Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7839

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
21-005343-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:5076, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Anders dan de rechtbank, komt het hof tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/300
PS-Updates.nl 2018-0712
NbSr 2018/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005343-17

Uitspraak d.d.: 4 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2017 met parketnummer 05-881875-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1997,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de duur van het voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal geëist dat de vorderingen van de benadeelde partij worden toegewezen. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Steenbrink, en van hetgeen door mr. E.A.L Ponjee-Scheurwater namens de benadeelde partijen over de vorderingen en in het kader van het spreekrecht, naar voren is gebracht

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 3 oktober 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de duur van het voorarrest, wegens diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. De vorderingen van de drie benadeelde partijen zijn toegewezen, en de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

Verdachte is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met de toepassing van het volwassenenstrafrecht, de strafoplegging die daarop is gevolgd en de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij het feit bekend.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid van de verdachte op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis voor dat deel bevestigen. Het hof komt ten aanzien van de opgelegde straf en de vorderingen van de benadeelde partijen tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straf en/of maatregel

In eerste aanleg is verdachte door de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de duur van het voorarrest. Verdachte is aldus gestraft volgens het volwassenenstrafrecht. De officier van justitie had gevorderd om verdachte met toepassing van het jeugdstrafrecht te veroordelen tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie van twintig maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte in hoger beroep tot dezelfde straf wordt veroordeeld als in eerste aanleg. De advocaat-generaal ziet geen redenen om over te gaan tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. Zij heeft daartoe -kort gezegd en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat verdachte minderjarig was ten tijde van het plegen van het delict en dat de hoofdregel is dat dan het minderjarigenstrafrecht van toepassing is. Er zijn geen redenen aanwezig om daarvan af te wijken. Voorts dient rekening te worden gehouden met de strafmatigende omstandigheden dat verdachte enige tijd onder zwaardere omstandigheden dan het Nederlandse gevangenisregime in Engeland vast heeft gezeten en dat hij vervolgens in Nederland slechts beperkt bezoek heeft gekregen tijdens zijn voorarrest.

Het hof overweegt het volgende.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer nare overval op een woning. Hoewel de overvallers zonder buit vertrokken zijn, hebben het gebruikte geweld en de bedreigingen grote indruk gemaakt op het in de woning aanwezige gezin. De slachtoffers van dit ernstige misdrijf hebben aanzienlijk letsel opgelopen en ondervinden daar vandaag de dag nog steeds de ingrijpende gevolgen van. Uit hun verklaringen blijkt dat bij alle drie de slachtoffers PTSS is gediagnosticeerd, waarvoor zij professionele hulp hebben moeten inschakelen. Hun gevoelens van veiligheid in de eigen woning zijn enorm aangetast. Daarnaast zorgt een dergelijke daad -meer in het algemeen- voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft eerst te beoordelen of bij de strafoplegging het jeugdstrafrecht of het volwassenenstrafrecht van toepassing is op verdachte. Het strafbare feit is begaan op 17 juni 2015, toen was verdachte 17 jaar oud. Uitgangspunt is dat dan het minderjarigenstrafrecht van toepassing is, volgens artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht. Volgens artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht kan daarvan worden afgeweken indien de ernst van het feit, de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven. Het hof is, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat in deze zaak geen redenen aanwezig zijn om tot toepassing van het volwassenenstrafrecht over te gaan.

Ten aanzien van de ernst van het feit overweegt het hof dat er sprake is van een ernstig misdrijf, dat verdachte zeer kwalijk wordt genomen. Het is echter niet van dien aard dat het noopt tot het afwijken van de hoofdregel om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Over de persoon van verdachte is verschillende malen gerapporteerd.

Op 13 september 2017 is door de Raad voor de Kinderbescherming toepassing van het jeugdstrafrecht gepast geacht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming verklaard toepassing van het jeugdstrafrecht nog steeds op zijn plaats te vinden.

Uit het in hoger beroep verrichte psychologisch onderzoek van verdachte, waarvan rapport is opgemaakt op 30 mei 2018, blijkt dat uit de ASR-wegingslijst niet veel contra-indicaties naar voren komen voor het toepassen van het minderjarigenstrafrecht. De ASR-lijst is bedoeld om na te gaan welke sancties bij adolescenten van toepassing zouden zijn. Tegelijkertijd levert weging door middel van de ASR-lijst ook onvoldoende indicatie op om het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Tevens stelt de rapporteur dat in beginsel het jeugdstrafrecht van toepassing is, maar dat de persoonlijkheid van betrokkene evenwel aanleiding geeft om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De vraag hoe de persoonlijkheid dan wel het ontwikkelingsniveau van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde was, kan volgens de rapporteur niet worden beantwoord. Verdachte was ten tijde van het feit 17 jaar en hij was bijna 21 jaar ten tijde van het psychologisch onderzoek. Het hof is van oordeel dat uit dit rapport geen ondubbelzinnige conclusies kunnen worden getrokken die zouden moeten leiden tot afwijking van de hoofdregel, namelijk het toepassen van het jeugdstrafrecht.

In het advies van de Reclassering Nederland van 9 augustus 2018 wordt gesteld dat uit het gesprek met verdachte, de ingewonnen informatie en de ASR geen doorslaggevende factoren naar voren komen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Het hof is echter van oordeel dat bij het innemen van deze stelling uit het oog is verloren dat juist toepassing van het jeugdstrafrecht de hoofdregel is bij een verdachte die als minderjarige een delict heeft gepleegd.

Na kennisneming van de rapportages is het hof van oordeel dat deze stukken geen aanleiding geven om -vanwege de persoon van verdachte- af te wijken van de hoofdregel om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het hof ziet daar zelf evenmin redenen toe.

Naar het oordeel van het hof geven de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd evenmin aanleiding om af te wijken van de hoofdregel.

Voorts overweegt het hof nog dat volgens de Raad geen criminele verharding bij verdachte is geconstateerd. Tevens is het hof van oordeel dat verdachte zich beleefd en meewerkend opstelt. Er lijkt geen sprake van (bijzondere) problematiek.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

Het hof is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zodanig ernstig misdrijf, dat daarvoor enkel een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. Het hof heeft gezien het LOVS-oriëntatiepunt voor jeugdigen voor een woningoverval: “vanaf zes maanden jeugddetentie”. In deze zaak is er echter sprake van een groot aantal strafverzwarende omstandigheden, die maken dat het hof een aanzienlijk hogere straf zal opleggen. Het hof houdt rekening met het feit dat het gaat om een overval waarbij twee daders, met bedekt gezicht en gewapend met een taser en een alarmpistool, in de woning zijn binnengedrongen. Er is sprake van drie slachtoffers, een moeder en haar zoons, waarvan er één nog minderjarig was. Er is gedreigd, maar ook is er zeer fors geweld uitgeoefend: tegen de moeder is de taser meermalen gebruikt en zij is geschopt en gestompt. Één van de zoons is gebeten en met een pan in zijn gezicht geslagen; de ander is in zijn arm gebeten. Alle drie de slachtoffers zijn gewond geraakt door het geweld van de daders. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat de gevolgen voor de slachtoffers zeer ernstig zijn: zij zijn gediagnosticeerd met PTSS. Hun woning is niet langer een veilige plek. Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat een jeugddetentie van 24 maanden in beginsel op zijn plaats zou zijn.

Het hof is echter van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de volgende enigszins strafmatigende omstandigheden. Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte in Nederland een first offender is, hij is hier niet eerder met justitie in aanraking gekomen. In Groot-Brittannië is verdachte wel eerder met justitie in aanraking geweest, zij het voor drugsbezit en niet voor vermogens- of geweldsdelicten. Verdachte heeft zijn rol bij de overval erkend en heeft zijn verantwoordelijkheid hiervoor genomen. Hij heeft spijt betuigd aan de slachtoffers. Verdachte heeft voorafgaand aan zijn overbrenging naar Nederland voor deze zaak gedetineerd gezeten in Engeland in een penitentiaire inrichting voor volwassenen waar de voorzieningen te wensen over lieten. Verdachte heeft vervolgens slechts beperkt bezoek ontvangen in Nederland tijdens zijn voorarrest, en verdachte heeft hier niet in een justitiële jeugdinrichting verbleven, terwijl dat wel het uitgangspunt is voor een verdachte die minderjarig was ten tijde van het plegen van een delict.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een jeugddetentie van 18 maanden een passende en geboden straf is. De tijd die verdachte reeds in overleveringsdetentie en in voorarrest heeft doorgebracht zal daarvan worden afgetrokken. Nu het voorarrest langer heeft geduurd dan de op te leggen straf, heeft het hof bij aparte beslissing de voorlopige hechtenis opgeheven (de dato 22 augustus 2018). Het hof ziet geen aanleiding om -zoals door de rechtbank is gedaan- over te gaan tot oplegging van een voorwaardelijk strafdeel.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.311,94. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden voor een bedrag van € 11.298,02, bestaande uit € 7.500,00 immateriële schade en € 3.798,02 materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof ziet geen redenen om –zoals verzocht door de raadsvrouw- het bedrag aan immateriële schade te matigen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het gaat hierbij om de reiskosten die zijn gevorderd voor een verhoor bij de rechter-commissaris op 10 oktober 2016, waarvan niet is gebleken dat deze kosten door de benadeelde partij zijn gemaakt in de zaak van deze verdachte (48 km x € 0,29 = € 13,92).

