Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7695

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
200.229.018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing werking beschikking. Vervangende toestemming verhuizing. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.229.018/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 440649 en 444796)

beschikking van 28 augustus 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Bergen op Zoom,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. G.H. Zijlstra te Soest.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 september 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 28 november 2017;

- de wijziging c.q. aanpassing van het petitum van het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing, ingekomen op 11 december 2017;

- het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing met één productie;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 10 tot en met 12;

- een journaalbericht van mr. Kranenburg van 26 juni 2018 met producties 13 tot en met 16 en producties A tot en met U;

- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 26 juni 2018 met producties 2 tot en met 5;

- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 1 juli 2018 met producties 6 en 7.

2.2

Bij beschikking van 30 januari 2018 (zaaknummer 200.229.018/02) heeft het hof het verzoek van de moeder, schorsing te bevelen van de werking van de beschikking van 27 september 2017, voor zover het betreft de beslissing van de rechtbank dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de inschrijving van [kind 1] op één van de daarin vermelde basisscholen, afgewezen.

2.3

De mondelinge behandeling in de hoofdzaak heeft op 10 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen. Namens de GI is verschenen [medewerker GI] .

3 De feiten

3.1

Partijen hebben van 2011 tot september 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie zijn geboren:

- [kind 1] , op [geboortedatum] te [woonplaats] , en

- [kind 2] , op [geboortedatum] te [woonplaats] ,

verder te noemen: de kinderen.

3.2

De vader heeft de kinderen erkend. De ouders hebben gezamenlijk gezag over de kinderen.

3.3

De kinderen wonen bij de moeder. De ouders zijn na het beëindigen van hun relatie als zorgregeling overeengekomen, dat de vader de kinderen wekelijks op zondag tussen 10.00 en 13.00 uur ziet.

3.4

Bij beschikking van 6 juni 2018 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op verzoek van de raad de kinderen onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 6 juni 2018 tot 6 maart 2019. Die beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5

De vader heeft [kind 1] op 24 november 2017 ingeschreven op de [school 1] te [woonplaats] . [kind 1] heeft deze school nog niet bezocht.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen de ouders zijn in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen met betrekking tot beide kinderen en de onderwijskeuze voor [kind 1] .

4.2

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de volgende beslissing genomen:

4.1

wijzigt de zorgregeling die partijen zijn overeengekomen in die zin dat, zolang de vader nog geen geschikte woonruimte heeft, [kind 1] en [kind 2] bij hem zijn:

- in een vierwekelijks rooster op de zaterdagen van de eerste en de derde week van 10.00 uur tot 19.00 uur en in de tweede en de vierde week de zondag van 10.00 uur tot 13.00 uur;

- elke woensdagmiddag vanaf 15.30 uur tot en met 19.00 uur;

- in de zomer-, kerst- en meivakantie: per vakantie één door de vader aan te wijzen week;

- in de voorjaarsvakantie: twee door de vader aan te wijzen dagen.

Voor de vakanties geldt dat de vader met de kinderen bij zijn ouders of in een vakantiewoning zal overnachten.

Zodra de vader andere woonruimte heeft gevonden en [kind 1] en [kind 2] bij hem kunnen overnachten, zullen [kind 1] en [kind 2] bij hem verblijven:

- in de oneven weken van vrijdagavond 18.30 uur tot zondagavond 17.00 uur;

- in de even weken van vrijdagavond 18.30 uur tot zaterdagochtend 10.00 uur;

- elke woensdagmiddag vanaf 15.30 uur tot en met 19.00 uur;

- in de vakanties conform het aangehechte schema.

4.2

bepaalt dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan inschrijving van [kind 1] , geboren [geboortedatum] 2012 te [woonplaats] , op de [school 2] dan wel de [school 1] , beiden te [woonplaats] , indien de moeder niet binnen een week na ontvangst van deze beschikking haar medewerking heeft verleend, komt deze beschikking in de plaats van de toestemming en de medewerking van de moeder;

4.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

wijst af het meer of anders verzochte;

4.5

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.3

De moeder is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven één tot en met drie zien op de zorgregeling. De grieven vier tot en met zeven zien op het verlenen van vervangende toestemming aan de vader voor inschrijving van [kind 1] op de basisschool. Grief 8 ziet op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Grief 9 ziet op de beslissing van de rechtbank om het verzoek van de moeder in eerste aanleg tot het geven van thuisonderwijs aan [kind 1] af te wijzen.

De moeder verzoekt - na wijziging van haar verzoek - het hof bij beschikking de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vader als in eerste aanleg gedaan af te wijzen en tussen de vader en de kinderen de zorgregeling vast te stellen als door de moeder weergegeven in productie 15A van haar beroepschrift en deze zorgregeling door aanhechting aan de ten deze af te geven uitspraak te bekrachtigen, danwel een dusdanige zorgregeling als het hof in goede justitie vermeent dat behoort, waarin rekening wordt gehouden met de ‘praktische’ bezwaren zijdens de moeder gericht tegen de door de rechtbank in eerste aanleg vastgestelde en aangehechte zorgregeling.

4.4

De vader voert verweer en hij is met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen ter zake de door hem verzochte en door de rechtbank afgewezen dwangsom. De vader verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar verzoek in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen, de bestreden beschikking te bevestigen zo nodig onder verbetering van gronden en de moeder te bevelen haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de inschrijving van [kind 1] op de [school 2] danwel de [school 1] beide te [woonplaats] en alles te doen om de schoolgang van [kind 1] te bevorderen, daaronder begrepen doch niet daartoe beperkt, [kind 1] op de school ingeschreven te houden, haar dagelijks naar school te brengen en weer op te halen en ervoor te zorgen dat [kind 1] dagelijks conform het schoolrooster in de klas aanwezig is en voorts alles na te laten wat de schoolgang zou kunnen belemmeren, alles onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, een gedeelte van een dag te rekenen voor een hele dag dat de moeder in gebreke mocht blijven aan de ten deze te geven beschikking te voldoen.

4.5

De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn incidenteel hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen.

4.6

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

ten aanzien van de processtukken

5.1

De vader heeft ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen het indienen door (de advocaat van) de moeder van productie 14 (reactie van de moeder op het verweerschrift in hoger beroep van de vader), productie T, die de moeder ter onderbouwing van productie 14 heeft overgelegd (verklaring van de moeder over (het verkrijgen van) informatie over de staat van haar huishouden), productie 15B (motivatie van de moeder voor een andere zorgregeling dan de rechtbank in eerste aanleg heeft vastgesteld) en productie 16 (verklaring van de moeder omtrent thuisonderwijs). Het bezwaar van de vader houdt in, dat deze stukken een verkapt verweer inhouden tegen hetgeen hij in zijn verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd. Hij verzoekt de betreffende stukken als strijdig met de wet en het procesreglement buiten beschouwing te laten.

5.2

De moeder heeft daartegen verweer gevoerd. Zij voert aan dat het verweerschrift in hoger beroep veel lijviger is dan de processtukken van de vader in eerste aanleg. Om proceseconomische redenen heeft zij er voor gekozen op deze wijze te reageren op het verweerschrift van de vader, aldus de moeder.

5.3

Ingevolge artikel 347 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) in verbinding met artikel 362 Rv geldt in hoger beroep de zogeheten twee-conclusie regel die met zich brengt dat beroepsgronden in beginsel niet later dan in het beroepschrift kunnen worden aangevoerd. Onder verwijzing naar de twee-conclusie regel heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling overwogen en beslist dat voormelde producties 14, 15B, 16 en T buiten beschouwing zullen worden gelaten. Gesteld noch gebleken is dat in de jurisprudentie aanvaarde uitzonderingen op de twee-conclusie regel (kort gezegd: ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij, nova en de bijzondere aard van de desbetreffende procedure) met betrekking tot deze stukken aan de orde zijn.

Tegen de (overige) producties die de moeder heeft toegevoegd aan productie 14 (zijnde producties D tot en met S en U), aan productie 15B (zijnde producties A tot en met D) en aan productie 16 (zijnde producties J tot en met O), is door de vader geen bezwaar geuit. Deze producties neemt het hof in aanmerking.

ten aanzien van de zorgregeling

5.4

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.5

Tussen de ouders is niet in geschil dat de omstandigheden zijn gewijzigd na de zorgregeling die zij aanvankelijk, na de beëindiging van hun relatie, voor de kinderen zijn overeengekomen (hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 3.3). Beide ouders achten het in het belang van de kinderen dat die zorgregeling wordt verruimd. Zij verschillen echter van mening over de vraag op welke wijze en in hoeverre de zorgregeling moet worden verruimd.

5.6

Het hof overweegt dat het bij zijn beslissing over de wijziging en invulling van de zorgregeling alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen, waarbij het belang van de kinderen voorop staat, maar niet doorslaggevend is. Het hof komt tot de na te melden afweging en beslissing. Daarbij maakt het hof, overeenkomstig de standpunten van de ouders en de beslissing van de rechtbank, onderscheid tussen de situatie dat de vader nog geen geschikte woonruimte heeft voor het overnachten van de kinderen en de situatie dat hij andere woonruimte heeft gevonden en de kinderen bij hem kunnen overnachten.

Voor de situatie dat de vader nog geen geschikte woonruimte heeft voor het overnachten van de kinderen

- de zorgregeling voor de weekenden

5.7

De vader verzoekt het hof om bekrachtiging van de weekendregeling, die de rechtbank heeft vastgesteld, inhoudende dat de kinderen bij hem zijn in een vierwekelijks rooster op de zaterdagen van de eerste en de derde week van 10.00 uur tot 19.00 uur en in de tweede en de vierde week de zondag van 10.00 uur tot 13.00 uur.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard, dat deze regeling wordt nagekomen en inmiddels is uitgebreid. Ook op de zondagen verblijven de kinderen nu bij hem van 10.00 uur tot 19.00 uur, behalve wanneer hij storingsdienst heeft. In dat geval verblijven de kinderen bij hem van 10.00 uur tot 13.00 uur. Hij heeft met zijn werkgever besproken om te stoppen met de storingsdienst en dat is akkoord, zo heeft de vader verder verklaard.

5.8

De moeder stelt voor in punt 5.B. van de door haar verzochte zorgregeling (overgelegd als productie 15A) als weekendregeling vast te stellen, dat de kinderen bij de vader verblijven in een vierwekelijks ritme als volgt:

a. a) in het weekend van storingsdienst verblijven de kinderen bij de moeder;

b) in de weekenden na de storingsdienst verblijven de kinderen afwisselend bij vader en moeder, te beginnen met verblijf bij vader in het eerste weekend na de storingsdienst.

Als door wisseling in het vierwekelijks ritme van storingsdienstweken (maar wel vijf maanden tevoren aangekondigd) het vierwekelijks ritme gebroken wordt, dan begint het schema opnieuw met verblijf bij moeder in het weekend waarin vader storingsdienst heeft.

Voor de situatie dat de kinderen nog geen overnachtingsmogelijkheid hebben bij de vader, stelt de moeder met betrekking tot vorenstaande weekendregeling voor dat de kinderen in de betreffende weekenden dat zij bij de vader verblijven daar zijn op zaterdag van 9.30 uur tot 19.00 uur en op zondag van 9.30 uur tot 19.00 uur (beide dagen exclusief ontbijt en inclusief avondmaaltijd).

5.9

Het hof overweegt als volgt. De vader heeft voldoende onderbouwd gesteld dat hij in staat is om invulling te geven aan de door hem verzochte weekendregeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij de door de rechtbank vastgestelde weekendregeling goed naleeft, hetgeen de moeder niet, althans onvoldoende, heeft weersproken. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat die weekendregeling, waarbij de kinderen afwisselend de ene week op zaterdag en de andere week op zondag bij de vader verblijven, wordt gecontinueerd. Anders dan in het voorstel van de moeder, is hiermee (naast het korte contactmoment op de woensdag) het wekelijks contact tussen de vader en de kinderen gedurende één (volledige) weekenddag gewaarborgd en is de zorgregeling niet afhankelijk gesteld van de vraag of de vader storingsdienst heeft. De vader heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij met de storingsdienst kan gaan stoppen, maar niet duidelijk is wanneer dit ingaat en voor welke termijn. Met de storingsdienst houdt het hof daarom (vooralsnog) rekening.

Het bezwaar van de moeder, dat zij bij deze weekendregeling geen enkel weekend de kinderen volledig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Wekelijks contact tussen de vader en de kinderen - na een periode van beperkt onderling contact - kan bijdragen aan het herstellen en versterken van hun onderlinge (vertrouwens)band.

- de zorgregeling voor de woensdagmiddag

5.10

De vader verzoekt in hoger beroep bekrachtiging van de door de rechtbank vastgestelde regeling voor de woensdagmiddag, die inhoudt dat de kinderen bij de vader verblijven elke woensdagmiddag vanaf 15.30 uur tot en met 19.00 uur.

5.11

De moeder stelt voor, dat de vader de kinderen op de woensdagen ziet van 18.30 uur tot 19.00 uur om even met hen buiten te spelen. Daarbij stelt de moeder als voorwaarde, dat de vader elke maandag vóór 21.00 uur per e-mail of whatsapp bericht geeft aan de moeder als hij de kinderen de dan volgende woensdag wil zien. Als het weer op die woensdag het volgens de vader niet toelaat om buiten te spelen, dient de vader dat persoonlijk vóór 18.15 uur aan de kinderen uit te leggen (punt 5C van de door de moeder voorgestelde zorgregeling in productie 15A).

5.12

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders recentelijk (tijdens de mondelinge behandeling op 5 juni 2018 door de kinderrechter van de door de raad verzochte ondertoezichtstelling van de kinderen) de onderlinge afspraak hebben gemaakt, dat de vader op de woensdagen de kinderen om 18.30 uur ophaalt bij de moeder om naar de speeltuin te gaan en hen na een half uur terugbrengt naar de moeder. De vader heeft toegelicht dat hij graag contact met de kinderen op woensdag na schooltijd heeft, maar dat zijn tijd beperkt is door zijn werk en de opleiding die hij daarnaast volgt.

Het hof zal de zorgregeling voor de woensdag, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, bekrachtigen. Deze regeling komt naar het oordeel van het hof tegemoet aan het belang van de kinderen bij een doordeweeks contactmoment met de vader, waarin zij voldoende tijd met elkaar kunnen doorbrengen en ook met elkaar kunnen eten. Het staat de ouders vrij om in onderling overleg (tijdelijk) een beperkte afspraak te maken, indien de nakoming van deze zorgregeling door werk en studie van de vader (tijdelijk) niet mogelijk is.

- de zorgregeling voor de vakanties

5.13

De vader verzoekt in hoger beroep bekrachtiging van de door de rechtbank vastgestelde regeling voor de vakanties, inhoudende dat de kinderen bij hem verblijven:

- in de zomer-, kerst- en meivakantie: per vakantie één door de vader aan te wijzen week;

- in de voorjaarsvakantie: twee door de vader aan te wijzen dagen.

Voor de vakanties geldt dat de vader met de kinderen bij zijn ouders of in een vakantiewoning zal overnachten. De vader acht een opbouw in het aantal dagen dat de kinderen bij hem overnachten tijdens de vakanties niet nodig.

5.14

De moeder heeft onder punt 6 van de door haar (in productie 15A) voorgestelde zorgregeling het volgens haar wenselijke aantal vakantiedagen en aaneensluitende overnachtingen dat de kinderen bij de vader verblijven, als volgt uitgewerkt.

(…)

6.B. Beperkingen

6.B.1. Zorg voor veilige binding-aaneensluitende overnachtingen

Als er een orthopedagoog betrokken is bij de kinderen, leggen beide ouders zich neer bij zijn/haar mening en advies ten aanzien van de wenselijkheid van overnachtingen bij vader en of moeder.

Als er geen orthopedagoog betrokken is bij de kinderen geldt:

Bij een gepland meerdaags verblijf met meer dan een overnachting bij de vader moet deze ervoor gezorgd hebben dat de kinderen in de negen weken voorafgaand aan dat meerdaags verblijf minstens drie maal een enkele nacht onder zijn zorg hebben overnacht. Bovendien zal dan, tenzij de ouders in goed overleg anders overeengekomen, het maximaal aantal aaneensluitende overnachtingen bij vader als volgt worden opgebouwd:

Leeftijd kind

Maximaal aantal aaneensluitende overnachtingen bij vader

0 tot 3

2

4

3

5

4

6 of 7

6

8 of 9

8

10 of 11

14

12 tot 15

21

6.B.2. Aantal vakantiedagen

Maximum aantal dagen

Voor zowel vader als moeder gelden de in onderstaande tabel genoemde maximum aantallen dagen die zij kunnen claimen als vakantiedag.

Maximum aantal dagen

Het is voor zowel de kinderen als de ouder belangrijk dat zij leren hoe het is om vaker en langer achtereen bij elkaar zijn. Daarom moet sterke onregelmatigheid in het aantal vakantiedagen, in het belang van de kinderen worden voorkomen.

Als vader in een bepaald jaar niet het hieronder genoemde minimum aantal vakantiedagen voor de kinderen zorgt, wordt in het daaropvolgende jaar het maximum aantal vakantiedagen gelijk gesteld aan het bij dat jaar genoemde minimum aantal dagen.

Vakantiedagen die samen vallen met gewone zorg-dagen (volgens artikel 5) worden hierbij niet meegeteld.

Jaar

Minimum aantal dagen

Maximum aantal dagen

2018

10

24

2019

12

28

2020

14

32

2021

16

36

2022 en verder

18

40

(…)

5.15

Het hof overweegt als volgt. De ouders verschillen van mening over het aantal vakantiedagen dat de kinderen bij de vader verblijven en over de vraag of een opbouw daarvan noodzakelijk is.

Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde vakantieregeling bekrachtigen. Daarbij geldt dat, zolang de vader niet over andere woonruimte beschikt waar de kinderen kunnen overnachten, tijdens de vakanties de vader met de kinderen bij zijn ouders of in een vakantiewoning zal overnachten. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij, naast de zorgregeling voor de weekenden en de woensdag, gedurende een gedeelte van de (school)vakantieperiodes bij de vader kunnen verblijven. Door bij die vakantieperiodes aan te sluiten wordt, anders dan in het voorstel van de moeder waarbij wordt uitgegaan van een aantal dagen per jaar (niet gekoppeld aan de schoolvakanties), regelmaat en duidelijkheid geboden in de vakantieregeling.

Wat betreft (de opbouw in) het aantal vakantiedagen dat de kinderen achtereenvolgens bij de vader verblijven overweegt het hof verder, gehoord het advies van de raad en de GI tijdens de mondelinge behandeling, waarin het hof zich kan vinden, dat van belemmeringen waardoor de kinderen niet meerdere dagen aaneengesloten bij de vader kunnen overnachten, zoals de moeder stelt, niet is gebleken. Het hof volgt de moeder daarom niet in haar voorstel het aantal aaneengesloten overnachtingen van de kinderen bij de vader te laten afhangen van hun leeftijd.

Gelet op het door de moeder tijdens de mondelinge behandeling benoemde gedrag van [kind 2] nadat zij begin dit jaar bij de vader had gelogeerd (niet meer zindelijk, bang, aanhankelijk, veel aan de borst willen drinken), waardoor de moeder de kinderen vanaf maart 2018 niet meer bij de vader heeft laten logeren, hebben de raad en de GI wel een goede opbouw geadviseerd. De kinderen kunnen dan wennen aan een langer verblijf bij de vader met overnachtingen en zich voldoende veilig voelen. Het hof volgt dit advies. De moeder heeft nog aangevoerd dat [kind 2] niet langer dan een nacht kan overnachten bij de vader omdat zij soms nog om borstvoeding vraagt. Het hof houdt daar geen rekening mee nu de moeder niet heeft betwist het daartegen door de vader gevoerde verweer dat [kind 2] op geen enkele manier meer afhankelijk is van borstvoeding door de moeder. Het feit dat [kind 2] daar soms nog om zou vragen dient, mede gelet op de leeftijd van [kind 2] , niet in de weg te staan aan een zorgregeling met overnachtingen bij de vader.

Concluderend zal het hof de regeling van de rechtbank bekrachtigen. Welke opbouw passend is in het belang van de kinderen wordt aan de jeugdbeschermer overgelaten. De eerste vakantie zal de kerstvakantie zijn.

Voor de situatie dat de vader geschikte woonruimte heeft voor het overnachten van de kinderen

- de zorgregeling voor de weekenden

5.16

De vader verzoekt in hoger beroep bekrachtiging van de weekendregeling, die de rechtbank heeft vastgesteld voor de situatie dat hij over geschikte woonruimte beschikt voor het overnachten van de kinderen, inhoudende dat de kinderen bij hem verblijven in de oneven weken van vrijdagavond 18.30 uur tot zondagavond 17.00 uur en in de even weken van vrijdagavond 18.30 uur tot zaterdagochtend 10.00 uur.

5.17

De moeder heeft onder punt 5.E.2 van de door haar (in productie 15A) verzochte zorgregeling voorgesteld, dat de vader in de weekenden waarin hij de zorg voor de kinderen heeft, de kinderen zal verzorgen van vrijdag 18.00 uur (inclusief avondmaaltijd) tot en met zondag 19.00 uur (inclusief avondmaaltijd). Met dien verstande dat:

1. Beide ouders zich zullen neerleggen bij het advies van de bij de kinderen betrokken orthopedagoog betreffende de wenselijkheid van overnachting van de kinderen bij de vader;

2. Als er geen orthopedagoog betrokken is bij de kinderen, een kind tot en met vierjarige leeftijd geen overnachting bij vader heeft in de weekenden, een kind van vijf- tot en met zesjarige leeftijd één overnachting heeft bij de vader;

3. Als een kind geen weekend-overnachting heeft bij vader, zijn de omgangstijden zoals genoemd onder 5.c.1 “zonder overnachting”;

4. Als een kind één weekendovernachting heeft dan begint voor dat kind de omgang niet op vrijdagavond maar op zaterdagochtend om 9.30 uur.

Het hof begrijpt het voorstel van de moeder aldus (in samenhang gezien met haar voorstel onder punt 5.B. van productie 15A, in deze beschikking weergegeven onder rechtsoverweging 5.5), dat zij een weekendregeling per veertien dagen wenst.

5.18

Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de weekendregeling bekrachtigen. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat voor zowel de oneven weken als de even weken een vaste regeling geldt, zodat, anders dan in het voorstel van de moeder, naast het (korte) contactmoment op de woensdag wekelijks contact tussen de kinderen en de vader is gewaarborgd. Van feiten of omstandigheden, die verhinderen dat de kinderen tijdens de weekenden niet meerdere dagen aaneengesloten bij de vader kunnen overnachten zodra hij over daarvoor geschikte woonruimte beschikt, is het hof niet gebleken. In lijn met hetgeen hiervoor onder 5.15 is overwogen, dient wel op het moment dat de nieuwe weekendregeling aan de orde is, de kinderen gelegenheid worden geboden aan die nieuwe regeling te wennen door middel van een (korte) opbouw. Deze opbouw dienen ouders zelf vorm te geven, zonodig na overleg of aansturing door de jeugdbeschermer.

De moeder heeft in de door haar voorgestelde weekendregeling andere begin- en eindtijden genoemd dan de tijden die de rechtbank in de bestreden beslissing heeft vastgelegd. Omdat de moeder niet heeft onderbouwd waarom andere tijden dienen te gelden, ziet het hof geen reden om de bestreden beslissing op dit punt te wijzigen.

- de zorgregeling voor de woensdag

5.19

De zorgregeling voor de woensdag, zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 5.12, blijft ook van toepassing wanneer de vader over andere woonruimte beschikt waar de kinderen kunnen overnachten.

- de zorgregeling voor de vakanties

5.20

De vader verzoekt in hoger beroep bekrachtiging van de vakantieregeling, die de rechtbank heeft vastgesteld voor de situatie dat hij over geschikte woonruimte beschikt voor het overnachten van de kinderen, zoals weergegeven op het schema dat aan de bestreden beschikking is gehecht.

De moeder heeft onder punt 6 van de door haar (in productie 15A) voorgestelde zorgregeling het volgens haar wenselijke aantal vakantiedagen en aaneensluitende overnachtingen dat de kinderen bij de vader verblijven, uitgewerkt, hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 5.14.

5.21

Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde vakantieregeling bekrachtigen en verwijst voor de motivering van deze beslissing kortheidshalve naar rechtsoverweging 5.15 van deze beschikking.

Uitvoering van de zorgregeling

5.22

In vorenstaande overwegingen heeft het hof nog geen beslissing genomen over de door de moeder in hoger beroep naar voren gebrachte bezwaren en wensen die verband houden met de uitvoering van de zorgregeling. De moeder is van mening dat onvoldoende is geregeld waar en bij wie de kinderen eten, op welk moment de vader aan de moeder moet aangeven welke week hij de kinderen bij zich wil hebben in de zomer-, kerst- en meivakantie én op welk moment de vader aan de moeder moet aangeven wat de planning is van zijn bereikbaarheidsdienst De moeder wenst verder dat de overdracht van de kinderen van de ene naar de andere ouder in de woonkamer plaatsvindt en niet bij de voordeur, dat wanneer de omgang op woensdag niet kan plaatsvinden de vader haar hierover tijdig informeert en hij zelf de kinderen daarvan op de hoogte stelt (zie hiervoor rechtsoverweging 5.11) én zij wenst dat een sanctie wordt verbonden aan het niet nakomen van de zorgregeling.

5.23

Het hof overweegt dat de ouders in onderling overleg en zo nodig in samenspraak met de jeugdbeschermer afspraken dienen te maken over praktische details die kunnen bijdragen aan een goede uitvoering van de zorgregeling. Het vastleggen van dergelijke afspraken in een beschikking, zoals de moeder kennelijk wenst, is met het oog op de noodzakelijke flexibiliteit niet in het belang van de kinderen.

5.24

Concluderend zal het hof de bestreden beschikking wat betreft de zorgregeling bekrachtigen.

ten aanzien van het verzoek om vervangende toestemming voor inschrijving op een school

5.25

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.26

De moeder heeft aangevoerd dat een gezagsconflict in de zin van voornoemd artikel alleen kan optreden bij een nieuwe maatregel die een ouder jegens een kind wil gaan treffen en dat het in onderhavige geval daarentegen gaat om een continuering van de bestaande situatie. Voor zover de moeder daarmee heeft willen betogen dat de vader (in hoger beroep) niet kan worden ontvangen in zijn verzoek om vervangende toestemming dan wel dat zijn verzoek reeds om deze reden moet worden afgewezen, gaat het hof daaraan voorbij omdat zij uitgaat van een onjuist standpunt. Het onderhavige geschil betreft een gezagsgeschil dat door de vader op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW in eerste aanleg aan de rechtbank en in hoger beroep aan het hof ter beoordeling kan worden voorgelegd.

5.27

De moeder wil niet meewerken aan inschrijving van [kind 1] op een basisschool en aan het faciliteren van de schoolgang. De moeder wil zelf thuisonderwijs geven aan [kind 1] . Zij voert – samengevat – het volgende aan. Zij heeft op basis van haar levensovertuiging bezwaar tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen. Dit geldt ook voor de door de vader voorgestelde scholen. Op grond van haar richtingsbezwaren is aan haar vrijstelling van de plicht tot inschrijving van [kind 1] als leerling van een school verleend (ex. artikel 5 onder b Leerplichtwet). Zij is in staat om een goede invulling te geven aan het thuisonderwijs. Ze heeft een certificaat van de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs verkregen voor de komende drie jaar, zij heeft een onderwijsplan opgesteld en volgt scholing gericht op het geven van thuisonderwijs. Het gezin is actief binnen de thuisonderwijs gemeenschap. [kind 1] heeft voldoende contact met leeftijdgenoten. Het huishouden en dagritme van de moeder zijn op orde. De rechtbank heeft ten onrechte in haar overweging meegenomen het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg, dat kort gezegd inhoudt dat schoolgang in het belang van [kind 1] is. De moeder betwist dat en wijst op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar thuisonderwijs. Een nader inhoudelijk raadsonderzoek lijkt aan de orde, aldus de moeder.

5.28

De vader bepleit regulier basisonderwijs voor [kind 1] . Hij voert – samengevat – het volgende aan. De moeder is gelet op haar beperkingen niet in staat deugdelijk thuisonderwijs te geven, op korte termijn noch op lange termijn. Zij is 100% arbeidsongeschikt vanwege een conversiestoornis waaraan zij lijdt. Zij heeft als gevolg van haar beperking niet voldoende energie, is niet voldoende beschikbaar, is niet voldoende stressbestendig en is niet in staat een gestructureerde leefomgeving te bieden, hetgeen voor een deugdelijk thuisonderwijs is vereist. Voorts noemt de vader als bezwaren tegen thuisonderwijs, samengevat, dat de moeder niet over een pedagogische opleiding en/of ervaring beschikt, zij niet over de (financiële) middelen voor thuisonderwijs beschikt, thuisonderwijs het gebrek aan sociale contacten van de kinderen verder versterkt en geen enkele vorm van controle aanwezig is. De moeder is niet in staat een behoorlijke huishouding te voeren en zorg te dragen voor een goede verzorging van de kinderen. De moeder heeft niet onderbouwd waaruit haar levensovertuiging bestaat en waarom het niet in het belang van [kind 1] is om regulier basisonderwijs te volgen. De door de moeder gestelde richtingsbedenkingen worden door de vader betwist en zijn naar zijn mening ook niet uitsluitend bepalend voor het oordeel of medewerking aan het thuisonderwijs moet worden verleend. In de beoordeling dienen zijn bedenkingen tegen het thuisonderwijs van de moeder worden meegewogen, aldus de vader.

5.29

Het hof overweegt als volgt. De ouders verschillen van mening over welk onderwijs in het belang van [kind 1] is. De vader bepleit regulier basisonderwijs en de moeder thuisonderwijs. Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Voor het gelasten van een nader raadsonderzoek, zoals door de moeder is geopperd en waartegen de vader verweer heeft gevoerd, bestaat naar het oordeel van het hof geen noodzaak. Het hof overweegt verder als volgt.

5.30

De moeder is in geval van thuisonderwijs alleen verantwoordelijk voor de omvang en de inhoud van het onderwijs aan [kind 1] . Essentieel voor het zelf geven van thuisonderwijs is dat de moeder in staat is hieraan voortdurend en gestructureerd vorm te geven en dat zij hiervoor voldoende beschikbaar, belastbaar en gekwalificeerd is.

Voor de beantwoording van de vraag of de moeder hieraan kan voldoen acht het hof het volgende van belang. Onbetwist staat vast dat de moeder een conversiestoornis heeft, die zich kan uiten in fysieke uitvalsverschijnselen. De moeder ontvangt in verband daarmee een Wajong-uitkering. De vader stelt dat de moeder volledig arbeidsongeschikt is. De moeder betwist dit. Zij zegt deels arbeidsgeschikt te zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder de stelling van de vader over haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende onderbouwd weerlegd. Zij heeft nagelaten inzichtelijk te maken wat de beperking(en) is (zijn) die aan de Wajonguitkering ten grondslag ligt (liggen) en wat dit betekent voor haar mate van arbeids(on)geschiktheid en daarmee samenhangend haar belastbaarheid.

5.31

Bij gebreke van een medische onderbouwing van de (fysieke) gesteldheid van de moeder en de gevolgen van de conversiestoornis voor haar functioneren, baseert het hof zich (enkel) op hetgeen hem uit de processtukken waaronder de rapportage van het onderzoek door Veilig Thuis dat is gestart op 24 mei 2017 en het raadsrapport van 15 mei 2018 in het kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen blijkt omtrent haar fysieke belastbaarheid en beschikbaarheid

In voornoemde rapportage van Veilig Thuis staat in de conclusie: “(…) Daarnaast maakt Veilig Thuis zich zorgen over de belastbaarheid van moeder, waarbij zij door haar fysieke situatie in stressmomenten in mindere mate beschikbaar is. Moeder ervaart op deze momenten vermoeidheid, uitvalsverschijnselen en moeite met het oppakken van huishoudelijke taken en structureren. (…)”

In voornoemd raadsrapport staat in de beantwoording van de onderzoeksvragen (op pag. 24)

“(…) Wat betreft de specifieke opvoedsituatie bij moeder en haar fysieke en emotionele beschikbaarheid, is de RvdK bezorgd dat er bij moeder sprake is van een geringe belastbaarheid. Moeder heeft een conversiestoornis waardoor zij met momenten uitvalsverschijnselen heeft en minder mobiel is. Hoewel zij aandacht voor balans in haar leven heeft, geeft moeder aan dagelijks in de middag een rustmoment in te moeten bouwen en doet zij volgens de RvdK een groot beroep op haar partner en netwerk. Hoewel er op initiatief van moeder veel hulp geboden wordt, hetgeen een kracht is, ziet de RvdK ook dat hier een noodzaak toe is. Daarbij komt dat thuisonderwijs voor een nog grotere belasting zorgt, die wanneer [kind 2] leerplichtig wordt nog meer zal toenemen. Moeder geeft aan dat de uitvalsverschijnselen getriggerd worden door stress. De RvdK voorziet in de nabije toekomst een toename van spanning door de juridische procedures (aangaande onderwijs) en het traject dat ouders nog met elkaar moeten aangaan. Hierdoor is de RvdK bezorgd dat moeder minder beschikbaar kan zijn voor de kinderen. Tevens leeft in het algemeen de vraag of moeder, in de loop van de tijd, in fysiek opzicht, voldoende kan anticiperen/beschikbaar kan zijn voor de kinderen, wanneer zij groter en beweeglijker worden en meer naar buiten zullen gaan. (…)”

