Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7575

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
21-003055-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:2563, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen zware mishandeling met voorbedachten raad, diefstal pinpas en pogingen daarmee te pinnen. Nadat de verdachten het slachtoffer diens pinpas hadden afgenomen, is het slachtoffer op wrede wijze mishandeld om hem te dwingen zijn pincode te noemen. Een pincode is geen goed in de zin van artikel 310 Wetboek van Strafrecht. Zwaardere straf dan in hoger beroep geëist en door de rechtbank opgelegd. Zes jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003055-17

Uitspraak d.d.: 24 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 mei 2017 met parketnummer 16-660517-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard en heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van € 17.480,99 volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 december 2016 tot en met 9 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas en/of een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders, die [slachtoffer] één of meermalen tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen /gestompt en/of getrapt/geschopt en/of die [slachtoffer] een heet (stoomstrijk)ijzer op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval op zijn lichaam, heeft/hebben gedrukt en/of een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over het gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval over het lichaam, van die [slachtoffer] heeft/hebben gegoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (te weten brandwonden op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en);

2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 december 2016 tot en met 9 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten (tweede- en derdegraads) brandwonden op zijn gezicht, althans op zijn hoofd en/of op zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/of een aangezichtsfractuur (bovenkaak) en een neusfractuur heeft toegebracht, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen op het gezicht, althans het hoofd, te stompen en/of te slaan en/of een heet (stoomstrijk)ijzer op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval op zijn lichaam, te drukken en/of een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over zijn gezicht, althans over zijn hoofd en/of over zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval over zijn lichaam, te gieten; en hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 december 2016 tot en met 9 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (tweede- en derdegraads) brandwonden op zijn gezicht, althans op zijn hoofd en/of op zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/of een aangezichtsfractuur (bovenkaak) en een neusfractuur heeft toegebracht, door met dat opzet voornoemde Safanow meermalen op het gezicht, althans het hoofd, te stompen en/of te slaan en/of een heet (stoomstrijk)ijzer op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval op zijn lichaam, te drukken en/of een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over zijn gezicht, althans over zijn hoofd en/of over zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval over zijn lichaam, te gieten;

3:
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks de 8 december 2016 (te weten: rondom 20:40 uur en 21:06 uur) te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening enig geldbedrag in/uit een geldautomaat weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en/of die/dat weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, meermalen, althans eenmaal, een pinpas op naam van die [slachtoffer] , in elk geval op naam van een ander dan verdachte en/of zijn mededaders, in de geldautomaat heeft gebracht, tot welk gebruik verdachte en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren, en/of meermalen, althans eenmaal, een (verkeerde) pincode heeft ingevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak van feit 1

Aangever heeft aangifte gedaan tegen [voornaam verdachte] (verdachte), [voornaam medeverdachte 1] (medeverdachte [medeverdachte 1] ) en [voornaam medeverdachte 2] (medeverdachte [medeverdachte 2] ). Aangever verklaarde dat hij met verdachte en medeverdachten in dezelfde woning verbleef. Op 8 december 2016 had hij salaris gekregen. [voornaam medeverdachte 1] sprak hem aan in de woonkamer. [voornaam medeverdachte 1] zei dat hij zijn bankpas moest geven. Aangever weigerde, waarop ze zijn portemonnee pakten en daar zijn bankpas uit haalden. Vervolgens moest aangever zijn pincode geven. Dit weigerde hij. Vervolgens zei [voornaam medeverdachte 1] tegen [voornaam medeverdachte 2] dat hij aangever moest vasthouden. [voornaam medeverdachte 1] stopte de stekker van een strijkijzer in het stopcontact en begon aangever met dat strijkijzer te bewerken. [voornaam medeverdachte 2] hield hem vast. Aangever heeft vervolgens zijn pincode gegeven. [voornaam verdachte] ging naar de bank om te pinnen. Toen de pincode niet bleek te kloppen kwam [voornaam verdachte] terug. [voornaam verdachte] zei dat ze de pincode zouden krijgen door aangever te laten zingen, maar eerst moest er water worden gekookt. Er werd water uit de waterkoker over hem heen gegoten. Dat deed helse pijn. Aangever viel bijna flauw van de pijn. Opnieuw noemde aangever zijn pincode. [voornaam verdachte] ging opnieuw naar de bank. Toen hij terug kwam gaf [voornaam verdachte] hem nog een paar vuistslagen in zijn gezicht. Het is verdachte en medeverdachten niet gelukt om met de pas van aangever geld te pinnen.

