Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8057

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
200.227.968/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. Ouders zijn dusdanig verblind geraakt en vast komen te zitten in bepaalde patronen, dat zij feitelijk geen rekening houden met de behoeften van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.227.968/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/109892 / FA RK 15-909)

beschikking van 4 september 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.B. Rietberg te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 7 oktober 2015 en 16 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 november 2017;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Deetman van 6 december 2017 met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 13 december 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Deetman van 19 december 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Deetman van 4 januari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Deetman van 3 juli 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Rietberg van 4 juli 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben van 2004 tot augustus 2009 een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [in] 2008 geboren [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). [de minderjarige] is door de man erkend. De moeder oefent van rechtswege alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. Sinds het uiteengaan van partijen woont [de minderjarige] bij de moeder en de grootmoeder (mz).

3.2

Vanaf 2010 tot heden hebben talloze juridische procedures tussen de ouders plaatsgevonden over het gezag over en de omgang met [de minderjarige] . De raad heeft in dat verband diverse onderzoeken uitgevoerd.

3.3

Van medio 2013 tot eind 2015 is er sprake geweest van een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

3.4

Vanaf februari 2015 bestond er een omgangsregeling waarbij [de minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot en met zaterdag 18.00 uur bij de vader verbleef, en waarbij het halen en brengen door een tussenpersoon werd gedaan.

3.5

Bij inleidend verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 21 april 2015, heeft de vader verzocht - voor zover hier van belang - om een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] eens in de veertien dagen van vrijdag uit school (de vader haalt [de minderjarige] van school) tot maandag (de vader brengt [de minderjarige] naar school) bij de vader verblijft en waarbij tijdens de vakanties de partner van de vader [de minderjarige] op vrijdag om 10.00 uur zal ophalen bij het werk van de moeder en op maandag om 12.00 uur naar het werk van de moeder zal brengen, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht.

De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.6

Bij beschikking van 7 oktober 2015 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen en mevrouw drs. [C] (verder te noemen: de deskundige) tot deskundige benoemd. Uit het deskundigenbericht van 13 juli 2016 blijkt - kort gezegd - dat de ouders in een langdurige en bittere strijd verwikkeld zijn waardoor [de minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ouders zijn niet meer in staat in het belang van [de minderjarige] te handelen. De deskundige heeft de ouders verschillende opties aangereikt met betrekking tot de omgangsregeling, maar de ouders hebben geen overeenstemming bereikt.

3.7

De raad heeft vervolgens op verzoek van de rechtbank onderzoek verricht naar de vraag welke omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader het meest tegemoet komt aan de belangen van [de minderjarige] . Uit het raadsrapport van 7 april 2017 komt het volgende naar voren. De raad heeft geen contra-indicaties gezien voor omgang tussen [de minderjarige] en de vader van eens per twee weken van vrijdag na school tot maandagmorgen naar school, met als wisselplaats de school. Aangezien de raad veel zorgen heeft over het ontbreken van duidelijkheid over (on)mogelijkheden van de ouders ten aanzien van een veilig en onbelast contact van [de minderjarige] met beide ouders en aangezien de omgangsmomenten in ieder geval voorafgaand en na afloop ervan beladen verlopen voor [de minderjarige] , adviseert de raad echter voorlopig een omgang vast te stellen van eens per vier weken een weekend van vrijdag na school tot maandagmorgen naar school, met als wisselplaats de school.

Na dit advies zijn er ontwikkelingen geweest op grond waarvan de raad zijn advies heeft heroverwogen en heeft gewijzigd. Het gewijzigde advies van de raad houdt in een beperktere omgangsregeling onder begeleiding van [D] vast te stellen, bij voorkeur op een lange vrije middag, een en ander afhankelijk van de vrijwilliger van [D] , waarbij het prettig zou zijn dat dit de frequentie krijgt die [de minderjarige] nu kent in de contacten met de vader. De redenen hiervoor zijn dat is gebleken dat [de minderjarige] , bij wie mogelijk sprake is van achterliggende kindproblematiek, erg klem zit tussen beide ouders, dat er nog geen duidelijkheid is over de vermeende mishandeling van [de minderjarige] door de vader, dat [de minderjarige] nog geen passende hulp heeft en dat begeleide omgang de zorgen over de veiligheid bij de moeder hopelijk zal doen afnemen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 16 augustus 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat [de minderjarige] één weekend per vier weken, van vrijdagmiddag uit school tot maandagmorgen naar school, bij de vader verblijft. Overigens heeft de rechtbank bepaald dat de moeder de vader één keer per drie maanden via de mail dient te voorzien van informatie over belangrijke aangelegenheden betreffende [de minderjarige] . De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de vakantieregeling. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking aan te vullen en te bepalen:

- primair: dat [de minderjarige] gedurende de (school)vakantie en feestdagen en margedagen, alsook de overige vrije dagen van school, de helft van deze dagen bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt bij de winkel van de moeder en de moeder [de minderjarige] ophaalt bij de winkel van de vader;

- subsidiair: dat [de minderjarige] gedurende de (school)vakantie en feestdagen en margedagen, alsook de overige vrije dagen van school, de helft van deze dagen bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt bij de winkel van de moeder en de vader [de minderjarige] terugbrengt bij de winkel van de moeder;

- meer subsidiair: dat gedurende de (school)vakantie en feestdagen en margedagen, alsook de overige vrije dagen van school, de huidige omgangsregeling doorloopt met dien verstande dat de regeling start op vrijdag 10.00 uur en eindigt op maandag 10.00 uur, waarbij [de minderjarige] gehaald en gebracht wordt door [E] dan wel twee andere derden die bekend zijn bij de moeder;

- dan wel een zodanige vakantieregeling (inclusief halen en brengen) te bepalen als het hof juist acht.

4.3

De moeder voert verweer in principaal hoger beroep en verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel zijn beroep af te wijzen en de bestreden beschikking voor zover de moeder het met de inhoud eens is in stand te laten.

De moeder is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op de omgangsregeling. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking met betrekking tot de omgangsregeling te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat er een (voorlopig) begeleide omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader wordt vastgesteld conform het advies van de raad, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, alsmede de vader te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep en in eerste aanleg.

4.4

De vader voert verweer in incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de verzoeken van de moeder in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling van het hof ligt de vraag voor of - conform het verzoek van de vader - de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling dient te worden voortgezet met daarbij een uitbreiding in die zin dat de vakanties en de feestdagen bij helfte worden verdeeld, of dat - conform het verzoek van de moeder - een regeling dient te worden bepaald waarbij de omgang tussen de vader en [de minderjarige] wordt beperkt en plaatsvindt onder begeleiding van [D] .

5.2

Ter zitting heeft het hof met de ouders de mogelijkheid besproken om persoonlijkheidsonderzoeken door het NIFP te laten uitvoeren, maar gebleken is dat de ouders hier niet beiden achter kunnen staan. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat er thans duidelijkheid komt over de omgangsregeling. Het hof merkt hierbij op dat wanneer de moeder en/of de vader zelf een persoonlijkheidsonderzoek wil(len) laten uitvoeren, het diegene vanzelfsprekend vrijstaat dit alsnog te doen.

5.3

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat de door de rechtbank bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling wordt voortgezet en dat die wordt uitgebreid met een standaard-vakantieregeling, inhoudende - conform het primaire verzoek van de vader - dat [de minderjarige] ook de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft.

In het door de moeder aangevoerde ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat een dergelijke omgangsregeling schadelijk zou zijn voor de ontwikkeling van [de minderjarige] .

De omgangsregeling waarbij [de minderjarige] eens per vier weken een weekend bij de vader verblijft, wordt inmiddels een jaar uitgevoerd door de ouders. Zowel de moeder als de vader heeft ter zitting verklaard dat deze omgangsregeling veel meer rust heeft gegeven, in ieder geval wat betreft het halen en brengen van [de minderjarige] door de vader op school.

