Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7979

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
200.216.146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade aan bedrijfspand toegebracht door krakers. Geen onrechtmatig handelen van de gemeente. Anti-kraakbewoning. Handhavend optreden tegen krakers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.216.146

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, C/05/296929)

arrest van 4 september 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant 1] B.V .,

gevestigd te ‘ [kantoorplaats] ,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

advocaat: mr. M. van Weeren,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Nijkerk,

zetelend te Nijkerk,

gedaagde,

advocaat mr. W.J.E. van der Werf.

Appellante sub 1 zal hierna [appellant 1] , appellant sub 2 [appellant 2] en appellanten gezamenlijk zullen (in enkelvoud) [appellanten] worden genoemd. Geïntimeerde wordt met de Gemeente aangeduid.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen 20 april 2016 en 9 november 2016 die de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht, locatie Arnhem) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 25 januari 2017;

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- de schriftelijke pleitnota van de zijde van [appellanten] ;

- de schriftelijke pleitnota van de zijde van de Gemeente.

2.2

Vervolgens heeft [appellanten] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellanten] vordert in het hoger beroep - samengevat - een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor haar (onrechtmatig) handelen, althans voor een door het (bedoeld zal zijn:) hof te bepalen gedeelte van de schade alsmede een veroordeling van de Gemeente tot het betalen van schadevergoeding op de maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide procedures en veroordeling tot terugbetaling aan [appellant 1] van al hetgeen zij op grond van het bestreden vonnis heeft betaald/door de Gemeente zal zijn verhaald, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van voormeld vonnis van 9 november 2016, die hierna voor de overzichtelijkheid worden weergegeven.

3.2

[appellant 2] is de bestuurder van [appellant 1] , een onderneming die actief is in de onroerendgoedbranche. [appellant 1] is sinds oktober 2005 eigenaar van een voormalig kantoorpand van een farmaceutische groothandel (hierna: het pand), gelegen op een bedrijventerrein in [kantoorplaats] . Het desbetreffende perceel heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming “bedrijventerrein”. Er mag in het pand niet gewoond worden.

3.3

De vorige eigenaar had op 28 april 2005 van het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: B&W) vanwege een dreiging dat het pand zou worden gekraakt, op grond van artikel 15 Leegstandswet een vergunning verkregen tot het tijdelijk verhuren van het pand als woonruimte voor zes maanden, tot 1 november 2005 en een woonvergunning op grond van artikel 60 Woningwet (oud) en de mededeling dat ingebruikneming van het pand ten behoeve van woondoeleinden in afwijking van het bestemmingsplan zou worden gedoogd (productie 3 bij conclusie van antwoord).

3.4

Na 1 november 2005 zijn huurders in het pand blijven wonen.

3.5

Op 6 februari 2006 heeft [appellant 1] aan de Gemeente toestemming gevraagd voor het (nogmaals) tijdelijk verhuren van het pand als woonruimte (productie 3 bij inleidende dagvaarding).

3.6

Die toestemming is geweigerd bij brief van B&W van 26 juni 2006, met als motivering dat er in april 2005 toestemming was verleend voor zes maanden vanwege een directe dreiging van kraken (en het pand ook al eerder was gekraakt), zodat er pas één jaar na leegstand, dus pas na 1 november 2006, weer gekraakt zou mogen worden (productie 4 bij inleidende dagvaarding). Van een directe kraakdreiging was daarom in de ogen van B&W geen sprake, waardoor er geen noodzaak bestond bewoning toe te staan. Feitelijk werd het pand op dat moment echter nog steeds bewoond door antikraakhuurders.

3.7

Bij brief van 17 oktober 2006 heeft de Gemeente [appellant 1] verzocht de met de bestemming strijdige bewoning van het pand te beëindigen (productie 5 bij inleidende dagvaarding). [appellant 1] heeft daaraan gehoor gegeven.

