Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7964

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
200.192.572
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedrijfsbeëindiging

Geen kennelijk onredelijk ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.192.572

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, 4226975)

arrest van 4 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , [gemeente] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: aanvankelijk mr. B. Cornelissen,

thans mr. M. Hille Ris Lambers,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.E. Huard.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 november 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 9 maart 2017;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

[appellant] vordert in hoger beroep - samengevat - dat het hof het tussen de partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort) van 27 januari 2016 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellant] zoals verwoord onder IV, V en VI van het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente over de (na)kosten.

2 De vaststaande feiten

2.1

[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 september 1980 bij een rechtsvoorganger van [geïntimeerde] in dienst getreden. [appellant] vervulde laatstelijk voor 40 uur per week de functie van monteur tegen een bruto maandsalaris van € 2.856,-, exclusief vakantietoeslag en emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] is de cao voor het Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf (verder: de cao) van toepassing.

2.2

[geïntimeerde] , een automobielbedrijf, had een vestiging in [plaats 1] , waar onderhoud, reparatie en schadeherstel plaatsvonden, en een vestiging in [plaats 2] , waar de in- en verkoop van nieuwe en gebruikte auto’s, alle van het merk Ford, en onderhoud, reparatie en schadeherstel plaatsvonden. In [plaats 1] waren twee werknemers werkzaam - [appellant] en [werknemer] , die daar al 44 jaar werkte - en in [plaats 2] negen.

Op 31 juli 2013 heeft Ford Nederland B.V. de dealerovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd tegen

23 juli 2015.

2.3

[geïntimeerde] is een dochteronderneming van [bedrijf] Tot het concern behoorden ook de volgende dochterbedrijven: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is (middellijk) bestuurder van alle vennootschappen.

2.4

[bestuurder] heeft op 26 november 2014 het personeel medegedeeld dat [geïntimeerde] voornemens was om haar bedrijf te gaan sluiten. Op 23 november 2014 had [geïntimeerde] de vakbonden al ingelicht over de voorgenomen sluiting en het vragen van een ontslagvergunning voor alle werknemers. Op 25 november 2014 is de ontslagaanvraag bij het UWV ingediend wegens bedrijfseconomische redenen, te weten bedrijfsbeëindiging. In december 2014 heeft [geïntimeerde] aan haar werknemers een outplacementtraject aangeboden, in welk kader ook aan [appellant] een formulier is verstrekt. De inhoud van dat formulier luidt als volgt:

“(…)“Blijf Mobiel” is een initiatief vanuit [stichting] en de vakbonden waarin mensen uit de mobiliteitsbranche die met ontslag bedreigd worden of ontslagen zijn, ondersteund worden bij het vinden van werk. Innovam voert dit traject kosteloos uit.

Hoe ziet het traject eruit?

1. Kandidaat schrijft zich in op de website (…) of telefonisch via het nummer (…).

2. Een Innovam adviseur neemt contact op met de kandidaat en maakt een afspraak voor een intakegesprek.

3. Intakgegesprek: In dit gesprek wordt gekeken naar de situatie van de kandidaat, wat zijn zijn mogelijkheden, wat zijn zijn wensen en heeft hij al zicht op perspectief? De adviseur brengt met de kandidaat in kaart wat de mogelijkheden zijn op de arbeidsmarkt en geeft praktische tips voor het solliciteren, zoals het verbeteren of maken van een CV. De adviseur en kandidaat maken afspraken over het vervolgtraject.

4. Begeleidingsgesprek of workshop: dit kan een persoonlijk gesprek zijn, een telefonisch gesprek of workshop. In dit gesprek gaan de adviseur en de kandidaat na of er nog aanvullende vragen zijn. De adviseur kan vacatures aanreiken en met de kandidaat doornemen. Mogelijk is dat er een workshop plaatsvindt over solliciteren en het gebruik van social media.

Het is een kort en kosteloos traject met twee contactmomenten van circa een uur om de kandidaat op een praktische wijze te helpen richting de arbeidsmarkt.