Bovendien hebben de betrokken hulpverleners geen zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader geconstateerd. Ook de deskundige heeft in haar rapport van 13 juli 2016 geconcludeerd dat zij bij de huisbezoeken aan beide ouders heeft gezien dat [de minderjarige] zich bij beide ouders op zijn gemak voelt en dat beide ouders hem een goede verzorging en opvoeding lijken te kunnen bieden binnen hun eigen gezinssysteem. De raad heeft, zo wordt in het raadsrapport van 7 april 2017 vermeld, evenmin contra-indicaties gezien voor een reguliere omgangsregeling met als wisselplaats de school. Het hof volgt de raad niet in de aangevoerde redenen die voor de raad hebben geleid tot het gewijzigde advies, zoals hiervoor onder 3.7 vermeld. Het hof is van oordeel dat zolang de ouders op ouderniveau blijven strijden, [de minderjarige] klem zal blijven zitten tussen beide ouders, ongeacht welke omgangsregeling zal gelden. Het ligt daarom eerder op de weg van de ouders om op ouderniveau hun onderlinge conflicten op te lossen, zodat [de minderjarige] weer met beide ouders onbelast contact kan hebben.

Ook acht het hof niet aannemelijk dat begeleide omgang de zorgen van de moeder over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader zal doen afnemen. De moeder heeft aangevoerd dat [de minderjarige] extreme driftbuien vertoont die een gewelddadig karakter kennen en waarbij hij doodswensen uit voor zichzelf en de ouders. De vader heeft daarentegen verklaard dat [de minderjarige] dit gedrag niet vertoont wanneer hij bij hem verblijft. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat - en dit heeft de moeder desgevraagd bevestigd - [de minderjarige] al ongeveer tien jaar in een situatie zit waarbij de ouders blijven strijden en de moeder zich zorgen maakt over het gedrag van [de minderjarige] . De moeder heeft ook verklaard dat [de minderjarige] dit gedrag al (in steeds sterkere mate) vertoont sinds hij ongeveer vijf jaar oud is. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende gebleken dat een wijziging van de omgangsregeling de zorgen van de moeder over het gedrag en de veiligheid van [de minderjarige] zal doen verminderen.

Daarbij komt dat de moeder desgevraagd heeft verklaard dat zij geen hoger beroep zou hebben ingesteld wanneer de vader geen hoger beroep zou hebben ingesteld over de vakantieregeling. Zij had in dat geval de uitvoering van de door de rechtbank bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling voortgezet en het verloop van de hulpverlening van [F] willen afwachten.

Het hof ziet gezien het voorgaande geen aanleiding om - zoals door de moeder verzocht - het verzoek van de vader om een (standaard)vakantieregeling vast te stellen af te wijzen en om een reguliere regeling vast te stellen waarbij de omgang tussen de vader en [de minderjarige] begeleid dient plaats te vinden.

5.4

Op grond van het bovenstaande zal het hof het primaire verzoek van de vader in hoger beroep toewijzen en de verzoeken van de moeder in incidenteel hoger beroep afwijzen. De subsidiaire verzoeken van de vader behoeven daarom geen bespreking meer. Het hof geeft de ouders in overweging om - zo nodig onder begeleiding van [G] , die al eerder betrokken is geweest - in onderling overleg een concreet schema te maken waaruit blijkt wanneer [de minderjarige] bij de vader verblijft, zodat er voor alle betrokkenen duidelijkheid is.

5.5

Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [G] - dat begin 2018 onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van een zorgmelding van de moeder over de situatie van [de minderjarige] tijdens de omgang met de vader - de beslissing van het hof in de onderhavige procedure afwacht. Het hof geeft [G] in overweging om het onderzoek te heropenen en de uitvoering van de omgangsregeling door de ouders te begeleiden en te volgen. Indien [de minderjarige] door de uitvoering van de omgangsregeling nog meer klem zou raken tussen de ouders, kan [G] passende maatregelen nemen.