3.8

Vervolgens is het pand op enig moment gekraakt. Eind 2007 ontving de Gemeente hierover klachten van omwonenden. De krakers veroorzaakten overlast en woonden het pand uit.

3.9

Een aantal krakers heeft zich in de basisadministratie van de Gemeente op dit adres laten registreren.

3.10

Op 24 december 2010 is het pand op last van de Gemeente vanwege onveiligheid gesloten voor de duur van drie maanden. Het sluitingsbesluit is bij besluit van 21 maart 2011 verlengd met negen maanden tot 24 december 2011 omdat het pand nog steeds gevaarlijk werd geacht (productie 25 bij conclusie van antwoord).

3.11

Op 25 oktober 2012 hebben burgemeester en wethouders een voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang aan [appellant 1] bekend gemaakt (productie 26 bij conclusie van antwoord). Dit omdat tijdens controles was gebleken dat zich in en rond het pand veel afval, wrakken en afgedankte voorwerpen bevonden, het pand door het ontbreken van ruiten en deuren toegankelijk was en geconstateerd was dat weer een of meer personen in het pand woonden. [appellant 1] is tot 9 november 2012 de gelegenheid geboden de geconstateerde overtredingen te beëindigen. Vervolgens is op 21 november 2012 aan [appellant 1] een last onder bestuursdwang opgelegd, waaraan [appellant 1] niet heeft voldaan. Daarop is tussen 18 december 2012 en 31 december 2012 door de Gemeente uitvoering gegeven aan het bestuursdwangbesluit. De kosten ad € 26.234,77 heeft de Gemeente bij besluit van 19 februari 2013 bij [appellant 1] in rekening gebracht (productie 32 bij conclusie van antwoord). Na bezwaar en beroep is die claim uiteindelijk afgewezen. [appellant 1] heeft niet hoeven betalen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant 1] heeft in eerste aanleg - samengevat - een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente aansprakelijk is voor haar (onrechtmatig) handelen, althans dat de Gemeente aansprakelijk is voor een door de rechtbank te bepalen deel van de schade, welke schade nader is op te maken bij staat, althans de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de schade, een en ander vermeerderd met rente en kosten, proceskosten daaronder begrepen.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 9 november 2016 de vorderingen van [appellant 1] afgewezen, omdat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door - kort gezegd - geen toestemming te verlenen voor het verhuren van het pand als woonruimte om te voorkomen dat het pand gekraakt zou worden en evenmin door aan te dringen op beëindiging van de verhuur in plaats van het bewonen door huurders te gedogen. Het uitoefenen van bestuursdwang op grond van voormeld besluit van 21 november 2012 is volgens de rechtbank evenmin onrechtmatig. Dat de Gemeente daarbij schade aan het pand heeft aangebracht, is door [appellant 1] onvoldoende onderbouwd, zodat ook die grond de Gemeente niet aansprakelijk is.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellant 1] is onder aanvoering van 15 grieven, die zich deels voor gezamenlijke behandeling lenen, tegen voormeld oordeel van de rechtbank opgekomen.

5.2

In de kern genomen stelt [appellant 1] dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door:

( i) destijds de voormalig eigenaar van het pand geen toestemming te geven voor

antikraakbewoning voor 2 jaar, overeenkomstig het ontwerpbesluit;

(ii) [appellant 1] geen toestemming te geven tot verlenging/vernieuwing van de antikraakbewoning en over het risico van kraken onjuiste informatie te verschaffen;

(iii) van [appellant 1] te eisen dat de antikraakbewoning zou eindigen en deze niet te gedogen;

(iv) niet tijdig adequaat en handhavend op te treden tegen de illegale toestand en de verstoring van de openbare orde veroorzaakt door de krakers;

( v) de ontruiming van het pand op 12 december 2010 onzorgvuldig uit te voeren, zodat er schade aan het pand is ontstaan.

