Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7894

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
200.233.460
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning. Reëel risico op schade. 1:204 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.233.460

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 410561 en 410563)

beschikking van 4 september 2018

inzake

[verzoeker] ,

thans verblijvende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. J. van Koesveld te Amsterdam,

en

[naam moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.G.M. Lodder te Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de pleegouders,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders,

mr. F.L.M. Broeders,

kantoorhoudende te Utrecht,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [kind] .

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 29 maart 2016, 20 september 2016 en 2 november 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. De beschikking van 2 november 2017 wordt hierna “de bestreden beschikking” genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties 1 tot en met 13, ingekomen op 12 januari 2017;

  • -

    het verweerschrift van de moeder;

  • -

    het verweerschrift van de GI met productie;

  • -

    een brief van mr. Van Koesveld van 14 maart 2018 met producties;

  • -

    een brief van de pleegouders van 24 april 2017, ingekomen op 25 april 2018, en

  • -

    een brief van de bijzondere curator van 11 juni 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 juli 2018 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw H. Bassit als tolk in de Marokkaans-Arabische taal. Namens de moeder is haar advocaat verschenen. Als waarnemer van de bijzondere curator is haar kantoorgenoot mr. M.T.N. Whiterod verschenen. De pleegouders zijn verschenen.

Namens de GI zijn verschenen mevrouw A. Afman en mevrouw J. Jaspers. Namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) is de heer J. Eikelboom verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder en [verzoeker] hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [kind] (hierna: [kind] ) geboren.

3.2

[kind] is als ongeboren baby bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 februari 2012 (voorlopig) onder toezicht gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (thans de GI) voor de duur van drie maanden, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd. [kind] is na zijn geboorte op basis van een crisismachtiging tot uithuisplaatsing van 5 april 2012 uit huis geplaatst bij de pleegouders. De afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing is vervolgens telkens verlengd.

3.3

Bij beschikking van 3 september 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, de moeder ontheven van het gezag over [kind] en is Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (thans de GI) benoemd tot voogdes over [kind] .

3.4

Bij beschikking van 29 maart 2016 heeft de rechtbank de bijzondere curator benoemd als degene tegen wie het verzoek leidende tot de erkenning van [kind] mede zal moeten worden gericht.

3.5

Bij beschikking van 20 september 2016 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vragen:

  • -

    in hoeverre de erkenning door [verzoeker] de relatie tussen de moeder en [kind] kan verstoren of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotioneel ontwikkeling van [kind] in het gedrang laat komen;

  • -

    of er sprake is van bezwaren die in de weg staan aan het vaststellen van een omgangsregeling tussen [verzoeker] en [kind] en zo nee, welke omgangsregeling dan het meest in het belang van [kind] kan worden geacht, en

in afwachting van de rapportage van de raad de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot dinsdag 13 december 2016.

3.6

De raad heeft op 21 juli 2017 gerapporteerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is het verzoek van [verzoeker] tot het aan hem verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [kind] .

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van [verzoeker] tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [kind] afgewezen. Verder heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld waarbij [verzoeker] en [kind] eenmaal per kwartaal contact met elkaar hebben onder begeleiding van de GI en op een door de GI te bepalen locatie.

4.2

[verzoeker] is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking voor zover het betreft de afwijzing van het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [kind] .

Hij verzoekt het hof, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [kind] , dit verzoek alsnog toe te wijzen en vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [kind] , waarbij zo nodig wordt bepaald dat [kind] daarbij de achternaam van zijn moeder zal behouden.

4.3

De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof:

  • -

    primair: het verzoek van [verzoeker] af te wijzen, en

  • -

    subsidiair: vervangende toestemming te verlenen met uitdrukkelijke vermelding dat de achternaam van [kind] zal zijn.