5.6

Het hof geeft [G] daarbij verder in overweging om aandacht te besteden aan het volgende. De deskundige concludeert in het bericht van 13 juli 2016 onder meer dat de ouders dusdanig verblind zijn geraakt en vast zijn komen te zitten in de in het deskundigenbericht beschreven patronen, dat zij feitelijk geen rekening houden met de behoeften van [de minderjarige] . De ouders zijn ook niet meer in staat om bij de uitvoering van de omgangsregeling rekening te houden met elkaar en met de belangen van [de minderjarige] . Zij bevinden zich in de derde fase van de escalatieladder en kunnen niet meer objectief denken en handelen, waardoor zij ook geen oog hebben voor elkaars en [de minderjarige] belang. Zij denken beiden te denken en handelen vanuit het belang van [de minderjarige] , maar feitelijk is dit niet het geval aangezien [de minderjarige] veel mee krijgt van de spanningen en conflicten tussen hen en er niet eens een normale overdracht mogelijk is, terwijl juist dat voor een kind erg belangrijk is.

Het hof acht bovenstaande conclusies, die weliswaar dateren van 2016 maar nog steeds actueel zijn, zeer zorgelijk en acht het nog zorgelijker dat de ouders, zo hebben zij desgevraagd ter zitting verklaard, zich beiden niet herkennen althans zich niet kunnen vinden in de hiervoor omschreven conclusies van de deskundige.

Daarnaast acht het hof het zeer zorgelijk dat de moeder, zo is in hoger beroep gebleken, een hulpverlener heeft ingeschakeld ( [F] ), zonder de vader hierbij te betrekken. De moeder heeft desgevraagd verklaard dat de hulpverlener alleen nog maar een plan van aanpak heeft opgesteld en dat zij de vader nog zal gaan betrekken in het hulpverleningstraject. Het hof betwijfelt echter of dit daadwerkelijk zal gebeuren nu voor het hof onduidelijk is gebleven waarom de vader niet in het betreffende plan van aanpak wordt vermeld. In dat plan van aanpak wordt als primaire steungroep van [de minderjarige] de moeder en de grootmoeder (mz) vermeld.

Het hof wijst de ouders en de betrokken hulpverlening er verder op dat - anders dan in voornoemd plan van aanpak van [F] wordt vermeld - [de minderjarige] wanneer hij twaalf jaar of ouder is niet zelf mag kiezen of hij al dan niet naar de vader gaat: wanneer de ouders niet onderling overeenstemming bereiken over de omgangsregeling, zal de rechter - nadat [de minderjarige] in de gelegenheid is gesteld om zijn mening hierover kenbaar te maken - beslissen of, en zo ja, welke omgangsregeling dient te worden vastgesteld. [de minderjarige] mag dus op twaalfjarige leeftijd niet ‘kiezen’, maar slechts zijn mening kenbaar maken, waarna het de rechter is die

- met inachtneming van alle overige factoren die van belang zijn - beslist welke regeling het meest in het belang van [de minderjarige] geacht wordt.

Verder is uit het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat het de kennelijke bedoeling van de moeder is om een pgb aan te vragen voor de in te zetten hulpverlening door [F] . Het hof wijst de betrokkenen er op dat uit alle stukken duidelijk naar voren komt dat de zorgen over [de minderjarige] voortkomen uit het conflict op ouderniveau en niet op kindniveau. Het is dus aan de ouders om hulp te zoeken voor hun eigen problematiek en ervoor te zorgen dat zij als ouders van [de minderjarige] kwesties over [de minderjarige] kunnen regelen; indien zij als ouders van [de minderjarige] op behoorlijke wijze met elkaar kunnen omgaan, zal er geen hulpverlening voor [de minderjarige] nodig zijn, althans zal de noodzaak hiertoe minder zijn: [de minderjarige] is vooral gebaat bij een stabiele situatie zonder strijd tussen de ouders.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 16 augustus 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover daarbij is bepaald dat [de minderjarige] één weekend per vier weken, van vrijdagmiddag uit school tot maandagmorgen naar school, bij de vader verblijft;

stelt met ingang van 4 september 2018 de volgende vakantieregeling vast:

[de minderjarige] verblijft gedurende de helft van de (school)vakanties en feestdagen en margedagen, alsook de overige vrije dagen van school, bij de vader, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt bij de winkel van de moeder en de moeder [de minderjarige] ophaalt bij de winkel van de vader;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en C. Koopman, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 4 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.