Deze handelwijzen van de Gemeente leveren volgens [appellant 1] ieder op zich, maar zeker in combinatie met elkaar een onrechtmatige daad van de Gemeente jegens [appellant 1] op, zodat zij aansprakelijk is voor de door [appellant 1] geleden schade.

ad (i)

5.3

Volgens [appellant 1] had de Gemeente destijds - bij besluit van 28 april 2005 - aan de voormalig eigenaar van het pand toestemming moeten verlenen voor antikraakbewoning voor de duur van twee jaar, te weten tot 1 mei 2007 (conform het advies aan het college van B&W, productie HB-2 bij memorie van grieven) in plaats van zes maanden, dus tot 1 november 2005. Door de antikraakbewoning voor slechts zes maanden toe te staan, heeft de Gemeente het risico genomen dat het pand binnen die twee jaar zou worden gekraakt, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt.

5.4

Het betoog van [appellant 1] faalt, reeds omdat [appellant 1] geen belanghebbende was bij voornoemd besluit van 28 april 2005, waarmee toestemming is gegeven aan de voorganger van [appellant 1] voor antikraakbewoning gedurende een half jaar. Ten tijde van het nemen van het besluit was [appellant 1] geen eigenaar van het pand zodat, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet valt in te zien waarom dit besluit jegens [appellant 1] onrechtmatig zou zijn. Het enkele feit dat [appellant 1] nadat zij in oktober 2005 eigenaar van het pand was geworden, had kunnen ‘meeliften’ op de vergunning die haar voorganger had gekregen tot het tijdelijk verhuren van het pand als woonruimte en het pand dus niet medio 2007 kon worden gekraakt (zo begrijpt het hof de stelling van [appellant 1] ), is onvoldoende om te oordelen dat de Gemeente door het besluit de belangen van [appellant 1] heeft geschonden, waardoor zij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

ad (ii)

5.5

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft het college van B&W het verzoek van [appellant 1] om het pand tijdelijk te mogen verhuren afgewezen. Dit besluit heeft de volgende inhoud:

Op 6 februari heeft u het verzoek gedaan om een gedeelte van het bedrijfspand tijdelijk te mogen verhuren voor bewoning. Wij hebben besloten geen medewerking te verlenen aan uw verzoek om onderstaande reden:

Op 26 april 2005 heeft het college besloten om voor 6 maanden tijdelijke bewoning van een gedeelte van het bedrijfspand aan de [adres] toe te staan. Op dat moment was er sprake van een directe bedreiging door krakers, aangezien het bedrijfspand al eerder gekraakt was. Om het kraken te voorkomen is voor een periode van 6 maanden het besluit genomen voor tijdelijke bewoning. Het kraken kan pas weer plaatsvonden vanaf 1 jaar na leegstand (in dit geval na 1 november 2006). Aangezien er geen directe dreiging is van kraken is het tijdelijk toestaan van bewoning niet noodzakelijk.

Anders dan [appellant 1] betoogt is deze brief te kwalificeren als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De brief behelst een afwijzing van de aanvraag van [appellant 1] om het pand tijdelijk te mogen verhuren voor bewoning. Van een besluit ingevolge de Awb is sprake wanneer een bestuursorgaan een schriftelijke beslissing inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling geeft. In dit geval heeft het college van B&W de aanvraag van [appellant 1] afgewezen. Deze beslissing heeft voor [appellant 1] dan ook het rechtsgevolg dat bewoning na 1 november 2005 niet meer is toegestaan. Het feit dat in het besluit geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen, leidt anders dan [appellant 1] aanvoert, slechts tot een verschoonbare termijnoverschrijding als de ontvanger te laat een rechtsmiddel tegen het besluit zou aanwenden, maar heeft niet tot gevolg dat geen sprake is van een besluit (artikel 6:11 Awb en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 mei 2001, BR 2002/1).