4.4

De GI voert verweer en zij verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning

5.1

De Nederlandse rechter heeft in deze zaak op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht, aangezien de moeder en [kind] ten tijde van het indienen van het verzoek in eerste aanleg hun woonplaats in Nederland hadden en in deze situatie geen verandering is opgetreden. Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW dient Nederlands recht te worden toegepast, aangezien de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft.

5.2

Niet in geschil is dat [verzoeker] de verwekker is van [kind] .

5.3

Op grond van artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder c. van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan [verzoeker] [kind] slechts erkennen met voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder.

5.4

In geval de toestemming van de moeder tot erkenning door de verwekker ontbreekt, kan op grond van artikel 1:204 lid 3 BW op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen deze toestemming door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:

  1. de verwekker van het kind is; of

  2. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

Hierbij dient een afweging te worden gemaakt van de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking.

Daarbij zal het belang van de vader bij en zijn aanspraak op erkenning moeten worden afgewogen tegen het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en van het kind bij niet-erkenning. Van schade aan het belang van het kind in de zin van artikel 1:204 lid 3 BW is slechts sprake indien ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s ontstaan dat het kind wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Een zekere emotionele weerstand van de moeder is onvoldoende om vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, indien duidelijk wordt dat de weerstand van de moeder negatieve gevolgen voor de positie van het kind met zich brengt.

5.5

[verzoeker] stelt dat de raad en de GI op basis van het verleden ten onrechte de angst hebben dat de erkenning de opmaat is voor de verkrijging van het gezag van [verzoeker] over [kind] en het verkrijgen van het hoofdverblijf van [kind] bij hem. [verzoeker] wil contact met [kind] en zijn naam op de geboorteakte van [kind] , zodat [kind] weet dat [verzoeker] zijn vader is. Het is een fundamenteel recht van een kind om zijn afkomst te kennen. Verder zou [verzoeker] graag deel willen uitmaken van het leven van [kind] .

Hij erkent de pleegouders momenteel wel als perspectief biedend pleeggezin. Het contact dat [verzoeker] inmiddels met [kind] heeft, verloopt goed. Indien dit contact in het belang van [kind] wordt geacht dan is dat voor [verzoeker] een mogelijkheid om in aanmerking te komen voor rechtmatig verblijf in Nederland. Dit is echter niet de reden van de wens tot erkenning van [verzoeker] . Een procedure tot rechtmatig verblijf is nog niet gestart, omdat [verzoeker] de bestendigheid van de contacten wil afwachten evenals de erkenning, nu dat naar verwachting zijn kans op rechtmatig verblijf vergroot.

Vervangende toestemming schaadt de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind] niet. De erkenning bergt volgens [verzoeker] geen risico voor een terugval van de moeder in zich. De moeder is kwetsbaar, maar de oorzaak van een mogelijke terugval ligt niet alleen bij de erkenning van [verzoeker] . Daarbij heeft de moeder niet de dagelijkse zorg over [kind] ; die ligt bij de pleegouders, die voldoende in staat zijn om [kind] te begeleiden in het proces.

5.6

De moeder voert op haar beurt aan dat zij vreest dat de onderliggende intenties van [verzoeker] bij de erkenning anders zijn dan [verzoeker] doet voorkomen en zij vraagt zich af wiens belang met de erkenning zal worden gediend. Aan het fundamentele recht van een kind om zijn vader te kennen zal wordt voldaan; [kind] weet wie zijn vader is en heeft ook contact met hem.

Verder levert een confrontatie van de moeder met de vader spanningen op die zullen doorwerken in het dagelijkse leven van de moeder en die het contact tussen de moeder en [kind] negatief zullen beïnvloeden. De nu ongestoorde contacten staan dan onder spanning door het verzoek tot – vervangende toestemming voor – erkenning en als gevolg van die spanningen kan de moeder het contact met [kind] soms niet aan. Vanwege diezelfde spanningen kon de moeder het ook niet opbrengen om naar de mondelinge behandeling te komen. Afgezien van de spanningen gaat het goed met de moeder; zij heeft begeleiding bij haar herstel en accepteert deze begeleiding ook.

