Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:769

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
16/01097
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:2735, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Dwangsom. Ingebrekestelling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/254
Belastingblad 2018/132
V-N 2018/21.27.5
Viditax (FutD), 05-02-2018
FutD 2018-0438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

Nummer 16/01097

uitspraakdatum: 23 januari 2018

Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2016, nummer Awb 16/1273, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 37 te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2014, voor het jaar 2015 vastgesteld op € 540.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar woning vastgesteld op € 718,74 en de aanslag watersysteemheffing gebouwd op € 257,04.

1.2

De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 529.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 juli 2016 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2017 te Arnhem. Daarbij is verschenen [A] als de gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [B] , bijgestaan door taxateur ing. [C] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2015 de in 1.1 bedoelde WOZ-waarde en aanslagen vastgesteld.

2.2

Belanghebbende heeft tegen deze beschikkingen bezwaar gemaakt. De in één geschrift vervatte bezwaarschriften zijn bij de heffingsambtenaar binnengekomen op 8 juni 2015.

2.3

In een brief van 1 of 11 februari 2016 schrijft belanghebbende aan de heffingsambtenaar:

“Er is door mij op 8 juni 2015 een bezwaarschrift ingediend tegen de hoge waarde van mijn woning [a-straat] 37 [Z] , aanslagnummer [00000] . De ontvangst hiervan is door u op dezelfde dag bevestigd. Dit bezwaar had door u in hetzelfde jaar van indiening afgehandeld moeten zijn, dus uiterlijk 31 december 2015. Dit is niet gebeurd, hierdoor bent u ernstig in gebreke gebleven. Ik ga er dan ook van uit dat u mijn voorstel om de waarde van mijn woning te verlagen naar € 400.000 zult overnemen. Een gecorrigeerde aanslag van alle hieraan gerelateerde aanslagen over het jaar 2015 zie ik met belangstelling tegemoet.”

2.4

De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 maart 2016 belanghebbendes bezwaren gegrond verklaard, de waarde verlaagd en de aanslagen verminderd. Voorts heeft de heffingsambtenaar excuses aangeboden voor de late afhandeling van de bezwaarschriften. De heffingsambtenaar heeft geen dwangsombesluit genomen.

2.5

Belanghebbende heeft zich in zijn beroepschrift op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen dwangsombesluit heeft genomen en dat hij een dwangsom heeft verbeurd.

2.6

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de in 2.3 genoemde brief niet is aan te merken als een ingebrekestelling zodat de heffingsambtenaar geen dwangsombesluit hoefde te nemen en evenmin een dwangsom heeft verbeurd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende recht heeft op een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften tegen de WOZ-waarde en aanslagen. Meer in het bijzonder is in geschil of de in 2.3 genoemde brief van belanghebbende als ingebrekestelling kan worden aangemerkt.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend.

3.3

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot toekenning van een dwangsom. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 4:17, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 4:17, lid 3, Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.2

Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb is sprake indien voldoende duidelijk is (i) op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, (ii) dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en (iii) dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (vgl. Hoge Raad 10 juni 2016, nr. 15/04352, ECLI:NL:HR:2016:1124). Indien een belanghebbende in het geschrift vermeldt dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, moet het geschrift reeds gelet op die bewoordingen worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb (vgl Raad van State, 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682).

4.3

De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting van het Hof op het standpunt gesteld dat is voldaan is aan de eerste twee in 4.2 genoemde voorwaarden. De heffingsambtenaar stelt dat niet aan de derde voorwaarde – dat belanghebbende erop aandringt dat alsnog een beslissing wordt genomen – is voldaan. Het Hof wijst in dit kader erop dat belanghebbende schrijft dat hij ervan uitgaat dat de WOZ-waarde zal worden verlaagd en dat hij de gecorrigeerde aanslagen met belangstelling tegemoet zal zien. Hieruit moet naar het oordeel van het Hof worden afgeleid dat belanghebbende in afwachting was van de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar. Daarmee is aan de derde voorwaarde voldaan. Ten overvloede is het Hof van oordeel dat, gelet op de bewoordingen van de in 2.3 genoemde brief, waarin staat dat de heffingsambtenaar “ernstig in gebreke [is] gebleven”, reeds hierom sprake is van een ingebrekestelling. De stellingen van de heffingsambtenaar dat belanghebbende in het geschrift om een dwangsom had moeten verzoeken en voorts dat belanghebbende een termijn had moeten stellen waarbinnen de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar had moeten doen, vinden geen steun in het recht (vgl. Centrale Raad van Beroep, 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2682). De in 2.3 genoemde brief is een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb.