Dat [appellant 1] had moeten begrijpen dat de brief van 26 juni 2006 ondanks haar informele vormgeving een besluit was, baseert het hof ook op het feit dat de brief van 28 april 2005, waarover [appellant 1] blijkens haar brief van 6 februari 2006 beschikte, onmiskenbaar een besluit is, nu daarin een vergunning ex artikel 15 Leegstandswet, een woonvergunning ex artikel 60 Woningwet (oud) en een gedoogbeschikking tot gebruik van het pand in strijd met het bestemmingsplan zijn verstrekt. Daaraan doet niet af dat ook in die brief de rechtsmiddelenclausule ontbreekt. Omdat [appellant 1] in haar brief van 6 februari 2006 een vervolgbeslissing aanvroeg op het besluit van 28 april 2005, had zij moeten begrijpen dat ook de brief van 26 juni 2006 een besluit bevatte.

[appellant 1] heeft tegen dit besluit geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aangewend hoewel daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, zodat dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen. Het beginsel van de formele rechtskracht brengt mee dat het hof ervan dient uit te gaan dat dit besluit zowel wat haar wijze van totstandkoming als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Door de formele rechtskracht staat de rechtmatigheid van het besluit vast, dus ook de risicoanalyse die de Gemeente ten aanzien van het kraken heeft gemaakt. De formele rechtskracht heeft immers ook betrekking op de inhoud van het besluit. Omdat [appellant 1] had moeten begrijpen dat de brief van 26 juni 2006 een besluit bevatte, alsmede er geen andere in de rechtspraak erkende uitzondering aanwezig was, is er geen reden om in dit geval een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht te aanvaarden.

Dat [appellant 1] zich niet bij dit besluit heeft ‘neergelegd’, zoals zij stelt, is gelet op het voorgaande niet van belang.

5.6

[appellanten] heeft ook nog aangevoerd dat de Gemeente haar onjuiste informatie heeft verstrekt door in de brief van 26 juni 2006 op te nemen dat er geen sprake was van een krakersrisico, waarmee zij [appellant 1] op het verkeerde been heeft gezet hetgeen aansprakelijkheid doet ontstaan.

Dit betoog faalt omdat de reden die de Gemeente voor de afwijzing heeft gegeven - geen krakersrisico - niet als informatieverstrekking kan worden beschouwd. Informatie wordt rondom een besluit gegeven, terwijl het hier gaat om informatie dat onderdeel is van het besluit, te weten de motivering ervan, en daarmee onder het bereik van de formele rechtskracht valt.

ad (iii)

5.7

[appellanten] stelt zich op het standpunt dat de Gemeente heeft aangedrongen op de beëindiging van de antikraakbewoning in plaats van die te gedogen, terwijl zij de krakers in 2008 niet eens heeft verzocht de bewoning te beëindigen. Nu de door de Gemeente verstrekte informatie over het krakersrisico achteraf ook nog onjuist bleek te zijn, heeft de Gemeente in strijd met de zorgvuldigheid, het beginsel van fair play, de belangenafwegingsplicht, en daarmee onrechtmatig gehandeld.

5.8

Van onrechtmatig handelen van de Gemeente is naar het oordeel van het hof geen sprake. Gelet op het ontbreken van een woonbestemming voor het pand en het feit dat was besloten niet nogmaals tijdelijke huur toe te staan (bij besluit van 26 juni 2006 waaraan formele rechtskracht moet worden toegekend), lag het in de rede dat de Gemeente uitvoering aan dat (rechtmatige) besluit gaf door aan te sturen op beëindiging van de verhuur tot bewoning toen zij ontdekte dat het pand feitelijk nog steeds aan bewoners werd verhuurd. Het gedogen van illegale situaties is niet te rijmen met de beginselplicht tot handhaving zoals deze in het bestuursrecht geldt. Dat een uitzondering hierop had moeten worden gemaakt - bijvoorbeeld omdat legalisering spoedig te verwachten was of omdat er een concrete dreiging was van het opnieuw gekraakt worden van het gebouw - is gesteld noch gebleken, terwijl niet is gebleken dat [appellant 1] B&W heeft verzocht haar medewerking te verlenen aan het vanaf enig tijdstip na 1 november 2006 opnieuw gedogen en/of vergunnen van antikraakbewoning wegens een nieuwe dreiging van kraken. Bovenal is het aan de eigenaar van een pand waarvoor een wettelijk woonverbod geldt, om de nodige maatregelen te treffen die kraken verhinderen, waarbij gedacht kan worden aan bewaking van het pand, onmiddellijk optreden tegen krakers nog voordat bij hen een huisrecht was ontstaan en het optreden tegen krakers op de grond dat het pand door hen wordt uitgewoond en ernstig wordt beschadigd. Dat [appellant 1] er niet in is geslaagd een huurder voor het pand te vinden, voordat de krakers erin kwamen (zomer 2007 (volgens [appellant 1] ) of december 2007 (volgens de Gemeente)) komt in de verhouding tot de Gemeente voor haar risico.

