Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7724

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
21-003941-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oproepfunctie van de dagvaarding. Artikel 260, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte bezit de Roemeense nationaliteit. De Roemeense vertaling van de dagvaarding bevat lacunes. Verdachte is echter niet in zijn verdediging geschaad. Voor hem moet het volstrekt duidelijk zijn geweest op welke dag, tijd en plaats hij ter terechtzitting in hoger beroep moest verschijnen. Uit het dossier blijkt onder andere dat verdachte de Nederlandse taal spreekt. Verdachte wordt veroordeeld ter zake van de hem ten laste gelegde feiten telkens – kort gezegd – diefstal in vereniging (feiten 1, 2, 3, 4 en 5).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003941-17

Uitspraak d.d.: 23 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 5 juli 2017 met parketnummer 08-730348-17 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, bewezenverklaring van hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. D.M. Coskun, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , heeft bij vonnis van 5 juli 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de hem ten laste gelegde feiten telkens – kort gezegd – diefstal in vereniging (feiten 1, 2, 3, 4 en 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en heeft de politierechter de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep bij preliminair verweer op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in hoger beroep nietig dient te worden verklaard omdat de dagvaarding tekortschiet in haar oproepfunctie. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de locatie, datum en plaats van de behandeling van de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep niet genoemd worden in de schriftelijke vertaling van de dagvaarding (in de Roemeense taal). Volgens de raadsvrouw kan van verdachte, mede gelet op diens beperkte scholing, niet worden gevergd dat hij op deze onderdelen zelf een vertaalslag maakt.

Uit het dossier en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen blijkt dat verdachte de Roemeense nationaliteit heeft, in België woonachtig is en de Nederlandse taal – volgens de verdediging – niet beheerst.

Ingevolge artikel 260, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient aan verdachte daarom (onverwijld) een schriftelijke vertaling van de dagvaarding te worden verstrekt in een voor hem begrijpelijke taal, waarin tevens mededeling wordt gedaan van – onder meer – de plaats, de datum en het tijdstip, waarop hij ter terechtzitting moet verschijnen.

Het hof stelt vast dat naar het van verdachte bekende (Belgische) adres de navolgende stukken zijn gezonden:

  • -

    De gebruikelijke, in de Nederlandse taal opgestelde dagvaarding in hoger beroep, met daarin vermeld het adres van dit hof alsmede de datum en het tijdstip waarop de terechtzitting plaats zal vinden;

  • -

    Een Roemeense vertaling van het hiervoor genoemde stuk, die in zoverre slechts incompleet is dat daarin is opgenomen ‘localitatea adresa’ (in de plaats van Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden) en ‘ziua, data şedinței de judecată, ora ora’ (in de plaats van de Roemeense aanduiding van donderdag, 9 augustus 2018 te 11:15 uur);

  • -

    Een bijlage waarin de dagen van de week en de maanden van het jaar in het Roemeens zijn vertaald.

Het hof stelt op basis van het procesdossier voorts het volgende vast.

  • -

    Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de strafrechtsketendatabank d.d. 8 augustus 2018 blijkt dat verdachte op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] (België) geboren is;

  • -

    Verdachte heeft op 21 juni 2017 tegenover de politie verklaard dat hij normaliter op het adres [adres] verblijft;

  • -

    Uit de door de politie over verdachte opgemaakte ID Staat d.d. 21 juni 2017 blijkt dat verdachte over een Belgische identiteitskaart beschikt;

  • -

    Verdachte heeft op 22 juni 2017 tijdens een politieverhoor waarbij bijstand van een tolk werd verleend, verklaard dat hij Nederlands kan spreken;

  • -

    Uit de verklaringen van aangever [aangever 1] , aangeefster [aangever 2] en getuige [getuige] kan worden afgeleid dat verdachte de Nederlandse taal beheerst. Zo verklaren [aangever 2] en [getuige] over het onder 1 ten laste gelegde feit dat zij één van de mannen, de dikke man (het hof begrijpt: verdachte), vloeiend Nederlands hoorden spreken. Aangever [aangever 1] verklaart daarnaast over het onder 2 ten laste gelegde feit dat hij verdachte en zijn mededader hoorde zeggen dat zij het begrijpelijk vonden dat ze de telefoon niet zelf mochten pakken. Zij boden daarvoor hun excuses aan.

