Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:8012

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
200.235.174
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag. Aanvaardbare termijn. 1:266 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.235.174

(zaaknummer rechtbank Gelderland 331752)

beschikking van 6 september 2018

inzake

raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en

[De moeder] ,

verblijvende te [woonplaats] bij Iriszorg,
verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.P.F. Tummers te Nijmegen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 januari 2018 (verder: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 maart 2018;

- het verweerschrift met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 augustus 2018 plaatsgevonden. Namens de raad is [medewerker Rvdk] verschenen. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen. Aan

[begeleidster Iriszorg] , begeleidster bij Iriszorg en [maatschappelijk hulpverlener Iriszorg] , maatschappelijk hulpverlener bij Iriszorg, is bijzondere toegang verleend.

3 De feiten

3.1

Op [geboortedatum] 2018 is [kind] (verder: [kind] ) geboren te [woonplaats] . De moeder is alleen belast met het gezag over haar.

3.2

Bij beschikking van 19 januari 2018 heeft de kinderrechter [kind] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI van 19 januari 2018 tot 19 april 2018 en machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 16 februari 2018.

3.3

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de kinderrechter (voor zover thans van belang) [kind] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 april 2018 tot 26 januari 2019 en machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 26 april 2018. De kinderrechter heeft het verzoek van de raad tot gezagsbeëindiging afgewezen.

3.4

[kind] verbleef tot 19 januari 2018 in het Radboudziekenhuis en verblijft sinds

19 januari 2018 in een crisispleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

De raad is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven hebben betrekking op de afwijzing van de door de raad verzochte beëindiging van het gezag van de moeder. De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking op dat punt te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, het gezag van de moeder over [kind] alsnog te beëindigen en de GI te belasten met de voogdij.

4.2

De moeder voert daartegen verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, het hoger beroep af te wijzen en de raad te veroordelen in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4

De raad voert aan dat de rechtbank bij haar beslissing onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [kind] .

Gelet op de leeftijd van [kind] is het van belang dat er snel duidelijkheid komt over haar opvoedperspectief. Een gezagsbeëindigende maatregel draagt bij aan die duidelijkheid.

5.5

De moeder voert daartegen aan dat pas tot gezagsbeëindiging kan worden overgegaan indien dit nog de enige optie is. Zij meent dat haar onvoldoende de mogelijkheid is geboden om tot hechting met en tot opvoeding van [kind] te komen. Zij is bereid daarbij hulpverlening te aanvaarden.

5.6

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Het hof overweegt als volgt.

Tijdens de zwangerschap vormde de psychische problematiek en de levensstijl van de moeder een gevaar voor de toen nog ongeboren [kind] . Er was sprake van psychoses, harddrugsgebruik, prostitutie en de moeder leidde een zwervend bestaan. Zij is daarom in die periode met een machtiging opgenomen geweest bij ProPersona, waar zij op zeker moment is weggelopen en onder invloed is teruggekeerd, waarmee zij het leven van de ongeboren [kind] (opnieuw) in gevaar heeft gebracht.

De problematiek van de moeder is na de geboorte van [kind] niet veranderd. Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij nog steeds harddrugs (cocaïne) gebruikt en dat zij op dit moment geen ander onderdak heeft dan bij de (nacht)opvang van Iriszorg. Voorts is ter mondelinge behandeling gebleken dat de moeder binnenkort opnieuw met een machtiging zal worden opgenomen in een ggz-instelling.

Niet weersproken is dat de moeder zonder langdurige (gedwongen) hulpverlening niet in staat is weerstand te bieden aan haar verslaving. Evenmin is weersproken dat naast de verslavingsproblematiek sprake is van ernstige psychosociale problemen en gedragsproblemen. Ook die problemen vergen intensieve behandeling die tijd kost.

Als baby heeft [kind] nodig dat haar verzorgers bij haar aansluiten, voorspelbaar zijn en haar een stabiele opvoedsituatie kunnen bieden met rust en regelmaat. De moeder is niet in staat te voorzien in deze basale behoeften van [kind] .

De problematiek van de moeder is van dien aard dat haar binnen afzienbare termijn geen kans kan worden geboden om te laten zien dat zij voor [kind] kan zorgen. Op dit moment is er niet of nauwelijks contact tussen de moeder en [kind] . De moeder heeft meegedeeld moeite te hebben met het fysieke contact met [kind] . Gezien de ernst van de problematiek van de moeder komt de moeder ook niet in aanmerking voor plaatsing in een moeder-kind-huis.

Voor zover de aanvaardbare termijn van artikel 1:266 BW niet reeds geheel is verstreken, acht het hof de moeder ook niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [kind] binnen een voor [kind] nog aanvaardbaar te achten termijn op zich te nemen. [kind] kan, met het oog op haar ontwikkelingstaken, niet in onzekerheid blijven of de moeder na een voor haar problematiek noodzakelijke en langdurige behandeling zelf in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor haar opvoeding en verzorging te dragen. Gelet op de nog (zeer) jonge leeftijd van [kind] is het in haar belang dat op korte termijn duidelijk is waar haar opvoedperspectief ligt, zodat een zo veilig mogelijke hechting door middel van pleegzorg kan worden gewaarborgd.

5.7

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [kind] de stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder te beëindigen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 januari 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

beëindigt het gezag van [De moeder] over [kind] ,

geboren op [geboortedatum] 2018 te [woonplaats] ;

belast de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland gevestigd te Nijmegen met de voogdij over [kind] voornoemd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, A. Smeeïng-van Hees en

I.G.M.T. Weijers-van der Marck en is op 6 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.