Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7870

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
WAHV 200.198.850
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rood licht. Overmacht? Er was geen sprake van een situatie waar de bestuurder niet anders heeft kunnen handelen dan zij heeft gedaan. In beginsel kan ervan worden uitgegaan dat de geellichtfase, uitgaande van de maximumsnelheid en van de veronderstelling dat het voertuig beschikt over de voorgeschreven bedrijfsrem, lang genoeg is om dat voertuig op verantwoorde wijze tijdig voor het rode licht tot stilstand te brengen. Dat in dit geval de geellichtfase daarvoor te kort zou zijn geweest, is niet gebleken. De verwijzing van de betrokkene naar het adviesrapport 'Multidisciplinair kijken naar geeltijden' doet hieraan niet af. Het adviesrapport is niet dwingend en richt zich tot de wegbeheerder en een individuele weggebruiker kan hieraan geen rechten ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.198.850

3 september 2018

CJIB 186128667

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 2 augustus 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 29 november 2014 om

14:17 uur op de Amsteldijk te Amsterdam, met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De betrokkene, kentekenhouder, heeft benadrukt dat de bestuurder (zijn echtgenote)

niet meer kon remmen voor het gele licht, maar ook niet meer tijdig het (gele) verkeerslicht kon passeren omdat de auto voor haar sterk afremde. Onder verwijzing naar een onderzoek naar de duur van de geeltijden bij verkeerslichten door adviesbureau [B] , in opdracht van de Initiatiefgroep Verkeersregeltechnici (IVER), heeft de betrokkene gesteld dat de geeltijd in het algemeen en dus ook op de pleeglocatie, te kort was afgesteld. De uitkomsten van het onderzoek worden, aldus de betrokkene, breed gedragen door IVER, de Contactgroep Verkeersregeltechnici Nederland, wegbeheerders en de politie. Ook de Minister van Infrastructuur en Milieu zou geadviseerd hebben de uitkomsten van het onderzoek over te nemen en toe te passen.

De betrokkene is van mening dat de kantonrechter dit rapport ter zitting ten onrechte als niet relevant heeft bestempeld en ten onrechte in de beslissing niet is ingegaan op dit verweer.

Voorts heeft de betrokkene, onder verwijzing naar een arrest van dit hof, gesteld dat het hof bij het berekenen van de stopafstand een onjuiste remvertraging hanteert bij zaken als deze.
De betrokkene heeft ten slotte gesteld dat er ten onrechte geen verschil wordt gemaakt tussen roodlichtnegatie, waarbij het verkeerslicht al meerdere seconden rood licht uitstraalt als de stopstreep wordt gepasseerd en de situatie waarbij een betrokkene de stopstreep passeert binnen de marges van de geadviseerde geeltijden. In beide situaties is het sanctiebedrag - naar de mening van de betrokkene ten onrechte - gelijk.

3. Voor zover de betrokkene beoogt te klagen over de motivering van de beslissing van de kantonrechter merkt het hof op, dat de kantonrechter niet is gehouden om op alle door een betrokkene aangedragen verweren te responderen. Uit de motivering van de kantonrechter blijkt voldoende dat alle door de betrokkene aangedragen gronden voor het beroep in de beslissing zijn betrokken. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 8. in de beslissing van de kantonrechter. Dat de kantonrechter niet expliciet op alle door de betrokkene aangedragen argumenten is ingegaan, houdt niet in dat er sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel.

4. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 62 in verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:

“Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

a. groen licht: doorgaan;

b. geel licht: stop: voor bestuurder die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

c. rood licht: stop. ”

5. In zaken op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. In het zaakoverzicht is, naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, zakelijk weergegeven, onder meer opgenomen dat met behulp van roodlichtapparatuur is geconstateerd dat het voertuig met voormeld kenteken blijkens foto 1 de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht heeft geactiveerd op het moment dat het rode verkeerlicht reeds 0,5 seconden brandde en dat het voertuig, zoals blijkt uit foto 2 welke circa een seconde later is genomen, is verder gereden.