5.7

De bijzondere curator handhaaft haar advies om [verzoeker] vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [kind] . Het belang van [verzoeker] bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan niet zo zwaar wegen dat de belangen van [kind] zouden worden geschaad als de toestemming zou worden vervangen. Hierbij is van belang dat [kind] niet door de moeder maar door de pleegouders wordt opgevoed.

De bijzondere curator vindt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [kind] spanningen ondervindt van de onrust en angst die het verzoek van [verzoeker] voor de moeder en de pleegouders heeft opgeleverd. [kind] maakt zich het verschil tussen [verzoeker] , de moeder en de pleegouders goed eigen. De recente omgangscontacten zijn goed verlopen.

De erkenning heeft geen negatieve gevolgen voor [kind] en er bestaan geen reële risico’s dat [kind] in zijn ontwikkeling wordt belemmerd. De angstgevoelens van de moeder zijn vooral gerelateerd aan gebeurtenissen uit het verleden. Op basis van de huidige leefwijze van [verzoeker] ziet de bijzondere curator geen feiten die een vrees voor een bedreiging voor de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [kind] kunnen veroorzaken. De erkenning betekent niet dat de opvoedsituatie bij de pleegouders niet kan worden bestendigd. [verzoeker] stelt het verblijf van [kind] bij de pleegouders ook niet ter discussie. De erkenning heeft enkel tot gevolg dat de biologische vader de status van juridische vader krijgt. Daarbij bestaat de indruk dat de pleegouders in een evenwichtige gemoedstoestand verkeren en voldoende in staat zijn mogelijke spanningen en stress te dragen. De opvoedsituatie van [kind] is stabiel.

5.8

De GI voert op haar beurt aan dat het verzoek van [verzoeker] tot het verlenen van vervangende toestemming voor veel onrust en angst bij de moeder en de pleegouders zorgt. Dit komt voort uit het verleden en deze onrust en angst brengt de evenwichtige ontwikkeling van [kind] in gevaar. Door de persoonlijke problematiek van de moeder en haar verslavingsproblemen heeft zij weinig draagkracht en bestaat het aanzienlijke risico dat zij verder zal afglijden in alcohol- en drugsgebruik indien de rol van [verzoeker] in het leven van [kind] groter wordt. De GI vreest dat de moeder dan niet meer in staat zal zijn om enige omgang te hebben met [kind] , terwijl [kind] een goede band heeft met de moeder, welke band ook in zijn belang moet worden geacht. Verder is de GI bang dat door de mogelijk hierop volgende rechtszaken over onderwerpen als gezag en hoofdverblijfplaats, de continuïteit en stabiliteit van het opgroeien van [kind] in het pleeggezin onder druk komt te staan. [verzoeker] heeft immers gesteld dat hij een grotere rol wenst te spelen in het leven van [kind] wanneer hij zelf een stabielere basis kan bieden. [kind] heeft in vergelijking met leeftijdsgenoten meer begeleiding bij zijn emotionele ontwikkeling nodig, waardoor rust, duidelijkheid en stabiliteit noodzakelijk zijn. Het is belangrijk dat [kind] contact heeft met beide ouders en dat contact is er momenteel. De bezoeken tussen [verzoeker] en [kind] zijn goed verlopen. Er was sprake van opbouw van meer vertrouwen in [verzoeker] .

De GI houdt overigens rekening met een reëel risico van ontvoering van [kind] door [verzoeker] naar [plaats] , te meer nu [verzoeker] geen binding met Nederland lijkt te hebben. De GI concludeert tot bekrachtiging van de bestreden beschikking ten aanzien van dit geschilpunt.

5.9

De pleegouders stellen het belang van [kind] voorop. De moeder en [verzoeker] hebben de belangen van [kind] voor en na de geboorte geschaad, met als gevolg dat [kind] problemen op verschillende gebieden heeft en/of in de toekomst zal krijgen. De pleegouders willen hem hierin begeleiden en zijn van mening dat [kind] bij hen de meeste kans heeft om evenwichtig op te groeien.