Mochten er nog inhoudelijke vragen zijn over “Blijf Mobiel” neem dan contact op met deze service op bovengenoemd tel. nummer. (…)”

2.5

[appellant] heeft geen gebruik gemaakt van dit outplacementtraject.

2.6

[appellant] heeft verweer gevoerd in de procedure bij het UWV. Op 12 januari 2015 heeft het UWV toestemming aan [geïntimeerde] verleend om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. In de beslissing op de ontslagaanvraag is het volgende vermeld:

“(…) Uw aanvraag is gebaseerd op bedrijfseconomische redenen. U geeft aan dat sprake is van een bedrijfsbeëindiging. (…)

Beoordeling

(…) Op basis van de thans bekende gegevens komen wij tot de volgende overwegingen:

Uit de opzegging van het Ford Dealerovereenkomst d.d. 31 juli 2013 blijkt dat Ford het dealerovereenkomst op 23 juli 2015 definitief beëindigd heeft. Tevens is hierin opgenomen dat indien u naar aanleiding van de opzegging door Ford uw Ford-activiteiten eerder wilt beëindigen, Ford bereid is daarover met u in overleg te treden om te bezien of dat onder de huidige omstandigheden mogelijk is. Tevens blijkt uit het financieel overzicht tot oktober 2014 dat uw onderneming verlieslijdend is. Er zijn geen aanwijzingen dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal optreden. Gezien de opzegging van het dealerovereenkomst en uw bedrijfsresultaat zijn wij van mening dat u redelijkerwijs heeft kunnen besluiten uw onderneming te sluiten. (…)

Uit het ontslagdossier blijkt dat uw inspanningen om (een deel van) de activiteiten - behoudens uw vestiging te [plaats 3] - via overgang van onderneming voort te zetten niet zijn gelukt. Op grond van de voorgaande overwegingen vinden wij de bedrijfseconomische redenen, te weten bedrijfssluiting, aannemelijk. (…)

Uit hetgeen in de onderhavige procedure naar voren is gekomen - interne- en externe kenmerken - achten we voldoende aannemelijk gemaakt dat uw onderneming als een zelfstandige bedrijfsvestiging aangemerkt dient te worden. Nu uw onderneming als een zelfstandige bedrijfsvestiging beschouwd kan worden is de Wet Melding Collectief Ontslag (WMCO) dan ook niet van toepassing, omdat u binnen uw vestiging in totaal 13 werknemers voor ontslag heeft voorgedragen hetgeen minder is dan 20 werknemers.

Wat betreft het verweer van werknemer met betrekking tot het wel of niet aanbieden van een outplacementtraject / ontslagvergoeding willen wij het volgende opmerken. Over het wel of niet aanbieden van een outplacementtraject/ ontslagvergoeding kunnen wij geen oordeel vormen, omdat dit buiten onze toetsingskader valt. Een oordeel hierover is aan de civiele rechter voorbehouden.

Wij willen tevens opmerken dat in het kader van goed werkgeverschap van u verwacht wordt werknemers niet op het laatste moment in lichten over de onderhavige ontslagaanvraag. Aangezien u al eerder, namelijk in juli 2013 op de hoogte was van deze opzegging en daarmee de eventuele beëindiging van uw bedrijfsactiviteiten, u werknemers eerder op de hoogte had kunnen stellen van de eventuele gevolgen voor werknemers. (…)

Ontslag van een werknemer is niet nodig als personeelsverloop of overplaatsing een oplossing biedt. Van een werkgever mag daarom verwacht worden dat hij zich inspant om een werknemer van wie de arbeidsplaats vervalt te herplaatsen.

Deze ontslagaanvraag is ingegeven door bedrijfsbeëindiging waardoor alle arbeidsplaatsen vervallen. Hiermee vervallen de mogelijkheden om werknemer binnen de bedrijfsvestiging of ergens anders in het bedrijf te herplaatsen.(…)”

2.7

[geïntimeerde] heeft bij brief van 21 januari 2015 de arbeidsovereenkomst met [appellant] tegen 1 mei 2015 opgezegd.