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij (samen met anderen) een pinpas en/of één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed heeft gestolen en dat die diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Niet blijkt dat er op enig moment geld is gestolen van aangever. Ook blijkt niet dat het geweld is aangewend in verband met de diefstal van de bankpas. Het geweld is aangewend om de pincode te verkrijgen. De pincode wordt echter in de tenlastelegging niet genoemd.

De rechtbank is niettemin tot een bewezenverklaring gekomen van diefstal van de pincode met geweld door de tenlastelegging ruim te interpreteren, met name door ervan uit te gaan dat een pincode een goed is in de zin van de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft overwogen dat de pincode in combinatie met de pinpas een economische waarde heeft en dat de pincode daarom in het geval deze samen met de daarbij behorende pinpas wordt weggenomen, als een goed in de zin van artikel 310 Sr moet worden aangemerkt.

De Hoge Raad heeft verschillende uitspraken gedaan over de reikwijdte van het begrip ‘goed’. In een uitspraak van 31 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BQ6575) staat de volgende overweging:

“3.3.2. De wetgever heeft door middel van verschillende strafbepalingen beoogd de beschikkingsmacht van de rechthebbende op enig goed te beschermen. In art. 310 Sr is strafbaar gesteld het opzettelijk onttrekken aan de feitelijke heerschappij van enig goed dat aan een ander toebehoort met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het begrip enig goed komt daarbij een autonome strafrechtelijke betekenis toe. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken.

3.3.3. In de loop der jaren heeft de Hoge Raad verschillende interpretatievragen beantwoord over de betekenis van het begrip 'goed', ook met betrekking tot andere bepalingen waarvan dat begrip een onderdeel vormt.

In HR 23 mei 1921, NJ 1921, p. 564 ging het om de vraag of elektrische energie kon worden aangemerkt als een 'goed' in de zin van art. 310 Sr. Die vraag werd door de Hoge Raad bevestigend beantwoord. Daarbij werd onder meer in aanmerking genomen dat aan elektrische energie "een zeker zelfstandig bestaan niet kan worden ontzegd" en werden overwegingen eraan gewijd dat elektriciteit door de mens kan worden opgewekt en beheerst en dat zij "een zekere waarde vertegenwoordigt, eenerzijds omdat hare verkrijging voor hem gepaard ging met kosten en moeite, anderszijds omdat hij in staat is haar hetzij ten eigen bate te gebruiken hetzij tegen vergoeding aan anderen over te dragen". Een en ander leidde tot de slotsom "dat dus, waar art. 310 Strafrecht ten doel heeft het vermogen van een ander te beschermen en met dat doel het wegnemen van 'eenig goed' onder de in dat artikel genoemde omstandigheden strafbaar stelt zonder op eenigerlei wijze nader aan te duiden wat onder 'eenig goed' gerekend moet worden, op grond van bovengenoemde eigenschappen dit artikel ook op electrische energie van toepassing is".

In HR 11 mei 1982, NJ 1982/583, betreffende art. 321 Sr waarin verduistering strafbaar is gesteld, rees de vraag of giraal geld kan worden aangemerkt als een goed dat als toebehorende aan een ander vatbaar is voor toe-eigening. De Hoge Raad oordeelde dat een redelijke uitleg van art. 321 Sr leidt tot een bevestigend antwoord, "gelet op de functie van zogenaamd giraal geld in het maatschappelijk verkeer.”

Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een in de geest van een persoon opgeslagen bekendheid met de bij zijn betaalpas behorende cijfercombinatie niet kan worden aangemerkt als een 'goed' in de zin van artikel 317 Sr (oud) en dat het (onvrijwillig) noemen van een pincode niet kan worden aangemerkt als afgifte in de zin van laatstgenoemd artikel; daarvan kan slechts worden gesproken indien door die afgifte de afgever de beschikking over het afgegevene verliest (vgl. HR 13 juni 1995, NJ 1995/635).

De Hoge Raad heeft dus in 1995 bepaald dat een pincode geen goed is. Uit het arrest van 2012 kan worden afgeleid dat de Hoge Raad is blijven vasthouden aan deze uitleg van het begrip ‘goed’.