Een erkenning van [kind] door de vader is niet in het belang van [kind] . Erkenning resulteert in andere rechtszaken, waarbij het belang van [verzoeker] voorop zal staan. Dat geeft spanningen voor [kind] . De rol van [verzoeker] moet beperkt zijn, zodat [kind] niet hoeft te kiezen tussen de pleegouders en (een van) de ouders.

De pleegouders achten het in het belang van [kind] dat hij weet wie zijn ouders zijn en dat hij contact heeft met hen. Dat is thans het geval. De pleegouders zien geen toegevoegde waarde in de vermelding van de naam van [verzoeker] op de geboorteakte van [kind] .

Het contact tussen [verzoeker] en [kind] vindt plaats in bijzijn van de pleegouders en dat gaat goed. De pleegouders zien geen verschil in het gedrag van [kind] in het contact met [verzoeker] of de moeder. [kind] praat niet over het contact met [verzoeker] en gedraagt zich na het contact niet anders.

5.10

De raad voert ter zitting aan dat er uitgebreid onderzoek en een hele voorgeschiedenis aan zijn advies ten grondslag ligt. [verzoeker] heeft op basis van het verleden weinig vertrouwen gegeven aan de raad en weinig basis gelegd voor zijn rol van vader in het leven van [kind] . De drijfveren van [verzoeker] zijn onbekend. [verzoeker] heeft een rol in het leven van [kind] . Er heeft statusvoorlichting plaatsgevonden en er is contact. De rol van [verzoeker] is thans beperkt en dat acht de raad in het belang van [kind] . De procedures die [verzoeker] naar verwachting van de raad na een erkenning zal gaan voeren waardoor zijn rol groter wordt, zijn niet in het belang van [kind] . [kind] , de pleegouders en de moeder zullen daarvan last krijgen. Het contact tussen de moeder en [kind] is breekbaar en de moeder is niet in staat om het contact met hem aan te gaan indien zij te veel spanningen ervaart, terwijl dat contact voor [kind] wel heel belangrijk is. De huidige situatie moet dan ook worden gecontinueerd. De raad ziet geen meerwaarde in de vermelding van de naam van [verzoeker] op de geboorteakte van [kind] .

5.11

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot vervangende toestemming van [verzoeker] dient te worden afgewezen. Dit geldt ook indien daarbij, zoals [verzoeker] in het petitum van zijn hoger beroepschrift heeft verzocht, als voorwaarde wordt opgenomen dat [kind] de achternaam van zijn moeder zal blijven behouden. Het hof is van oordeel dat door erkenning de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [kind] in het gedrang komt en dit ook de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind] schaadt.

Het contact van [kind] met de moeder is van groot belang voor [kind] ’s sociaalpsychologische ontwikkeling, zo blijkt uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling. Van belang is dat de moeder kampt met persoonlijke problematiek en alcohol- en drugsproblematiek als gevolg waarvan zij instabiel is. [kind] heeft behoefte aan het contact met de moeder en het is van groot belang dat dit contact ongestoord wordt voortgezet. Door de persoonlijke problematiek van de moeder is het contact tussen haar en [kind] evenwel broos. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling blijkt dat de erkenning van [kind] door [verzoeker] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid angst en stress zal veroorzaken bij de moeder, niet in de laatste plaats omdat [verzoeker] zich tijdens hun relatie agressief, onvoorspelbaar en bedreigend jegens haar heeft opgesteld. Die onvoorspelbaarheid en twijfel over de motieven van [verzoeker] bestaan nog steeds. [verzoeker] zegt een grotere rol in het leven van [kind] na te streven, stelt dat hij de pleegouders momenteel (cursivering door het hof) als perspectief biedend erkent, nadat hij in het verleden een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [kind] naar hem heeft geopperd en hij heeft ook de wenselijkheid van een besnijdenis van [kind] geuit. Door dergelijke uitlatingen schept [verzoeker] onduidelijkheid en onzekerheid en wakkert hij de angst en stress bij de moeder aan. Een grotere betrokkenheid van [verzoeker] geeft derhalve spanningen en heeft aantoonbaar weerslag op de moeder; het risico op een terugval is evident aanwezig. In het recente verleden is reeds gebleken dat de moeder het contact met [kind] niet aan kon omdat zij te veel spanningen ervaarde vanwege de betrokkenheid van [verzoeker] . Onderbreking van het contact met de moeder is – zoals hiervoor overwogen – niet in het belang van [kind] .