Gelet op het vorenstaande heeft verdachte zelf verklaard dat hij de Nederlandse taal spreekt. Dat verdachte de Nederlandse taal beheerst wordt ook bevestigd door hetgeen de aangevers verklaren. Het hof is van oordeel dat het voor verdachte, gelet op de gebruikelijke, in de Nederlandse taal opgestelde dagvaarding in hoger beroep, met daarin vermeld het adres van dit hof alsmede de datum en het tijdstip waarop de terechtzitting plaats zal vinden in combinatie met de grotendeels Roemeense vertaling van het hiervoor genoemde stuk, in onderlinge samenhang te bezien – volstrekt duidelijk moet zijn geweest op welke dag, tijd en plaats hij ter terechtzitting in hoger beroep moest verschijnen. Verdachte is niet in zijn verdediging geschaad. De suggestie van de raadsvrouw dat verdachte beperkt geschoold zou zijn en daarom geen vertaalslag van de in de Nederlandse taal opgestelde dagvaarding zou kunnen maken, acht het hof onaannemelijk nu daarvoor geen enkele ondersteuning is en deze suggestie wordt weersproken door hetgeen hiervoor is vastgesteld. Het preliminair verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 21 juni 2017 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden armband, in elk geval enig (winkel)goed, geheel of ten dele toebehorende aan juwelier [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

2:
hij op of omstreeks 21 juni 2017 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (iPhone 7 Plus), in elk geval enig (winkel)goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

3:
hij op of omstreeks 17 juni 2017 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S8), in elk geval enig (winkel)goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

4:
hij op of omstreeks 30 mei 2017 te [plaats 3] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (iPhone 6+), in elk geval enig (winkel)goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

5:
hij op of omstreeks 23 mei 2017 te [plaats 4] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S8+), in elk geval enig (winkel)goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het handelen door verdachte en zijn mededader in de verschillende winkels moet worden beschouwd als een truc teneinde de beschikkingsmacht over de goederen te verkrijgen. Om die reden is geen sprake van diefstal zoals is tenlastegelegd, maar van oplichting. Immers staat bij diefstal de wegnemingshandeling centraal, terwijl bij oplichting sprake is van vrijwillige afgifte van een goed door misbruik van vertrouwen, aldus de raadsvrouw.

Het hof is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de aangiften, blijkt dat de tenlastegelegde goederen feitelijk telkens door verdachte en diens mededader in hun gezamenlijke optreden worden weggenomen. Van een vrijwillige afgifte door de verschillende winkeliers is geen sprake geweest. Het hof komt derhalve tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstallen in vereniging. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 21 juni 2017 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden armband, toebehorende aan juwelier [bedrijf 1] ;

2:
hij op 21 juni 2017 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (iPhone 7 Plus), toebehorende aan [bedrijf 2] ;

3:
hij op 17 juni 2017 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S8), toebehorende aan [bedrijf 3] ;

4:
hij op 30 mei 2017 te [plaats 3] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (iPhone 6+), toebehorende aan [benadeelde 1] ;

5:
hij op 23 mei 2017 te [plaats 4] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S8+), toebehorende aan [benadeelde 2] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich tezamen met zijn mededader in de periode van 23 mei 2017 tot en met 21 juni 2017 schuldig gemaakt aan vier winkeldiefstallen in verschillende filialen van de winkelketen [winkelketen] . Daarbij hebben verdachte en diens mededader op professionele en georganiseerde wijze vier dure telefoons weggenomen. Tevens heeft verdachte tezamen met zijn mededader op 21 juni 2017 getracht een gouden armband van juwelier [bedrijf 1] in [plaats 1] te stelen. Door een oplettende medewerkster is dit echter niet gelukt.

Diefstallen zijn ergerlijke feiten die schade en hinder veroorzaken voor de gedupeerden. Door zijn handelen heeft verdachte tot uitdrukking gebracht dat hij geen enkel respect heeft voor de eigendomsrechten van anderen.

Het hof heeft gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 juli 2018. Hieruit blijkt dat verdachte – in Nederland – niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op de professionele en georganiseerde werkwijze van verdachte en diens medeverdachte, alsmede de waarde van de gestolen goederen, is het hof van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële omvang, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 720,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [winkelketen] t.a.v. [naam 1] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [winkelketen] t.a.v. [naam 1] , ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 mei 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [winkelketen] t.a.v. [naam 2] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 720,00 (zevenhonderdtwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [winkelketen] t.a.v. [naam 2] , ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 720,00 (zevenhonderdtwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 mei 2017.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.D. de Boer, griffier,

en op 23 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.C. Fuhler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.