gedaan zal het hof de zaak verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland om op de hoofdzaak te beslissen. Het is daarbij aan de rechtbank om te bepalen welke Nederlandse rechtbank overeenkomstig artikel 265 Rv bevoegd is.

Slotoverweging
5.7 Voor zover ter zitting door de GI is verzocht om de voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige uit te spreken dan wel een voorlopige voorziening (ex artikel 223 RV) van die strekking te treffen, ziet het hof daarvoor geen aanleiding nu dat verzoek pas ter zitting van het hof in hoger beroep en alleen mondeling is ingediend en daarnaast het spoedeisend belang niet nader is onderbouwd. De GI heeft zich in dit verband desgevraagd jegens het hof uitgelaten in de strekking dat de GI zich geen zorgen maakt over de situatie van [de minderjarige] bij grootvader.

6
6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 10 juli 2018;

verwijst de zaak naar die rechtbank om opnieuw te beslissen op het inleidend verzoek van de GI met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, G. Jonkman en C. Koopman, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 6 september 2018 in het openbaar uitgesproken.