Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7820

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
200.234.702
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Geen rekening houden met aflossing schuld aan nieuwe partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.234.702

(zaaknummer rechtbank Overijssel 202712)

beschikking van 30 augustus 2018

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [plaatsnaam] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.P.J.T.M. Seelen te Vriezenveen, gemeente Twenterand,

en

[de man] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. T. Hermans te Enschede.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 27 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 februari 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met één productie;

  • -

    een journaalbericht van mr. Hermans van 7 juni 2018 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Seelen van 19 juni 2018 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 juni 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op 30 oktober 2009 te [plaatsnaam] met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is op 30 december 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 december 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] ), geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] , en

  • -

    [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2] ), geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] ,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Ter gelegenheid van de echtscheiding hebben partijen een ouderschapsplan opgemaakt en ondertekend op 2 december 2016. In dat ouderschapsplan zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“In verband met aanzienlijke huwelijkse schulden (ongeveer € 65.000,-) hebben wij ons gewend tot de Stadsbank Oost Nederland voor een schuldbemiddelingstraject. Bij de Stadsbank heeft ieder van ons een budgetbeheerovereenkomst gesloten en wij ontvangen op basis hiervan ieder een weekgeld, waardoor er thans geen ruimte is voor de betaling van kinderalimentatie.”

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] (hierna ook: kinderalimentatie).

4.2

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek de kinderalimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift vast te stellen op € 136,50 per kind per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht, met compensatie van de proceskosten.

4.3

De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof na wijziging ter mondelinge behandeling, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift in eerste aanleg € 136,50 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, althans zodanig te beslissen als het hof juist acht, kosten rechtens.

4.4

De man is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de compensatie van de proceskosten. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep: primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de man het hof te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties.

4.5

De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof het door de man in het incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

5.1

In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vrouw stelt zich op het standpunt dat dit het geval is omdat de man zich heeft onttrokken aan het schuldbemiddelingstraject bij de Stadsbank. Daarnaast stelt de vrouw dat er geen schulden meer zijn die op de draagkracht van de man drukken omdat de man nu een schuld heeft bij zijn nieuwe partner en aflossing van die schuld leidt tot een ‘vestzak-broekzak’ situatie. De man stelt daartegenover dat de omstandigheden misschien wel zijn gewijzigd, maar dat dit geen rechtens relevante wijziging in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW oplevert.

5.2

Partijen hebben met elkaar in het ouderschapsplan afgesproken dat zij zich tot de Stadsbank zouden wenden voor een schuldbemiddelingstraject en zich aan de afspraken met de Stadsbank zouden houden, zodat de schulden weggewerkt zouden kunnen worden. Doordat de man zich heeft onttrokken aan dit traject, is hij deze afspraak niet nagekomen. Daarnaast is de man na de totstandkoming van het ouderschapsplan gaan samenwonen met zijn nieuwe partner. Gelet op de lening die de man bij zijn nieuwe partner is aangegaan, leveren deze gewijzigde omstandigheden naar het oordeel van het hof een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW op die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

Hoogte behoefte kinderen

5.3

Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de kinderen. Gelet op het geringe verschil zal het hof de door de vrouw gestelde behoefte van € 200,- en de door de man gestelde behoefte van € 195,- middelen en de behoefte van de kinderen vaststellen op € 197,50 per kind per maand.

Draagkracht van de man

5.4

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 920,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.600,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 920,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.5

De man heeft blijkens de salarisspecificatie van mei 2018 een inkomen van € 2.299,53 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld en te verminderen met pensioenpremie en premie WIA. Het hof houdt voorts rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Daarmee stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man vast op € 1.898,-.

5.6

De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met het feit dat hij maandelijks een bedrag van € 300,- aflost aan zijn partner in verband met de schulden die zijn voortgekomen uit het huwelijk van partijen. De vrouw betwist dat met deze € 300,- rekening moet worden gehouden. De man stort weliswaar maandelijks € 300,- van de ene op de andere rekening, maar beide rekeningen zijn door de man en zijn partner in gebruik. Op die manier vloeit de aflossing van € 300,- per maand dus gewoon weer terug in het huishouden van de man en zijn partner, aldus de vrouw.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Ten tijde van de echtscheiding hadden partijen een schuldenlast van ongeveer € 65.000,-. Partijen hebben met elkaar afgesproken zich tot de Stadsbank te wenden om hun schuldenproblematiek op te lossen. Om hem moverende redenen heeft de man het traject bij de Stadsbank stopgezet. In plaats daarvan heeft de man geld geleend bij zijn nieuwe partner en zijn ouders en daarmee heeft hij de huwelijkse schulden afgelost. Als gevolg hiervan heeft de man nu een schuld bij zijn partner en zijn ouders. De man heeft met zijn partner en zijn ouders afgesproken dat hij eerst de schuld aan zijn partner aflost en daarna de schuld aan zijn ouders. Op dit moment lost de man de schuld aan zijn partner af door maandelijks € 300,- van de en/of rekening (waarop het salaris van de man en zijn partner binnenkomt) op een rekening van zijn partner te storten.

Het hof is van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat aflossing van de schuld aan zijn partner prioriteit heeft boven het betalen van kinderalimentatie. Voorts kan het hof niet vaststellen of de overboeking van de man aan zijn partner daadwerkelijk zijn draagkracht doet verminderen. Het is voor het hof niet duidelijk of dit bedrag na aflossing al dan niet terugvloeit in het huishouden van de man en zijn partner. Mede gelet op de vraagtekens die de vrouw hierbij heeft geplaatst, had het op de weg van de man gelegen hierin meer inzicht te verschaffen. Het voorgaande vormt voor het hof reden om geen rekening te houden met de door de man opgevoerde last van € 300,- per maand bij de vaststelling van de kinderalimentatie.

5.8

Gelet op het vorenstaande berekent het hof de draagkracht van de man op € 286,- per maand (70% [€ 1.898,- minus (0,3 x € 1.898,- + € 920,-)]).

Draagkracht van de vrouw

5.9

De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering. Conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen gaat het hof er derhalve van uit dat zij, als verzorgende ouder, geen draagkracht heeft om enig aandeel te leveren in de kosten van de kinderen.

Zorgkorting

5.10

De kinderen verblijven om de week een weekend bij de man. Daarnaast verblijven zij tijdens de zomervakantie gedurende drie weken bij hem, één week gedurende de kerstvakantie en om het jaar één week gedurende de herfstvakantie of de voorjaarsvakantie. Dit maakt dat de man recht heeft op een zorgkorting van 25%. Aangezien de behoefte van de kinderen € 395,- per maand bedraagt, bedraagt de maximale zorgkorting van de man € 98,75 (0,25 x € 395,-).

5.11

De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw (€ 286,- per maand) is onvoldoende om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien. Het tekort bedraagt € 109,- per maand. Dit tekort dient aan beide partijen voor de helft (€ 54,50) te worden toegerekend. Nu het bedrag dat de man aan zorgkorting dient te ontvangen groter is dan het tekort dat voor zijn rekening komt, kan de man zijn zorgkorting deels verzilveren, te weten tot een bedrag van € 44,25. Het hof zal de door de man te betalen kinderalimentatie daarom vaststellen op een bedrag van € 241,75 per maand, ofwel afgerond € 121,- per kind per maand [€ 286,- minus € 44,25].

Ingangsdatum

5.12

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

Het hof acht het redelijk als ingangsdatum voor de kinderalimentatie de datum van deze beschikking te hanteren, nu in de gegeven omstandigheden niet van de man kan worden gevergd de kinderalimentatie met terugwerkende kracht te voldoen.

Proceskostenveroordeling

5.13

De man verzoekt het hof de vrouw te veroordelen in de proceskosten van beide instanties. De vrouw was volledig op de hoogte van de situatie en heeft toch een procedure gestart, waardoor de man nodeloos kosten heeft moeten maken. De man stelt dat het feit dat de vrouw in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard dit standpunt bevestigt. De kosten die de man heeft moeten maken had hij beter kunnen besteden aan aflossing van de schulden. De vrouw betwist dat zij de procedure lichtvaardig en nodeloos is gestart.

5.14

Het hof overweegt als volgt. In zaken als de onderhavige is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Het hof ziet, anders dan de man, geen gronden om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw in hoger beroep in het gelijk is gesteld en daarmee is gegeven dat de vrouw de procedure niet nodeloos is gestart.

6 De slotsom

Het voorgaande leidt ertoe dat het principaal hoger beroep van de vrouw slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van de man faalt. Het hof zal daarom beslissen als hierna zal worden vermeld.

7 Aanhechten berekeningen

Het hof heeft een berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende:

in het principaal hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 27 november 2017, voor zover het de kinderalimentatie betreft,

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijzigt de afspraak uit het ouderschapsplan van 2 december 2016 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 30 augustus 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] € 121,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

in het incidenteel hoger beroep:

verwerpt het beroep.

in het principaal en het incidenteel hoger beroep voorts:

compenseert de kosten van het geding in het principaal en in het incidenteel hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T. ter Brugge, A. Smeeïng-van Hees en H. Phaff, bijgestaan door mr. K. Broere als griffier, en is op 30 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.