Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7720

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
17/00694
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:2084, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is geen sprake van door de inspecteur gedane onjuiste uitlatingen over een kampeerwagen voor de motorrijtuigenbelasting. Beroep op verschoonbare termijnoverschrijding slaagt niet. Het beroep is door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-09-2018
V-N Vandaag 2018/1850
FutD 2018-2375
V-N 2018/59.20.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 17/00694

uitspraakdatum: 29 augustus 2018

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2017, nummer LEE 16/5001 V, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/kantoor Apeldoorn (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om toepassing van het kwarttarief als bedoeld in artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet Mrb). De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 18 maart 2016 met ingang van 4 januari 2016 toegewezen.

1.2.

De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 6 juni 2016 gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 10 december 2016 beroep tegen die uitspraak ingesteld bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft deze brief op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank).

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 7 februari 2017 na toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het besluit waartegen het beroep is gericht. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet aangetekend. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 16 mei 2017 het verzet gegrond verklaard en met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is sinds 4 april 2007 houder van een motorrijtuig met het kenteken [00-YY-YY] van het merk Moncayo (hierna: het motorrijtuig). De datum van de eerste tenaamstelling van het kentekenbewijs van het motorrijtuig is eveneens 4 april 2007.

2.2.

Het motorrijtuig is een personenauto in de zin van artikel 3 van de Wet Mrb. Het motorrijtuig is ingericht overeenkomstig de eisen die daaraan worden gesteld in artikel 23a van de Wet Mrb.

2.3.

Belanghebbende heeft met ingang van 4 april 2007 de motorrijtuigenbelasting voor het motorrijtuig voldaan naar het tarief voor een personenauto als bedoeld in artikel 23 van de Wet Mrb.

2.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 11 januari 2016, ontvangen door de Inspecteur op 13 januari 2016, een verzoek ingediend om toepassing van het tarief als bedoeld in artikel 23a van de Wet Mrb (hierna: het kwarttarief) met ingang van 4 april 2007.

2.5.

De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 18 maart 2016 – in afwijking van het verzoek van belanghebbende – met ingang van 4 januari 2016 toegewezen.

2.6.

De beschikking is na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 6 juni 2016, gehandhaafd. In de uitspraak is – onder meer – vermeld:

“De voorwaarden die gelden voor de toepassing van het bijzonder tarief voor een kampeerauto staan vermeld in artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de wet) en zijn verder uitgewerkt in artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het besluit).

In artikel 5aa, vierde lid, van het besluit is bepaald dat toepassing van artikel 23a van de wet op verzoek geschiedt.

(…)

Het automatisch toekennen van het bijzonder tarief is niet mogelijk, omdat de wet- en regelgeving vereist dat u zelf een verzoek indient. Bovendien geldt niet voor elke kampeerauto het bijzondere tarief.

Vermelding aanduiding personenauto / kampeerwagen op kentekenbewijs

Het kentekenbewijs wordt afgegeven door de Rijksdienst voor het Wegverkeer en vindt zijn oorsprong in de Wegenverkeerswet (hierna: de WVW). De Belastingdienst/Centrale Administratie houdt zich echter bezig met het uitvoeren van de wet. De wet kent geen zelfstandige definitie van een kampeerauto.

Indien een personenauto aan bepaalde inrichtingseisen voldoet dan is (op verzoek) een kwart van het tarief voor een personenauto van toepassing, aldus het bepaalde in artikel 23a van de wet. In de wet worden ten opzichte van de WVW andere c.q. aanvullende eisen gesteld om een motorrijtuig als kampeerauto aan te merken, waardoor het voor de wet niet van belang is of op het kentekenbewijs de kwalificatie kampeerauto is vermeld.

Het niet op de hoogte zijn van het zelf moeten verzoeken om het kampeertarief vormt geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke voorschriften. Van een belastingplichtige die gebruik wil maken van een gunstige regeling mag worden verwacht dat hij zelf controleert of en hoe deze regeling op hem van toepassing is.”

2.7.

Bij brief van 10 december 2016, door de Inspecteur ontvangen op 16 december 2016, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen die uitspraak. De Inspecteur heeft het beroepschrift vervolgens doorgezonden aan de Rechtbank.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Indien het antwoord ontkennend luidt, dan is in geschil met ingang van welke datum de Inspecteur het kwarttarief dient toe te passen.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot wijziging van de beschikking in die zin, dat het kwarttarief met ingang van 4 april 2007 van toepassing is. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken genoemd in artikel 6:7 van de Awb is ontvangen. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Bij verzending per post is op grond van het bepaalde in artikel 6:9 van de Awb een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2.

Gelet op de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van 6 juni 2016, terwijl niet is gesteld of is gebleken dat de uitspraak op bezwaar na deze datum bekend is geworden, is de beroepstermijn geëindigd op 18 juli 2016. Het beroepschrift van 10 december 2016 is op 16 december 2016 door de Inspecteur ontvangen, derhalve ruim na het einde van de beroepstermijn. De Rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

4.3.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na de termijn ingediend beroepschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding).

4.4.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij door het verstrekken van verkeerde informatie door (een medewerker van) de belastingtelefoon niet direct na ontvangst van de uitspraak op bezwaar beroep heeft aangetekend. Volgens belanghebbende is door de desbetreffende medewerker medegedeeld dat het motorrijtuig als personenauto was aangegeven en dat het derhalve geen zin had om beroep aan te tekenen. Belanghebbende heeft daarop contact opgenomen met de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW), die belanghebbende uiteindelijk eind november 2016 telefonisch mededeelde dat het motorrijtuig vanaf de eerste tenaamstelling op 4 april 2007 bij de RDW als kampeerwagen was geregistreerd, dat dit ook aan de Belastingdienst is doorgegeven en dat Moncayo geen personenauto’s maakt. Volgens belanghebbende was beroep aantekenen binnen zes weken niet mogelijk omdat deze feiten niet eerder bekend waren dan eind november 2016 en deze essentieel zijn voor een rechtvaardig oordeel.

4.5.

Naar het Hof begrijpt, stelt belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de Inspecteur belanghebbende op het verkeerde been heeft gezet door het doen van onjuiste uitlatingen. Naar het oordeel van het Hof zijn de gestelde uitlatingen van de belastingtelefoon echter niet onjuist, nu immers sprake is van een personenauto (in de zin van artikel 3 van de Wet Mrb). Dat het motorrijtuig door de RDW wordt omschreven als kampeerwagen doet daar niet aan af. Deze door de belastingtelefoon verstrekte informatie is bovendien in overeenstemming met hetgeen is vermeld in de uitspraak op bezwaar (zie 2.6), met welke uitspraak belanghebbende het juist oneens was. Naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard, wist hij ten tijde van de ontvangst van de uitspraak op bezwaar dat hij binnen zes weken beroep moest instellen als hij tegen de uitspraak wilde opkomen. Onder deze omstandigheden heeft belanghebbende, door deze mogelijkheid niet binnen de daarvoor gestelde termijn te benutten, niet datgene gedaan wat van hem te dezen redelijkerwijs verwacht mocht worden. Dat belanghebbende kennelijk de keuze heeft gemaakt eerst een en ander na te vragen bij de RDW blijft voor zijn rekening. Daaraan doet niet af dat de door de RDW uiteindelijk verstrekte gegevens klaarblijkelijk voor belanghebbende de aanleiding zijn geweest om alsnog beroep in te stellen, omdat dit immers niet wegneemt dat belanghebbende tijdig beroep had kunnen en moeten instellen.

4.6.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Ook overigens heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 29 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 augustus 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.