Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8013

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
200.235.568
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming tot erkenning afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.235.568

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 427071)

beschikking van 6 september 2018

inzake

[verzoeker] ,

verblijvende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H. Durdu te Rotterdam,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.M. Sent te Amsterdam,

en

mr. A.C. Otten,

kantoorhoudende te Bussum, gemeente Gooise Meren,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 maart 2018;

- het verweerschrift van de vrouw met producties;

- het verweerschrift van de bijzondere curator;

- een journaalbericht van de bijzondere curator van 5 juli 2018 met een bijlage.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 juli 2018 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de vrouw is haar advocaat verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [vertegenwoordiger RvdK] verschenen. Voorts is de bijzondere curator verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de vrouw is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] geboren [kind] (verder ook te noemen: [kind] ), over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent. De man is de biologische vader van [kind] . De vrouw heeft de man geen toestemming gegeven om [kind] te erkennen.

3.2

De vrouw en [kind] hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Sudanese nationaliteit.

3.3

[kind] woont sinds zijn geboorte bij de vrouw.

3.4

De rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, heeft de man bij vonnis van 12 december 2016 onder andere wegens poging tot doodslag, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd en poging tot zware mishandeling, telkens gericht tegen de vrouw en/of de toen nog ongeboren [kind] , veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan
zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde een verbod om met de vrouw en [kind] contact te (laten) leggen.
De man heeft aanvankelijk hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar dit hoger beroep ingetrokken.

3.5

De man is gedetineerd en heeft geen contact meer met de vrouw. [kind] en de man hebben elkaar nog nooit gezien.

3.6

De man is bij besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verder te noemen: de staatssecretaris) van 23 juni 2008 ongewenst verklaard. Bij besluit van de staatssecretaris van 21 augustus 2012 is de man een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar. De Dienst Terugkeer & Vertrek heeft de man medegedeeld dat hij op 19 juni 2018 Nederland wordt uitgezet. De feitelijke uitzetting heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [kind] afgewezen.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [kind] alsnog wordt toegewezen, kosten rechtens.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen.

4.4

De bijzondere curator voert ook verweer en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep dan wel zijn grieven ongegrond en/of onbewezen te verklaren.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1

Allereerst is de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning, nu de man de Sudanese nationaliteit heeft.

5.2

Deze vraag kan niet worden beantwoord aan de hand van de EG-Verordening 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II-bis), aangezien deze verordening op grond van artikel 1 lid 3 aanhef en sub a niet van toepassing is op de vaststelling en ontkenning van familierechtelijke betrekkingen. Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV 1996) is evenmin van toepassing op de vaststelling en ontkenning van familierechtelijke betrekkingen, op grond van artikel 4 aanhef en sub a HKV 1996.

5.3

De vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter dient derhalve te worden beantwoord aan de hand van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het verzoek tot vervangende toestemming betreft een afstammingskwestie waarop de bevoegdheidsregel van artikel 3 Rv van toepassing is. Artikel 3 Rv bepaalt, voor zover in de onderhavige zaak van belang, dat in zaken die bij verzoekschrift worden ingeleid, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden, in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

5.4

Gelet op het hiervoor overwogene is de Nederlandse rechter bevoegd van het onderhavige verzoek kennis te nemen, omdat de vrouw en [kind] ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift hun woonplaats in Nederland hadden (in welke situatie geen verandering is opgetreden).

5.5

Nu de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft, is, ongeacht het ingevolge artikel 10:95 lid 1 BW toepasselijke recht, op grond van artikel 10:95 lid 3 BW op de toestemming van de vrouw tot de erkenning het Nederlandse recht van toepassing. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.

Inhoudelijke beoordeling

5.6

Ingevolge artikel 1:204 lid 3 aanhef en onder a BW kan onder andere de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is.

5.7

Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [kind] . Bij het beantwoorden van de vraag of aan hem vervangende toestemming tot erkenning moet worden verleend, komt het aan op een afweging van belangen van de betrokkenen. Daarbij dient tot uitgangspunt te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de verwekker bij de totstandkoming van een rechtens erkende familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat hierdoor de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt als de toestemming zou worden verleend.

Van schade aan de belangen van het kind kan slechts sprake zijn indien er ten gevolge van de erkenning reële risico’s zijn voor het kind dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te geven, dat het nodig heeft. Enige weerstand van de kant van de moeder is onvoldoende om het verzoek af te kunnen wijzen. Bij de afweging van de belangen dient mede in aanmerking te worden genomen dat het noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is.

5.8

Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt met betrekking tot de aanspraak van, in dit geval, [kind] en de man op erkenning van hun familierechtelijke betrekking, brengt mee dat het aan de vrouw is om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de belangenafweging dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de man.