5.12

Ook bij de pleegouders is sprake van serieuze bezorgdheid over de gevolgen van een erkenning door [verzoeker] . In het licht van het feit dat [verzoeker] niet onomwonden en zonder voorbehoud erkent dat de pleegouders niet alleen momenteel maar ook in de toekomst voor [kind] perspectief biedend zijn en blijven, acht het hof deze bezorgdheid begrijpelijk en hecht het grote waarde daaraan. Dat [kind] bij de pleegouders in een stabiele omgeving opgroeit en aldaar de opvoeding krijgt die hij nodig heeft, staat vast. Het hof acht het in het belang van [kind] dat deze situatie wordt gecontinueerd om ervoor te zorgen dat [kind] zich optimaal en evenwichtig kan ontwikkelen. Dit is te meer van belang nu [kind] , gelet op zijn verleden van zowel voor als kort na zijn geboorte, in vergelijking met leeftijdsgenoten meer begeleiding bij zijn emotionele ontwikkeling nodig heeft, zodat rust en stabiliteit absoluut noodzakelijk zijn.

Een eventuele erkenning door [verzoeker] maakt hierop inbreuk, nu de zekerheid die de pleegouders ervaren dat [kind] bij hen opgroeit en derhalve aan hem het beste opvoedingsklimaat wordt geboden, hierdoor wordt bedreigd. De stabiliteit van het pleeggezin en de hierdoor door [kind] ervaren veiligheid kunnen ernstig uit balans raken. Van belang acht het hof ook dat onvoldoende inzicht is in de motieven van [verzoeker] , evenals zijn persoonlijke omstandigheden. [verzoeker] verblijft illegaal in België en heeft verklaard door de erkenning van [kind] meer kans te zullen hebben op een rechtmatig verblijf in Nederland. Daarbij heeft hij eerdere uitlatingen gedaan over een besnijdenis voor [kind] en een wijziging van het hoofdverblijf naar [verzoeker] . Ook door deze onzekerheid en de onduidelijkheid over de motieven van [verzoeker] komt de rol van de pleegouders bij een erkenning onder druk te staan en daarmee komt de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [kind] ook in het gedrang.

Aldus acht het hof het reële risico van schade die de erkenning voor de evenwichtige ontwikkeling van [kind] kan opleveren van doorslaggevend belang en moet worden geoordeeld dat het belang van [verzoeker] bij erkenning van de familierechtelijke betrekking niet opweegt tegen het belang van [kind] , de moeder en de pleegouders dat voormeld reëel risico op schade achterwege blijft.

5.13

Tenslotte ziet het hof in het voorgaande ook voldoende en serieuze aanwijzingen dat door de erkenning van [kind] door [verzoeker] de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind] zullen worden geschaad. Dat de moeder is ontheven uit het gezag over [kind] maakt dat niet anders.

Subsidiaire verzoek moeder tot vermelding achternaam [naam] op de geboorteakte

5.14

Nu het hof het verzoek van [verzoeker] tot vervangende toestemming zal afwijzen, komt het hof niet meer toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de moeder om, indien wel vervangende toestemming wordt verleend, haar achternaam te vermelden op de geboorteakte van [kind] .

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen faalt de grief van [verzoeker] en dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 november 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, E.B. Knottnerus en, C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 4 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.