2.8

De kantonrechter heeft bij beschikking van 10 maart 2015 het op 6 januari 2015 ingediende verzoek van [appellant] om op grond van artikel 7:685 BW de arbeidsovereenkomst op een eerdere datum te ontbinden afgewezen.

2.9

[geïntimeerde] heeft [appellant] uiteindelijk, na een verhoging met 20%, een ontslagvergoeding van € 9.644,40 bruto aangeboden, welk aanbod [appellant] niet heeft aanvaard.

2.10

[bedrijf 3] is eind november 2014 overgenomen door Broekhuis B.V., inclusief de Ford activiteiten, waardoor twintig werknemers hun baan hebben behouden. In dat kader is [bedrijf] en haar drie andere dochterondernemingen, waaronder [geïntimeerde] , gehouden aan twee concurrentiebedingen jegens Ford Nederland B.V. inhoudende dat gedurende twee jaar geen klanten uit het klantenbestand binnen het verzorgingsgebied Ede, Wageningen en Nijkerk mogen worden benaderd voor auto-gerelateerde activiteiten en in die periode ook geen aanvraag zal worden gedaan voor een Ford Erkend Reparateurschap in dat verzorgingsgebied. Jegens Broekhuis B.V. geldt een soortgelijk beding om geen klanten te benaderen gedurende twee jaar.

2.11

Broekhuis B.V. heeft niet de overige dochterondernemingen willen overnemen, hoewel dat wel besproken is met [bestuurder] .

2.12

[geïntimeerde] heeft op 2 februari 2015 aan [appellant] en zijn collega [werknemer] aangeboden om de werkplaats in [plaats 1] over te nemen. Het gesprek hierover heeft plaatsgevonden ten kantore van de advocaat van [appellant] . Nadat [appellant] dit aanbod had afgewezen, is de werkplaats vervolgens verhuurd aan (de eigenaar van) [bedrijf 4] . Daarbij zijn ook de inventaris en voorraden verkocht.

2.13

[autobedrijf] heeft (een deel van) de inventaris van de vestiging van [geïntimeerde] in [plaats 2] overgenomen. [autobedrijf] huurt het pand in [plaats 2] . Ook zijn twee van de negen werknemers van de vestiging in [plaats 2] in dienst getreden van [autobedrijf] .

2.14

Volgens de concept jaarrekening van 2014 was het bedrijfsresultaat van [geïntimeerde] in dat jaar € 106.068,- negatief, terwijl het in 2013 nog € 113.944,- positief was. Volgens de toelichting op de concept winst- en verliesrekening was de netto omzet van nieuwe auto’s in 2013 nog € 2.574.305,-, terwijl die in 2014 € 816.195,- bedroeg.

2.15

[appellant] is in de loop van 2015 als automonteur gaan werken bij [bedrijf 5] in [plaats 4] .

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd

I. voor recht te verklaren dat het door [geïntimeerde] verleende ontslag kennelijk onredelijk is en wegens een valse/voorgewende reden

II. primair [geïntimeerde] te veroordelen om op grond van artikel 7:681 lid 1 jo. lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan [appellant] een bedrag van € 83.280,96 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, te betalen;

III. subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen om op grond van artikel 7:681 lid 1 jo. lid 2 sub a BW aan [appellant] een door de kantonrechter te bepalen schadevergoeding, te vermeerderen met een vergoeding wegens pensioenschade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, te betalen en

op grond van het gevolgencriterium

IV. [geïntimeerde] te veroordelen om op grond van artikel 7:681 lid 1 jo. lid 2 sub b BW aan [appellant] een bedrag van € 30.227,90 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met een vergoeding wegens pensioenschade, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, te betalen;

V. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure;

VI. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de nakosten.