7. De foto's van de gedraging bevinden zich in het dossier. Op de eerste foto van de gedraging is een personenauto te zien met de beide voorwielen op/net over de stopstreep. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig is verder gereden en zich voorbij het verkeerslicht bevindt. Op deze foto is rechtsonder het kenteken [00-YY-YY] ingespiegeld. Het verkeerslicht straalt op beide foto's rood licht uit.

8. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Evenmin blijken uit het dossier zulke feiten en omstandigheden, zodat naar de overtuiging van het hof is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

9. Gelet op het gevoerde verweer, dient het hof te beoordelen of er redenen zijn de sanctie achterwege te laten, dan wel te matigen. Voor die beoordeling is relevant of de betrokkene onder de gegeven omstandigheden tijdig heeft kunnen stoppen voor het verkeerslicht. De betrokkene stelt dat dit niet mogelijk was, omdat de bestuurder voor zijn voertuig snelheid minderde waardoor ook zijn echtgenote moest afremmen. Daardoor passeerde het voertuig van de betrokkene niet meer in de geelfase de stopstreep.

10. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd kan worden opgevat als een beroep op overmacht. Een geslaagd beroep op overmacht kan leiden tot het oordeel dat de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat de sanctie achterwege zou moeten blijven. Aan een dergelijk beroep dient ten minste de eis te worden gesteld dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de bestuurder onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan.

Het betoog van de betrokkene ten spijt, het valt niet in te zien waarom zijn echtgenote hier niet had kunnen stoppen voor het verkeerslicht. Uitgangspunt is dat van een bestuurder mag worden verwacht dat hij te allen tijde in staat is het voertuig tijdig en op verantwoorde wijze voor een rood licht uitstralend verkeerslicht tot stilstand te brengen en dat een bestuurder dient te anticiperen op een verkeerslicht dat hij nadert en zijn snelheid zodanig aanpast dat tijdig kan worden gestopt.

Gegeven de verplichting om reeds bij geel licht te stoppen als dat mogelijk is, kan het door de betrokkene beschreven verkeersgedrag van de voorganger van zijn voertuig - daargelaten de vraag in hoeverre dat aannemelijk is geworden - nog niet de conclusie opleveren dat de echtgenote van de betrokkene hier niet kon stoppen.

Derhalve is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken van de situatie dat de bestuurder niet anders heeft kunnen handelen dan ze heeft gedaan. Het beroep op overmacht kan dan ook niet slagen.

11. Ten aanzien van de klacht betreffende de te korte geeltijd overweegt het hof dat in beginsel ervan kan worden uitgegaan dat de duur van de geellichtfase, uitgaande van de toegestane maximumsnelheid en van de veronderstelling dat het voertuig beschikt over de voorgeschreven bedrijfsrem, lang genoeg is om dat voertuig op verantwoorde wijze tijdig voor het rode licht tot stilstand te brengen. Het hof ziet geen aanleiding dat uitgangpunt te verlaten.

Dat adviesbureau [B] in zijn rapport 'Multidisciplinair kijken naar geeltijden' van 3 februari 2016 een iets langere geeltijd adviseert dan de ter plaatse gehanteerde, maakt dat niet anders. Een individuele weggebruiker kan aan dergelijke adviezen, die niet dwingend zijn en zich richten tot de wegbeheerder, op zichzelf geen rechten ontlenen. De klacht treft geen doel.

12. Het hof ziet geen aanleiding om onderhavige zaak te beoordelen met behulp van een stopafstandsberekening. Voor zover de betrokkene aanvoert dat het hof in andere zaken een onjuiste berekening hanteert, gaat het hof daaraan voorbij.

13. Voor zover de betrokkene klaagt over de vastgestelde tarieven overweegt het hof dat op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv de hoogte van deze sanctie - zoals voor elke 'Muldergedraging' - is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. In die bijlage is geen onderscheid gemaakt in sanctiebedragen naar mate het verkeerslicht langer rood uitstraalt bij het passeren daarvan. Niet kan worden geoordeeld dat de regelgever hiermee niet binnen de grenzen van de hem door de wetgever toegekende bevoegdheden is gebleven. Dit bezwaar treft daarom ook geen doel.

14. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Vermeulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting