Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7690

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
200.201.721/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelgrens, artikel 332 lid 1 Rv

Geïntimeerde heeft een verklaring voor recht gevraagd dat hij eigenaar is van een scooter en heeft gevorderd dat verkoper (gedaagde en appellant) wordt veroordeeld tot afgifte van deel II van het kentekenbewijs. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. Verkoper/gedaagde kan in het hoger beroep tegen dat vonnis niet worden ontvangen, omdat er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan de appelgrens van € 1.750,-. Aan alle vorderingen ligt namelijk de stelling ten grondslag dat eiser de scooter heeft gekocht en geleverd gekregen voor € 1.350,-. Het enkele feit dat verkoper/gedaagde heeft betoogd dat de scooter meer waard was dan € 1.750,- kan daaraan niet afdoen, omdat bij gebrek aan een reconventionele vordering van die strekking uitsluitend de vordering van koper/eiser voor de te maken afweging bepalend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/535
RBP 2018/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.201.721/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4787421 / MC EXPL 16-1255)

arrest van 28 augustus 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.F. de Jong, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B.M. Swart, kantoorhoudend te Almere.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 februari 2018 hier over. Naar aanleiding van dit tussenarrest heeft op 9 augustus 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op grond van het aldus aangevulde dossier.

2 De verdere beoordeling: de ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1

In dit geschil heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevraagd dat hij eigenaar is van de Vespa scooter met kenteken [YY-YY-00] . In het verlengde daarvan heeft hij gevorderd dat [appellant] , van wie hij de scooter door tussenkomst van diens neef zegt te hebben gekocht, wordt veroordeeld tot afgifte van deel II van het kentekenbewijs van dat voertuig, met de bepaling dat het vonnis in de plaats komt van het overschrijvingsbewijs als [appellant] aan die veroordeling niet voldoet.

2.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] bij vonnis van 15 juni 2016 toegewezen. Nu [appellant] tegen dat vonnis in hoger beroep is gekomen, dient zich de vraag aan of hij in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval: de vorderingen die [geïntimeerde] heeft ingesteld, zijn van onbepaalde waarde. Daartegen kan in dit geval op grond van artikel 332 lid 1 Rv niet in hoger beroep worden gekomen, omdat er duidelijke aanwijzingen bestaan dat die vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan de appelgrens van € 1.750,-. Aan alle vorderingen ligt immers de stelling ten grondslag dat [geïntimeerde] de scooter heeft gekocht en geleverd gekregen voor een koopprijs van € 1.350,-. Het enkele feit dat [appellant] heeft betoogd dat de scooter meer waard was dan € 1.750,- kan daaraan niet afdoen, omdat bij gebrek aan een reconventionele vordering van die strekking uitsluitend de vordering van [geïntimeerde] voor de te maken afweging bepalend is.

2.3

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen (tariefgroep I, 2 punten).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere van 15 juni 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 314,- voor verschotten (griffierecht) en op € 1.518,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving en betekening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. B.J.H. Hofstee en mr. K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.