3.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 27 januari 2016, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] , tot de uitspraak van het vonnis begroot op € 1.400,- aan salaris gemachtigde.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk opgezegd. Hij stelt daartoe, dat de gevolgen van het ontslag voor hem, gelet op zijn leeftijd ten tijde van het ontslag (50 jaar), zijn zeer langdurige eenzijdige arbeidsverleden bij [geïntimeerde] en haar rechtsvoorgangers, het gedrag van [geïntimeerde] voorafgaande aan de beëindiging (waaronder het niet informeren van het personeel over de opzegging van de dealerovereenkomst met Ford), het volledig ontbreken van scholings- en/of voor hem waarneembare herplaatsingsinspanningen zijdens [geïntimeerde] en/of (financiële) voorzieningen om de gevolgen van het ontslag voor hem te verzachten, alsmede zijn slechte positie op de arbeidsmarkt, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [geïntimeerde] bij beëindiging van de dienstbetrekking. Volgens [appellant] was er voor [geïntimeerde] geen sprake van een bedrijfseconomische noodzaak om de arbeidsovereenkomst met hem op te zeggen.

Anders dan in eerste aanleg vordert [appellant] in hoger beroep niet langer schadevergoeding wegens opgave van een voorgewende of valse reden door [geïntimeerde] , maar alleen op grond van het gevolgencriterium (de in rechtsoverweging 3.1 onder IV, V en V genoemde vorderingen).

4.2

In artikel 7:681 lid 1 (oud) BW is bepaald dat indien één van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen.

4.3

Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder a en b (oud) BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kennelijk onredelijk kunnen worden geacht wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden (artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder a (oud) BW) en wanneer, mede in aanmerking genomen de al dan niet voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging (artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b (oud) BW).

4.4

Volgens vaste rechtspraak geldt in het kader van de beoordeling van een vordering uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag als uitgangspunt dat eerst aan de hand van de omstandigheden van het geval zoals deze zich voorafgaand aan, en ten tijde van, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben voorgedaan, tezamen en in onderling verband beschouwd, moet worden vastgesteld of er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, voordat kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag welke vergoeding aan de werknemer toekomt. Na het tijdstip van het ontslag intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op vermeld tijdstip kon worden verwacht. Ook geldt dat het enkele feit dat geen passende voorziening voor de werknemer is getroffen, niet voldoende is om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Ook dan hangt het af van alle vast te stellen omstandigheden van het geval, waaronder het ontbreken van een passende vergoeding ter zake van het ontslag, en of voldaan is aan de in de wet neergelegde maatstaf die in de kern inhoudt dat het ontslag gegeven is in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

4.5

Grief 1 is gericht tegen rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat [appellant] op een aantal punten in strijd met artikel 21 van het Wetboek van rechtsvordering (Rv.) heeft gehandeld. [appellant] heeft echter geen belang bij deze grief, omdat de kantonrechter de zaak vanaf rechtsoverweging 4.2 inhoudelijk heeft beoordeeld, zoals hij ook in de eerste en in de laatste zin van rechtsoverweging 4.1 heeft overwogen te zullen doen, en daarbij alle onder 4.1 genoemde punten heeft betrokken.

4.6

De grieven 2 en 3, die zijn gericht tegen rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis en waarbij [appellant] betoogt dat [geïntimeerde] onvoldoende inspanningen heeft verricht om hem te herplaatsen en dat [geïntimeerde] niet tijdig heeft bericht dat Ford Nederland de dealerovereenkomst met [geïntimeerde] had opgezegd, zal het hof gezamenlijk behandelen.

4.7

Het hof stelt voorop dat [appellant] de bewijslast draagt van zijn stelling dat [geïntimeerde] onvoldoende inspanningen heeft verricht om hem te herplaatsen en daartoe ook voldoende feiten dient te stellen. [geïntimeerde] heeft de desbetreffende stelling van [appellant] reeds in eerste aanleg gemotiveerd betwist en tegenover die betwisting lag het op de weg van [appellant] om die feiten te stellen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft zich beperkt tot een betwisting van het betoog van [geïntimeerde] dat zij pogingen heeft gedaan om hem te herplaatsen bij [bedrijf 4] , [autobedrijf] en Broekhuis en daartoe slechts gesteld dat [geïntimeerde] , voor zover voor hem waarneembaar, niet heeft geprobeerd hem bij [bedrijf 4] onder te brengen. [geïntimeerde] heeft daar tegenover in hoger beroep herhaald dat zij zich wel degelijk heeft ingespannen om [appellant] te herplaatsen, waartoe [geïntimeerde] onder meer heeft betoogd dat zij met de bestuurder van [bedrijf 4] heeft gesproken over een dienstverband van [appellant] en [werknemer] bij [bedrijf 4] , waarna [bedrijf 4] echter alleen [werknemer] een aanbod heeft gedaan om bij haar in dienst te treden. Het hof verwerpt daarom de niet onderbouwde stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] zich onvoldoende heeft ingespannen in het kader van zijn herplaatsing.