ad (iv)

5.9

Volgens [appellanten] heeft zij er alles aan gedaan om het kraken van haar pand te voorkomen, maar stonden er voor haar niet voldoende juridische middelen ter beschikking om tegen de krakers op te treden. De Gemeente stond reeds in 2008 toe dat de krakers zich inschreven in de Gemeentelijke basisadministratie, zonder dit aan [appellant 1] te melden zodat haar de mogelijkheid is ontnomen daartegen bezwaar te maken. Een kort geding was voorts niet aan de orde, omdat er geen sprake was van een spoedeisend belang aan de zijde van [appellant 1] . Er waren immers geen geïnteresseerde huurders voor het pand en er ontbraken concrete plannen om de bestemming van het (bedrijfs)pand te wijzigen. In een dergelijk geval prevaleert het huisrecht van de krakers en wordt een voorlopige voorziening geweigerd, aldus [appellant 1] . Daarentegen heeft de Gemeente volgens [appellant 1] nagelaten adequaat en handhavend op te treden tegen de illegale toestand en de verstoring van de openbare orde veroorzaakt door de krakers. Bovendien heeft de Gemeente er jaren over gedaan om tot een bestemmingswijziging te komen. Zij heeft [appellant 1] aan het lijntje gehouden door haar steeds voor te houden dat op korte termijn over deze wijziging duidelijkheid zou komen.

5.10

Ook hier stelt het hof voorop dat het in de eerste plaats aan de eigenaar zelf is om tegen de krakers op te treden. [appellant 1] heeft uiteengezet (in de randnummers 69-113 van de memorie van grieven) welke inspanningen zij zich heeft getroost om tot wijziging van het bestemmingsplan te komen, zodat zij (zoals zij stelt) over concrete plannen kon beschikken om via een kort geding verwijdering van de krakers te vorderen. [appellant 1] heeft in randnummer 66 van haar memorie van grieven aangevoerd dat zij ‘wel degelijk aan de Gemeente heeft verzocht om handhavend op te treden’, maar zij heeft nagelaten dit te onderbouwen, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

Uit de door [appellant 1] overgelegde producties HB 8 - HB 38 bij memorie van grieven blijkt dat partijen vanaf april 2009 tot en met begin 2011 hebben overlegd over herziening van het bestemmingsplan, onder andere over een bestemming van het perceel ten behoeve van grootschalige detailhandel (productie HB 29). Uit deze producties en hetgeen [appellant 1] daarover heeft gesteld in nrs. 68 - 113 van de memorie van grieven kan niet worden afgeleid, mede doordat [appellant 1] aanvankelijk geen concrete ideeën had over het nieuwe gebruik van het pand, dat de Gemeente het overleg over wijziging van de bestemming op onaanvaardbare wijze heeft vertraagd, zodat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld tegenover [appellant 1] . Voor zover de vordering op deze grondslag is gebaseerd, komt zij niet voor toewijzing in aanmerking.

[appellant 1] verwijt de Gemeente dat zij in de periode 2007-2010 niet handhavend tegen de krakers is opgetreden - bijvoorbeeld vanwege verstoring van de openbare orde - terwijl er klachten van omwonenden waren, maar de illegale situatie juist gedoogde.

De Gemeente heeft voldoende gemotiveerd weersproken dat zij de bewoning van de krakers in het pand van [appellant 1] heeft gedoogd. Zij is, naar aanleiding van de voortdurende stroom van klachten van omwonenden sinds augustus 2008 (zie onder meer de producties 8 e.v. bij conclusie van antwoord en de reacties daarop van de Gemeente in onder meer de producties 16 en 17 bij conclusie van antwoord) bezig geweest met het treffen van maatregelen - zij is veelvuldig in gesprek geweest met omwonenden en de krakers, heeft afval in en rond het pand opgeruimd en heeft in 2010 bestuursdwang toegepast - maar haar stond door de toenmalige stand van de wetgeving en rechtspraak (aan kraken na leegstand van een jaar was moeilijk een einde te maken) een beperkt juridisch instrumentarium ten dienste, terwijl de maatregel van artikel 174a Gemeentewet (sluiten van een gebouw vanwege verstoring van de openbare orde) of op grond van artikel 17 Woningwet (idem wegens het bestaan van een onveilige situatie) slechts een tijdelijke zou zijn. Het betoog van [appellant 1] dat de Gemeente door het inschrijven van een aantal krakers ( [kraker] en [kraker 2] ) de Gemeentelijke basisadministratie het kraken heeft gedoogd, wordt verworpen. Zoals de Gemeente onweersproken heeft toegelicht, diende zij indertijd die personen op dat adres in te schrijven. Zij had daarin geen discretionaire bevoegdheid. Daarmee gedoogde zij het kraken niet, gelet ook op de brief waarin zij de desbetreffende krakers waarschuwde dat deze inschrijving niet betekende dat er ontheffing werd verleend van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan die bewoning verboden (productie 11 bij conclusie van antwoord).

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door, zoals [appellanten] hebben aangevoerd, niet tijdig adequaat en handhavend op te treden tegen de illegale toestand en de verstoring van de openbare orde door de krakers. De overige handelwijzen van de Gemeente zijn, zoals besproken, evenmin (ook niet in onderling verband) onrechtmatig. Dit betekent dat de grieven 1 tot en met 11 en grief 14 falen.

5.11

Grief 12 wordt verworpen wegens gebrek aan belang.

5.12

Met grief 13 klaagt [appellanten] erover dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Gemeente bij de ontruiming van het pand in 2012 niet veel meer schade kon aanrichten en dat het op de weg van [appellanten] had gelegen aan te tonen welke schade precies door de Gemeente door deze ontruiming was veroorzaakt.

5.13

Ook in hoger beroep heeft [appellanten] nagelaten concreet aan te geven welke schade de Gemeente (bovenop de schade die al aan het pand was toegebracht maar waarvoor de Gemeente zoals hierboven overwogen niet aansprakelijk is) bij de ontruiming van het pand in 2012 heeft toegebracht, zodat ook deze grief faalt.

5.14

Bij deze stand van zaken faalt ook grief 15, die betrekking heeft op de veroordeling van [appellanten] . in de proceskosten van de eerste aanleg.

5.15

Het door [appellanten] aangeboden bewijs (in onder meer randnummer 145 van de memorie van grieven) wordt door het hof gepasseerd nu geen feiten of omstandigheden zijn gesteld, die indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

6 De slotsom

6.1

De slotsom luidt dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep zullen aan de zijde van de Gemeente zullen worden vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 2.148,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief II)

6.2

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

7.1

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland (zittingsplaats Arnhem) van 9 november 2016;

7.2

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 2.148,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

7.3

veroordeelt [appellanten] in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

7.4

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, M.F.J.N. van Osch en F.J. de Vries en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.