Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7579

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
WAHV 200.220.885
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. Van het horen in het openbaar kan slechts worden afgezien op verzoek van een belanghebbende of om gewichtige redenen (vgl. artikel 7:19, derde lid, Awb). Het een noch het ander doet zich hier voor. Dat de gemachtigde niet op de ingesproken boodschappen heeft gereageerd - nog daargelaten dat de inhoud van die boodschappen niet blijkt uit het dossier -

vormt geen gewichtige reden om van horen in het openbaar af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.220.885

22 augustus 2018

CJIB 199387539

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 20 juli 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 3 mei 2018 en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet binnen de gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en evenmin dit verzuim binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de betrokkene een nadere termijn gegund had moeten worden om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen, nu de kantonrechter het draagkrachtverweer kennelijk ongegrond heeft geacht.

3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Uit vaste jurisprudentie van het hof volgt dat wanneer er een draagkrachtverweer wordt gevoerd, de betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld dit ter zitting toe te lichten en de kantonrechter, indien hij het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond acht, de betrokkene een nadere termijn dient te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

4. Het hof begrijpt uit de beslissing van de kantonrechter dat het draagkrachtverweer wordt verworpen omdat het niet nader is onderbouwd. Vervolgens is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

5. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter niet gehandeld overeenkomstig het onder 3. overwogene. De bestreden beslissing kan niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Nu de gemachtigde het hof heeft verzocht om zelf in de zaak te voorzien zal de zaak niet worden teruggewezen naar de rechtbank en zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

6. Uit navraag door de griffier van het hof bij het CJIB is gebleken dat door de betrokkene inmiddels zekerheid is gesteld. De zaak zal daarom inhoudelijk worden behandeld.

7. Tegen de beslissing van de officier van justitie, waarin het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard, voert de gemachtigde aan dat het recht te worden gehoord is geschonden.

8. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat geen van de andere uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich hier voordoet. De officier van justitie heeft de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord door hem op drie, vooraf niet aangekondigde, tijdstippen te bellen. Omdat de officier van justitie geen gehoor kreeg, is telkens een boodschap ingesproken. Daarmee is de gemachtigde naar het oordeel van het hof niet op adequate wijze in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Het hof overweegt daartoe dat gelet op artikel 7:19, derde lid, van de Awb slechts van horen in het openbaar kan worden afgezien op verzoek van een belanghebbende dan wel om gewichtige redenen. Het een noch het ander doet zich hier voor. Dat de gemachtigde niet op de ingesproken boodschappen heeft gereageerd -nog daargelaten dat de inhoud van die boodschappen niet blijkt uit het dossier- vormt geen gewichtige reden om van het horen in het openbaar af te zien. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 60,- opgelegd ter zake van “verbod bromfiets te plaatsen (bord E3/52)”, welke gedraging zou zijn verricht op 23 juni 2016 om 21.07 uur op het Koningin Julianaplein, fietsenstalling CS, te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YYY00Y] .

10. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging niet kan plaatsen omdat hij altijd zijn bromfiets in de fietsenstalling plaatst bij het station. Het deel waar de bromfiets stond was daarvoor bestemd. Daarnaast voert hij aan dat de verbalisant niet bevoegd was te handhaven. Omdat de verbalisant waarschijnlijk werkzaam is op het terrein van domein I, openbare ruimte, is handhaven van de verweten gedraging slechts toegestaan in relatie tot de openbare orde. Daarvan is hier niet gebleken. Daarbij verwijst de gemachtigde naar bijlage L van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (gepubliceerd op 18 juni 2015 in de Staatscourant). Uit die bijlage blijkt ook dat handhaven alleen mag als op de gemaakte foto's het betreffende verkeersbord duidelijk zichtbaar is. Daarvan is niet gebleken.

11. Het hof kan het betoog van de gemachtigde niet volgen. Het optreden van de verbalisant valt binnen de in onderdeel 16 van paragraaf 6.4 van de Beleidsregels toegekende bevoegdheden. Voor de handhaving van de negatie van de hier in geding zijnde bebording geldt niet de eis van relatie tot de openbare orde.

12. In Wahv-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Het betoog van de gemachtigde dat een foto waarop het betreffende verkeersbord duidelijk zichtbaar is, moet worden bijgevoegd faalt nu voornoemde Bijlage L bij de Beleidsregels ziet op de handhaving op negatie van C-borden van het RVV 1990 door een buitengewoon opsporingsambtenaar. Dit is in de onderhavige zaak niet van toepassing.

13. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Ik zag toen dat daar een bromfiets geplaatst was in strijd met bord E3 (verbod (brom)fietsen te plaatsen). Ik zag namelijk dat daar een bromfiets geplaatst was in het voetgangersgebied buiten de daarvoor bestemde parkeervakken. Dit parkeerverbod was fietsen en bromfietsen was duidelijk aangegeven door middel van borden E3.”

14. Wat de gemachtigde heeft aangevoerd komt neer op een enkele ontkenning van de gedraging. Het hof ziet daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de bromfiets van de betrokkene in strijd met bord E3 in een voetgangersgebied was geplaatst. Het hof stelt vast dat de gedraging is verricht en dat daarvoor terecht een sanctie is opgelegd.

15. Nu de beslissingen van de officier van justitie en de kantonrechter worden vernietigd, acht het hof termen aanwezig voor vergoeding van de door de betrokkene in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte proceskosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2018 € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 501,- (= 2 x € 501,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 501,-, over te maken op rekeningnummer [00000] ten name van [B] .

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.