4.8

Ook het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] niet tijdig heeft bericht dat haar Ford dealerschap zou vervallen, faalt. [geïntimeerde] heeft daarvan ongeveer een half jaar tevoren melding gemaakt, hetgeen naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden als voldoende tijdig kan worden beschouwd. Zoals [geïntimeerde] ook heeft aangevoerd, is aannemelijk dat een eerdere bekendmaking, laat staan direct na de opzegging door Ford, had geleid tot verlies van klantenvertrouwen, vertrekkende werknemers, verlies van het vertrouwen van leveranciers en een (nog) lagere omzet, hetgeen ook nadelig voor [appellant] zou zijn geweest. Voorts heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof terecht aangevoerd, dat [appellant] onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom het voor hem nadelig was dat [geïntimeerde] niet eerder dan eind november 2014 melding heeft gemaakt van het verlies van het Ford dealerschap. Vast staat immers dat [appellant] snel na het einde van zijn arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] een nieuwe werkkring heeft gevonden, terwijl [appellant] niet heeft gesteld dat hij door de melding in november 2014 een eerdere mogelijkheid om te solliciteren naar een andere en beter betaalde dienstbetrekking dan bij [bedrijf 5] heeft gemist.

4.9

Het voorgaande betekent dat de grieven 2 en 3 falen.

4.10

Grief 4 is gericht tegen rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat vaststaat dat [geïntimeerde] alle werknemers een outplacementtraject heeft aangeboden en [appellant] (en [werknemer] ) heeft aangeboden de werkplaats in [plaats 1] over te nemen.

4.11

Het in rechtsoverweging 2.4 bedoelde outplacementtraject is, zoals [appellant] heeft betoogd, een in de cao voorzien traject, gericht op de ondersteuning van werknemers in de mobiliteitsbranche bij het vinden van ander werk. Vast staat dat dit traject gratis was voor de bedoelde werknemers, maar niet dat dit ook het geval is voor werkgevers, zoals [geïntimeerde] , die de desbetreffende stelling van [appellant] gemotiveerd heeft weersproken, heeft betoogd. [appellant] kan worden toegegeven dat het gaat om een betrekkelijk kort traject van in beginsel twee contactmomenten van circa een uur, maar kennelijk is het een traject dat acceptabel wordt geacht door de vakbonden die immers met de [stichting] het initiatief tot dit traject hebben genomen. [appellant] heeft geen gebruik gemaakt van dit traject, ook niet nadat [geïntimeerde] , zoals zij onbestreden heeft betoogd, hem er nogmaals op heeft gewezen dat het in zijn belang was om dat wel te doen.

4.12

[geïntimeerde] heeft bij haar conclusie van antwoord voorts onbestreden aangevoerd dat de overname van de garage door [appellant] en [werknemer] aan de orde is geweest tijdens een bespreking op 2 februari 2015 op het kantoor van hun advocaat, hetgeen zij heeft herhaald bij haar memorie van antwoord. Dat de directeur van [geïntimeerde] bij die gelegenheid [appellant] heeft afgeraden om de vestiging in [plaats 1] voort te zetten, zoals [appellant] onbestreden heeft gesteld, doet er niet aan af dat [appellant] (en [werknemer] ) kennelijk wel is aangeboden om de mogelijkheid van een overname te onderzoeken.

4.13

Het voorgaande leidt ertoe dat ook grief 4 faalt.