De gevorderde proceskosten zijn eveneens voor toewijzing vatbaar, bestaande uit € 218,46 aan kosten in eerste aanleg en € 169,96 aan kosten in hoger beroep.

De raadsvrouw heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel niet toe te passen, omdat verdachte geen draagkracht heeft en dit problemen zou kunnen opleveren op het moment dat verdachte Nederland wil verlaten, met als gevolg dat de maatregel dan zal worden geëxecuteerd.

Het hof overweegt het volgende.

Ingevolge het tweede lid van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter de schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De draagkracht van de verdachte speelt bij de bepaling van de hoogte van het bedrag geen rol. In geval van oplegging van de maatregel bepaalt de rechter de vervangende hechtenis (artikel 36f, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Niettemin kan het gebrek aan draagkracht onder omstandigheden voor de rechter reden zijn ervan af te zien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan sprake zijn. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. Gelet op het vorenstaande zal het hof, nu niet op voorhand vaststaat dat de verdachte in de toekomst niet in staat zal zijn de vordering te voldoen, de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Evenmin is komen vast te staan dat het openstaan van de betalingsverplichting problemen zal opleveren op het moment dat verdachte Nederland wil verlaten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het delict, zal het hof de vervangende hechtenis op 10 dagen jeugddetentie stellen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.201,94. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering is niet gemotiveerd inhoudelijk betwist door de verdediging.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het bedrag bestaat uit € 201,94 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade.

De gevorderde proceskosten zijn eveneens voor toewijzing vatbaar, bestaande uit € 50,88 aan kosten in eerste aanleg.

De raadsvrouw heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel niet toe te passen, omdat verdachte geen draagkracht heeft en dit problemen zou kunnen opleveren op het moment dat verdachte Nederland wil verlaten, met als gevolg dat de maatregel zal worden geëxecuteerd.

Ten aanzien van dit punt verwijst het hof naar hetgeen hierover eerder in dit arrest is overwogen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het delict, zal het hof de vervangende hechtenis op 10 dagen jeugddetentie stellen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.833,27. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het bedrag bestaat uit € 833,27 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade.

De gevorderde proceskosten zijn eveneens voor toewijzing vatbaar, bestaande uit € 147,98 aan kosten in eerste aanleg en € 86,36 aan kosten in hoger beroep.

De raadsvrouw heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel niet toe te passen, omdat verdachte geen draagkracht heeft en dit problemen zou kunnen opleveren op het moment dat verdachte Nederland wil verlaten, met als gevolg dat de maatregel zal worden geëxecuteerd.

Ten aanzien van dit punt verwijst het hof naar hetgeen hierover eerder in dit arrest is overwogen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het delict, zal het hof de vervangende hechtenis op 10 dagen jeugddetentie stellen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de in eerste aanleg opgelegde straf en beslissingen met betrekking tot de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.298,02 (elfduizend tweehonderdachtennegentig euro en twee cent) bestaande uit € 3.798,02 (drieduizend zevenhonderdachtennegentig euro en twee cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 388,42 (driehonderdachtentachtig euro en tweeënveertig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 11.298,02 (elfduizend tweehonderdachtennegentig euro en twee cent) bestaande uit € 3.798,02 (drieduizend zevenhonderdachtennegentig euro en twee cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 juni 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.201,94 (zesduizend tweehonderdéén euro en vierennegentig cent) bestaande uit € 201,94 (tweehonderdéén euro en vierennegentig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 50,88 (vijftig euro en achtentachtig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.201,94 (zesduizend tweehonderdéén euro en vierennegentig cent) bestaande uit € 201,94 (tweehonderdéén euro en vierennegentig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 juni 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.833,27 (zesduizend achthonderddrieëndertig euro en zevenentwintig cent) bestaande uit € 833,27 (achthonderddrieëndertig euro en zevenentwintig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 234,34 (tweehonderdvierendertig euro en vierendertig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.833,27 (zesduizend achthonderddrieëndertig euro en zevenentwintig cent) bestaande uit € 833,27 (achthonderddrieëndertig euro en zevenentwintig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 juni 2015.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige

Aldus gewezen door

mr. M. Barels, voorzitter,

mr. C. Caminada en mr. K.A.J.M. Wetzels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Jochems, griffier,

en op 4 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 4 september 2018.

Tegenwoordig:

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. C.M.M. van der Waerden, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.