Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7635

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
200.233.943
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatie. Summiere algemene benadering ten aanzien van behoefte volstaat niet. Geen omkering bewijslast. Geen behoeftigheid. 150 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.233.943

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 440605)

beschikking van 23 augustus 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.A. Prins te Nieuwegein,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.H. Vaandrager te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hersteld bij beschikking van 5 januari 2018, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 22 februari 2018;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van mr. Prins van 21 juni 2018 met producties;

- een journaalbericht van mr. Vaandrager van 28 juni 2018 met producties;

- een journaalbericht van mr. Vaandrager van 2 juli 2018 met een productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [woonplaats] in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 20 maart 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is voorts, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man met een bedrag van € 2.105,- per maand zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) afgewezen.

4.2

De vrouw is met dertien grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil ten aanzien van de partneralimentatie en het overleggen door de man van bankafschriften en betaalbewijzen in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor zover het betreft de afwijzing van de partneralimentatie te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen:

- dat de man aan de vrouw partneralimentatie dient te betalen van € 2.105,- bruto per maand met ingang van 13 juni 2017, althans met ingang van een datum die het hof juist acht;

- dat de man bankafschriften dient over te leggen van al zijn bankrekeningen vanaf 1 april 2016 en betaalbewijzen voor vakanties, etentjes.

4.3

De man voert verweer en verzoekt het hof bij beschikking het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans - indien het hof tot een door de man te betalen partneralimentatie vaststelt - daaraan een termijn te verbinden van twee jaar vanaf de inschrijving van de beschikking echtscheiding op 20 maart 2018.

5 De motivering van de beslissing

behoefte

5.1

De vrouw stelt in haar grieven onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar behoefte aan een onderhoudsbijdrage van de man onvoldoende heeft onderbouwd. In zijn verweer voert de man aan dat de vrouw een buitensporig hoge behoefte van € 6.000,- netto per maand opvoert.

5.2

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.3

Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, is het aan de vrouw als verzoekende partij om te stellen wat haar behoefte is en dient zij bij betwisting, die behoefte nader te onderbouwen. Hoewel de vrouw heeft gesteld dat de man tijdens het huwelijk de financiën beheerde en zij geen beschikking heeft over bankafschriften en de man ook de computer met de foto’s van partijen erop onder zich heeft waardoor zij niet in de gelegenheid is tot een voldoende onderbouwing van haar behoefte, is het hof van oordeel dat de zeer summiere algemene benadering van de vrouw ten aanzien van haar behoefte niet volstaat. De rechtbank heeft overwogen dat voor zover de vrouw producties over haar behoefte heeft overgelegd, zij zich hierop niet uitdrukkelijk heeft beroepen ter specificatie van de posten in de behoeftelijst. Ook in deze procedure in hoger beroep heeft de vrouw geen nadere stellingen ingenomen op dit punt en ook geen nieuwe stukken ter onderbouwing overgelegd. Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is, in antwoord op vragen van het hof, gebleken dat de door de vrouw overgelegde behoeftelijst niet alleen haar eigen uitgaven betreft waaraan zij op grond van de welstand van partijen gedurende het huwelijk behoefte heeft. De vrouw heeft op de behoeftelijst de bedragen ingevuld die partijen volgens de vrouw gezamenlijk uitgaven gedurende de laatste jaren van het huwelijk. Deze uitgaven kunnen in het kader van haar eigen behoefte globaal voor de helft in aanmerking worden genomen, aldus de vrouw. Op voornoemde behoeftelijst heeft de vrouw per globale kostenpost diverse hoge en bovengemiddelde uitgaven opgevoerd, zoals uitgaven voor kleding, schoenen en persoonlijke verzorging van € 6.000,- per jaar, uitgaven voor vakanties van € 11.000,- per jaar, uitgaven voor uitgaan van € 10.000,- per jaar, brandstof € 6.000,- per jaar, uitgaven casino € 8.000,- en bitcoins € 15.000,- per jaar. Het hof komt deze uitgaven, zonder nadere specificatie per kostenpost hoe zij tot dergelijke bedragen is gekomen en zonder enige nadere onderbouwing hoog voor.

5.4

De vrouw heeft in haar grieven aangevoerd dat zij er belang bij heeft dat de man bankafschriften dient over te leggen van al zijn bankrekeningen vanaf 1 april 2016 en betaalbewijzen voor vakanties en etentjes, omdat daaruit kan volgen dat de uitgaven die werden gedaan door partijen veel hoger waren dan uit het reguliere inkomen kon worden voldaan. Volgens de vrouw is de man gehouden ex artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om haar als wederpartij informatie te verschaffen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat het verzoek moet worden aangemerkt als een ‘fishing expedition’.

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om van de hoofdregel van artikel 150 Rv af te wijken en de bewijslast om te draaien. Zij heeft de uitgaven van partijen slechts zeer algemeen opgevoerd en op geen enkele wijze nader uitgewerkt, bijvoorbeeld door uitgesplitste uitgavenlijsten. De twee getuigenverklaringen die de vrouw heeft overgelegd in eerste aanleg van onder andere een overbuurvrouw, waarin wordt verklaard dat de man en de vrouw royaal hebben geleefd, twee keer per jaar op vakantie gingen, regelmatig weekendjes weg en uit eten gingen, zijn te algemeen om hieraan de consequenties te kunnen verbinden die de vrouw daaraan verbindt Het hof zal daarom het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man bankafschriften dient over te leggen van al zijn bankrekeningen vanaf 1 april 2016 en betaalbewijzen voor vakanties en etentjes afwijzen.