Naar het oordeel van het hof heeft de vader zijn stelling, dat de moeder als gevolg van haar aandoening onvoldoende belastbaar en onvoldoende beschikbaar is voor het geven van thuisonderwijs, in het licht van vorenstaande informatie voldoende aannemelijk gemaakt en heeft de moeder deze stelling onvoldoende onderbouwd weersproken. De omstandigheden dat het voor de moeder noodzakelijk is dat zij in de uitoefening van haar huishoudelijke taken ondersteuning heeft van huishoudelijke hulp (zij heeft een WMO-indicatie voor 5 uur huishoudelijke hulp per week),van haar ouders en haar partner, dat zij overdag onbetwist rusttijd nodig heeft en dat zij moeite kan hebben met structuren vormen, zijn bij gebreke van (medische) informatie die dat tegenspreekt, voldoende aanwijzing dat de continuïteit van het onderwijs en een gestructureerd onderwijsaanbod bij thuisonderwijs door de moeder gevaar lopen en onvoldoende gewaarborgd zijn. Het hof is van oordeel dat het (verder) volgen van thuisonderwijs daarom niet in het belang van [kind 1] is en zij regulier onderwijs dient te gaan volgen. Het hof betrekt bij dat oordeel dat ouders het al lange tijd over veel zaken oneens zijn en dat dat een bron van stress oplevert voor de moeder, die een trigger vormt voor haar aandoening en uitvalverschijnselen en daarmee voor haar belastbaarheid en beschikbaarheid voor de kinderen. Niet valt te verwachten dat de onenigheid tussen de ouders op korte termijn beëindigd zal zijn. Voorts overweegt het hof dat door het vervallen van thuisonderwijs de beperkte energie van de moeder op andere wijze kan worden verdeeld en ten behoeve van de kinderen kan worden ingezet.

5.32

Het voorgaande brengt mee dat het hof de door de rechtbank aan de vader verleende vervangende toestemming om [kind 1] in te schrijven op regulier onderwijs zal bekrachtigen.

Het hof gaat voorbij aan de richtingsbezwaren van de moeder tegen alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen, nu thuisonderwijs in deze situatie geen voldoende alternatief is en [kind 1] recht heeft op het volgen onderwijs. De moeder heeft geen specifieke bezwaren geuit tegen de [school 1] .

ten aanzien van het verzoek tot het opleggen van een dwangsom

5.33

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot het opleggen van een dwangsom heeft afgewezen. Hij heeft in incidenteel hoger beroep zijn verzoek tot het opleggen van een dwangsom ten opzichte van zijn verzoek in eerste aanleg vermeerderd. Hij verzoekt het hof de moeder, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij in gebreke mocht blijven aan de te wijzen beschikking te voldoen, te bevelen haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de inschrijving van [kind 1] op de [school 2] danwel de [school 1] , beide te [woonplaats] én – aanvullend in hoger beroep –, eveneens onder verbeurte van genoemde dwangsom, alles te doen om de schoolgang van [kind 1] te bevorderen, daaronder begrepen doch niet daartoe beperkt, [kind 1] op de school ingeschreven te houden, haar dagelijks naar school te brengen en weer op te halen en ervoor te zorgen dat [kind 1] dagelijks conform het schoolrooster in de klas aanwezig is en alles na te laten wat de schoolgang zou kunnen belemmeren.

De moeder heeft tegen dit verzoek gemotiveerd verweer gevoerd.

5.34

Het hof overweegt als volgt. Zoals uit de stukken blijkt (zie onder andere pagina 19 en 25 van het raadsrapport van 14 mei 2018), heeft de moeder aan de GI aangegeven dat zij zich bij de uitspraak in onderhavige hoger beroepprocedure over het onderwijs voor [kind 1] zal neerleggen. Gelet hierop, volstaat naar het oordeel van het hof de beslissing van de rechtbank onder 4.2. van het dictum van de bestreden beschikking (de beslissing tot vervangende toestemming) welke beslissing het hof zal bekrachtigen. In aanvulling hierop zal het hof, conform het verzoek van de vader en nu de moeder tot op heden geen medewerking heeft verleend, bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de daadwerkelijke schoolgang van [kind 1] conform het door de school vastgestelde rooster.

Het verzoek om aan deze beslissingen een dwangsom te verbinden wijst het hof, gelet op het voormelde standpunt van de moeder, af.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven niet. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief deels. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing onder 4.2. van het dictum bekrachtigen en daarop aanvullend beslissen zoals hierna zal worden vermeld.

in het principaal en incidenteel hoger beroep

6.3

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 september 2017, voor zover deze aan het oordeel van het hof is voorgelegd;

bepaalt dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de daadwerkelijke schoolgang van [kind 1] conform het door de school vastgestelde rooster;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, R. Feunekes en A.L.H. Ernes, bijgestaan door de griffier, en is op 28 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.