5.9

De vrouw stelt dat indien [kind] wordt erkend, zij in grote psychische problemen komt die tot gevolg kunnen hebben dat [kind] in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling wordt belemmerd. Zij voert daartoe onder meer het volgende aan. De man is onherroepelijk veroordeeld voor misdrijven gericht tegen het leven van zowel de vrouw als van (de toen nog ongeboren) [kind] , met als bijzondere voorwaarde een contactverbod. De man heeft op geen enkele wijze blijk doen geven van enig gevoel van spijt of berouw. Bovendien heeft de man niet willen meewerken aan een onderzoek door het Pieter Baan Centrum, met als gevolg dat gedragsdeskundigen niet hebben kunnen vaststellen in welke mate de strafbare feiten te wijten zijn aan een ziekelijke stoornis die behandeling noodzakelijk maakt. Hierdoor is bij de vrouw een reële angst ontstaan voor de man. Door een gedragsdeskundige van Psytrec is vastgesteld dat bij de vrouw sprake was van een posttraumatische stressstoornis, als gevolg van de door de man gepleegde levensdelicten. De vrouw is hiervoor behandeld, maar dat betekent niet dat er geen sprake meer is van reële angst voor de man. De vrouw is nog steeds heel erg bang dat de man [kind] iets zal aandoen. De man heeft in het verleden meermalen gedreigd: “Ik geen kind, jij geen kind”. De man heeft, nu hem is medegedeeld dat hij Nederland zal worden uitgezet, niets meer te verliezen. De reële angstgevoelens van de vrouw hebben reeds nu hun weerslag op [kind] . Toen de geheime woonplaats van de vrouw abusievelijk in het verweerschrift in eerste aanleg was opgenomen, heeft de vrouw uit angst voor de man een urgentieverklaring gevraagd om te kunnen verhuizen. De vrouw maakt zich grote zorgen om de vreemdelingrechtelijke aspecten van de erkenning. Met erkenning staat de deur open naar een verzoek tot omgang en daarmee ook naar de mogelijkheid tot het aanvragen van een verblijfsvergunning. Het voeren van een reeks aan rechtszaken over mogelijke omgang zal bij de moeder tot grote onrust leiden, die direct zijn weerslag zal hebben op [kind] .

5.10

De man stelt dat het in het belang van [kind] is dat het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning wordt toegewezen, omdat [kind] recht heeft op een objectieve documentatie van zijn afstammingsgegevens. De man betwist dat er ten gevolge van de erkenning reële risico’s zijn voor [kind] dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De man wijst erop dat de vrouw niet (meer) in behandeling is en geen medicijnen gebruikt. Voorts volgt volgens de man uit eerdere uitspraken van het hof in vergelijkbare zaken dat een (bewezen) strafbaar feit niet in de weg hoeft te staan aan erkenning en dat de gestelde negatieve gevolgen van erkenning voor het kind duidelijk aangetoond dienen te worden. De enkele verwijzing van de vrouw naar de strafrechtelijke veroordeling is volgens de man onvoldoende.

5.11

De bijzondere curator en de raad hebben zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van de man moet worden afgewezen wegens de bij de vrouw te verwachten stress waardoor zij niet meer in staat zal zijn [kind] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft.

5.12

Het hof acht op grond van de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling aannemelijk dat de erkenning van [kind] door de man veel angst en spanning bij de vrouw zal veroorzaken. Deze gevoelens hebben een reële achtergrond, nu de man zich ten tijde van de relatie met de vrouw richting haar én (de toen nog ongeboren) [kind] gewelddadig heeft gedragen. De man heeft, toen de vrouw zwanger was, gedurende een langere periode verscheidene malen tegen haar gezegd dat hij haar en hun ongeboren kind wilde doodmaken. Hij heeft ook daadwerkelijk geprobeerd om (de toen nog ongeboren) [kind] van het leven te beroven door hard tegen de buik van de vrouw te trappen en op haar buik te gaan staan. Daarnaast heeft hij de keel van de vrouw met kracht dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden. De man is voor deze feiten onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan slechts zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, zoals blijkt uit het door de vrouw overgelegde vonnis. [kind] en de man hebben nooit contact met elkaar gehad. Dat maakt deze zaak wezenlijk anders dan de zaken die tot de namens de man aangehaalde uitspraken hebben geleid. Gezien voornoemde strafrechtelijke veroordeling, de aan deze veroordeling ten grondslag liggende feiten en omstandigheden en hetgeen door de vrouw verder is gesteld en door de man onvoldoende is betwist, in het bijzonder over de behandeling voor haar posttraumatische stressstoornis, de aanvraag voor een urgentieverklaring om te verhuizen en de vreemdelingrechtelijke aspecten van de erkenning, zoals onder 5.9 door de vrouw aangevoerd, zijn er naar het oordeel van het hof voldoende zwaarwegende aanwijzingen dat door de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [kind] worden geschaad en er ten gevolge van de erkenning reële risico’s voor [kind] zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Het belang van de man om vervangende toestemming te verkrijgen om [kind] te erkennen weegt daar niet tegen op. Bij het voorgaande betrekt het hof ook dat de raad en de bijzondere curator van mening zijn dat geen vervangende toestemming moet worden verleend.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Gelet op de familierechtelijke aard van de zaak, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren zoals hierna zal worden vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 december 2017;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, R. Feunekes en H. Phaff, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink als griffier, en is op 6 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.