5.5

De vrouw heeft pas tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij in een huis woont met haar zoon die financieel zelfstandig is en dat de zoon bijdraagt in de huurlast, dat zij een bedrag van € 289,- ter zake huursubsidie en een bedrag van € 90,- ter zake zorgtoeslag per maand ontvangt. De bij deze stellingen behorende stukken had de vrouw in het geding kunnen en moeten brengen.

5.6

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de vrouw, gelet op de betwisting door de man, haar behoefte onvoldoende gemotiveerd onderbouwd heeft. Dit leidt ertoe dat deze behoefte van de vrouw op het door de rechtbank vastgestelde en door de man in hoger beroep niet betwiste bedrag van € 800,- netto per maand wordt bepaald. De grieven I tot en met VII falen.

behoeftigheid

5.6

Voorts verschillen partijen van mening of bij de vrouw sprake is van behoeftigheid. In grief VIII voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij een inkomen zou kunnen genereren van € 300,- netto per maand. De man stelt dat de vrouw zelf in haar levensonderhoud kan voorzien en volgens de vrouw is dat niet het geval. De vrouw stelt daartoe dat zij al jaren kampt met ernstige slaapproblemen ten gevolge waarvan zij dusdanig vermoeid is dat zij nauwelijks in staat is om werkzaamheden te verrichten. Deze klachten speelden al tijdens het huwelijk en de man is hiermee bekend. Zij heeft in het verleden verschillende medische onderzoeken ondergaan, maar hieruit is geen oplossing naar voren gekomen.

5.7

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw onvoldoende inkomsten heeft om daarmee in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. Het hof constateert dat uit de door de vrouw overgelegde brief van 17 januari 2017 van de arts-assistent, mede namens de neuroloog, uit de brief van de huisarts van 12 juli 2017 en uit de brief van de neuroloog van 4 augustus 2017 blijkt dat zij de laatste jaren last heeft van problemen met doorslapen en ten gevolge daarvan van vermoeidheid. Drie gesprekken met een slaaptherapeut hebben hierin geen verbetering gebracht. Uit de stukken van de vrouw ter onderbouwing van haar gezondheidsklachten kan echter niet worden afgeleid in hoeverre de vrouw in staat is om haar werkzaamheden uit te breiden. Dat de vrouw gedurende het huwelijk slechts een zeer gering aantal uren werkzaam was met goedvinden van de man, verandert het uitgangspunt dat van de vrouw in het kader van het vaststellen van een eventuele onderhoudsbijdrage van de man wordt verwacht dat zij alles in het werk stelt om zoveel mogelijk in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien niet.

5.8

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw een toelichting gegeven op de door haar overgelegde jaaropgaven bij de SVB, de Personality Payrolling BV en Huis ter Leede, alsmede de recente loonstroken van Huis ter Leede. Op één loonstrook is het maandelijkse salaris hoger omdat zij toen vakantiegeld heeft ontvangen en op één loonstrook is het inkomen hoger omdat zij twintig vakantie-uren heeft laten uitbetalen. De vrouw heeft meegedeeld dat zij haar werkzaamheden met het oog op haar nieuwe situatie toch enigszins heeft uitgebreid. Zij is thans bij haar drie werkgevers in totaal circa 10 uur per week werkzaam. Het inkomen hieruit bedraagt op dit moment volgens haar in totaal € 585,- per maand. De vrouw heeft de stelling van de man dat haar inkomen netto eenzelfde bedrag oplevert als bruto in verband met de geringe hoogte van de inkomsten niet weersproken.

Het hof leidt uit de toelichting en de stukken van de vrouw met betrekking tot haar inkomen af dat zij thans een inkomen genereert dat hoger is dan het inkomen dat de rechtbank in het kader van het bepalen van de mate van behoeftigheid van de vrouw in aanmerking heeft genomen. Grief VIII faalt derhalve. De vrouw heeft niet gesteld en ook niet is gebleken dat haar werkgevers geen mogelijkheden voor haar hebben om meer uren werkzaam te zijn. Nu uit de door de vrouw overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat zij fysiek niet in staat is om meer te werken, moet het naar het oordeel van het hof, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, er voor worden gehouden dat de vrouw in staat is om met het verrichten van betaald werk zelf volledig in haar behoefte te kunnen voorzien.

5.9

Hoewel alleen de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking, is het hof op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat niet alleen de grieven van de vrouw met betrekking tot haar behoefte, behoeftigheid en de door de man over te leggen bankafschriften en betaalbewijzen falen, maar dat geen sprake is van behoeftigheid en dat reeds op die grond het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van partneralimentatie moet worden afgewezen.

Ten gevolge daarvan komt het hof niet meer toe aan een bespreking van de overige grieven van de vrouw (grief IX tot en met XIII) met betrekking tot de draagkracht van de man.

5.9

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt met aanpassing van de gronden, de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 november 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.U.M. van der Werff en H. Phaff, bijgestaan door de griffier, en is op 23 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.