4.4

Voor dat geval hebben partijen het Hof verzocht zelf in de zaak te voorzien en de dwangsom vast te stellen. Ter zitting van het Hof is onduidelijkheid ontstaan over de datering van de in 2.3 genoemde brief. De heffingsambtenaar heeft op zijn laptop laten zien dat hij over een ingescande brief met dagtekening 11 februari beschikt, welke door de heffingsambtenaar blijkens het daarop geplaatste poststempel, op 16 februari 2016 is ontvangen. In het dossier waarover het Hof beschikt wordt door beide partijen wisselend melding gemaakt van ‘de brief van 1 februari 2016’ en ‘de brief van 11 februari 2016’. In het verweerschrift in eerste aanleg heeft de heffingsambtenaar een overzicht van de bijlagen gegeven. De brief wordt niet in het overzicht genoemd. Het verweerschrift in hoger beroep bevat geen (overzicht van) bijlagen. De Rechtbank heeft een brief van 11 februari 2016 genoemd en tevens in de rechtbankuitspraak uit de brief geciteerd. De brief zit echter slechts éénmaal in het dossier waarover het Hof beschikt (dat tevens het rechtbankdossier bevat), namelijk als bijlage bij het hogerberoepschrift van belanghebbende. Deze brief heeft als dagtekening 1 februari 2016. Belanghebbende heeft verklaard dat hij alleen over een brief van 1 februari 2016 beschikt. De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof aangeboden nader onderzoek te doen naar de brief. Het Hof passeert dat aanbod in verband met de goede procesorde. De brief betreft een stuk van het geding en is niet door de heffingsambtenaar overgelegd. Aangezien de heffingsambtenaar wisselend schrijft over ‘de brief van 11 februari 2016’ (verweerschrift Rechtbank) en ‘de brief van 1 februari 2016’ (verweerschrift hoger beroep), had deze discrepantie hem eerder duidelijk moeten zijn en had hij in een eerder stadium nader onderzoek kunnen verrichten indien hij dat wenselijk achtte. Het Hof zal voor zijn beslissing uitgaan van de enige uit het dossier bekende brief, die is gedateerd op 1 februari 2016.

4.5

De uitspraken op het bezwaar zijn gedaan op 29 maart 2016. Het Hof gaat ervan uit dat de ingebrekestelling van 1 februari 2016 de heffingsambtenaar op 2 februari 2016 heeft bereikt. De beslistermijn was toen reeds verstreken. Dinsdag 16 februari 2016 was de laatste dag waarop de heffingsambtenaar uitspraak kon doen zonder dwangsom te verbeuren; na deze dag zijn veertien dagen verstreken sinds de heffingsambtenaar de schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Dit brengt mee dat de heffingsambtenaar in gebreke is gebleven van 17 februari 2016 tot en met 29 maart 2016, dat wil zeggen gedurende 42 dagen. Hierdoor verbeurt hij een dwangsom van ((14 x € 20) + (14 x € 30) + (14 x € 40) =) € 1.260.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof de in beroep en hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komende kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van € 2.004 (4 punten voor proceshandelingen x wegingsfactor 1 x € 501).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor wat betreft de beslissing inzake de dwangsom,

  • -

    verklaart het ter zake van de dwangsombeschikking bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

  • -

    stelt de reeds verbeurde dwangsom vast op € 1260,

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbenden het griffierecht ten bedrage van € 46 (Rechtbank) en € 124 (Hof) vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van € 2.004.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 23 januari 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige belastingkamer,

(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 26januari 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.