4.14

Met betrekking tot grief 5, die is gericht tegen de wijze waarop de kantonrechter de gevolgen van het ontslag voor [appellant] heeft afgewogen tegen het belang van [geïntimeerde] bij opzegging van de arbeidsovereenkomst, overweegt het hof als volgt.

4.15

Naar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat voor [geïntimeerde] een bedrijfseconomische noodzaak bestond om haar bedrijfsactiviteiten te staken en de arbeidsovereenkomst met [appellant] op te zeggen. Niet alleen had Ford Nederland de dealerovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd, ook het bedrijfsresultaat en de verkoop van nieuwe auto’s waren in 2014 sterk teruggelopen ten opzichte van 2013. Het hof verwijst daartoe naar de in rechtsoverweging 2.14 vermelde financiële gegevens en hetgeen de kantonrechter met betrekking tot het bedrijfsresultaat en de omzet onbestreden heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis. Hieraan doet niet af hetgeen door [appellant] bij punt 23 van de memorie van grieven is aangevoerd omtrent financiële reserves van [geïntimeerde] .

4.16

Met betrekking tot de gevolgen van het ontslag voor [appellant] overweegt het hof dat de leeftijd van [appellant] en zijn langdurig arbeidsverleden bij [geïntimeerde] niet van dien aard zijn dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn vergeleken met het belang van [geïntimeerde] bij de opzegging. Ook het gedrag van [geïntimeerde] voorafgaande aan de opzegging acht het hof in dat kader niet relevant. Het hof verwijst daartoe mede naar hetgeen is overwogen onder 4.8 en 4.9 en 4.11 tot en met 4.13.

4.17

Dat [appellant] een slechte positie op de arbeidsmarkt had ten tijde van het einde van de arbeidsovereenkomst, kan niet worden aangenomen. In ieder geval is hij weer snel aan het werk gegaan bij [bedrijf 5] , volgens [geïntimeerde] al vóór of op 1 mei 2015 en volgens [appellant] zelf op 1 augustus 2015. Vast staat in ieder geval dat in een publicatie in de [krant] van 6 mei 2015 reeds melding is gemaakt van indiensttreding van [appellant] bij [bedrijf 5] . [appellant] heeft weliswaar nog gesteld dat hij er in is geslaagd om tijdelijk ander werk te vinden bij [bedrijf 5] , maar niet toegelicht voor hoe lang en of die arbeidsovereenkomst al dan niet is verlengd, en dat hij aanmerkelijk minder verdiende dan bij [geïntimeerde] , maar evenmin toegelicht wat de hoogte van zijn salaris bij [bedrijf 5] was. Nu [appellant] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht - hij dient immers voldoende feiten te stellen waaruit volgt dat de gevolgen van het ontslag te ernstig zijn vergeleken met het belang van [geïntimeerde] - gaat het hof voorbij aan zijn bewijsaanbod op dit punt. Het niet treffen van een financiële voorziening voor [appellant] maakt in die situatie op zichzelf het ontslag nog niet kennelijk onredelijk. Overigens heeft [geïntimeerde] , zoals in rechtsoverweging 2.9 is overwogen, [appellant] een financiële vergoeding aangeboden, maar die heeft [appellant] , zoals [geïntimeerde] onweersproken heeft aangevoerd, geweigerd.

4.18

Gelet op de omstandigheden van het geval zoals deze zich voorafgaand aan en ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben voorgedaan, tezamen en in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat het ontslag niet is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap, zodat geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Feiten of omstandigheden, die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken, zodat het hof het bewijsaanbod van [appellant] ook voor het overige passeert.

Dit betekent dat ook grief 6, die beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen, faalt en dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat de vorderingen van [appellant] dienen te worden afgewezen.

5 De slotsom

5.1

De grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, zodat dit zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 5.213,- ter zake van griffierecht en op € 2.148,- wegens salaris van de advocaat (2 punten x tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort) van 27 januari 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 5.213,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, A.E.F. Hillen en O.E. Mulder en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.