Naar aanleiding van het arrest uit 1995 heeft de wetgever artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel1 wordt het volgende opgemerkt:

“Artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht behelst strafbaarstelling van het door geweld of bedreiging met geweld dwingen tot afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld of het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer. In het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1995 (NJ 1995, 635) is bepaald dat een pincode geen goed is in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht en dat het (onvrijwillig) noemen van een pincode niet kan worden aangemerkt als afgifte in de zin van dit artikel. Dit betekent dat het iemand door bedreiging met geweld dwingen tot het noemen van een pincode niet onder afpersing valt. (…)

Alhoewel het kaderbesluit op zichzelf niet vereist dat afpersing van een pincode strafbaar wordt gesteld, past het in het geheel van aanpassingen op het gebied van betaalpas- en betaalkaartfraude, waartoe het kaderbesluit wél verplicht, om ter bestrijding van fraude met en vervalsing van andere betaalmiddelen dan contanten, de strafbepaling betreffende afpersing zodanig te wijzigen, dat ook het onder bedreiging van geweld iemand te dwingen een pincode te noemen, strafbaar wordt. (….)

In artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht is onder meer strafbaar gesteld het door geweld of met bedreiging van geweld iemand dwingen tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer. Het gaat hierbij om gegevens die in het economische verkeer verhandelbaar zijn. Onder gegevens wordt verstaan een weergave van feiten, begrippen of instructies op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of door automatische middelen (Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, pag. 5 en 8). Een pincode valt onder het begrip «gegeven», maar heeft als zodanig geen geldswaarde in het handelsverkeer. Daarom wordt voorgesteld om de zinsnede «met geldswaarde in het handelsverkeer» te schrappen. Bij deze verruiming van de strafbaarstelling in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht kan aldus gedacht worden aan het ter beschikking stellen van een pincode (….).”

Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad valt een pincode niet onder het begrip ‘goed’ Door de wetgever is deze uitleg gevolgd. De wetgever heeft artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht zodanig gewijzigd dat het iemand dwingen een pincode ter beschikking te stellen onder deze strafbaarstelling valt. Evenwel heeft het openbaar ministerie er voor gekozen overtreding van die strafbepaling in deze zaak niet ten laste te leggen, waardoor het voor de rechtbank niet mogelijk was om verdachte te veroordelen voor het (samen met anderen) afpersen van aangever.

De keuze van de rechtbank om het begrip ‘goed’ (in de wel ten laste gelegde diefstal met geweld) zodanig ruim uit te leggen dat hieronder ook de pincode valt, is niet in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad en de visie van de wetgever. Het hof zal daarom de uitleg van de rechtbank niet volgen.

Van het onder 1 ten laste gelegde acht het hof slechts de diefstal van de pinpas bewijsbaar. De in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen hielden met deze diefstal geen verband, zodat het hof verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, dat de feiten strafbaar zijn en dat verdachte strafbaar is.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. Daarbij heeft de verdediging een alternatief scenario naar voren gebracht, namelijk dat het letsel van het slachtoffer [slachtoffer] buiten de woning door anderen is toegebracht. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen door verdachte en dat daarom vrijspraak moet volgen van de feiten 1 en 2.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden. Het hof ziet geen reden om aan de juistheid van de verklaring van aangever te twijfelen. Deze verklaring wordt ondersteund door de in de woning aangetroffen (bloed)sporen, de gegevens met betrekking tot de pogingen om geld op te nemen met de pinpas van het slachtoffer bij de ING Bank en de Rabobank en de daarmee (voor een deel) corresponderende camerabeelden van de Rabobank waarop eerst verdachte en later medeverdachte [medeverdachte 1] te zien is en een derde man die niet goed zichtbaar is, maar een jas draagt die overeenkomt met de jas van medeverdachte [medeverdachte 2] , en de door verbalisanten geconstateerde bloedsporen en verwondingen, waaronder brandwonden, bij verdachte en zijn medeverdachten.

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof is van oordeel dat, hoewel de verklaringen van aangever niet helemaal consistent zijn, dat niet geldt voor wie zijn belagers waren. Verdachte was daar één van. Hij heeft het slachtoffer in ieder geval geslagen. Bij verdachte werd door verbalisanten waargenomen dat beide handen helemaal bebloed waren, dat drie knokkels van de rechterhand rood en gezwollen waren, dat op de knokkel van de middelvinger van de rechterhand tevens een ontvelling van de huid zichtbaar was en dat op de bovenzijde van de pink van de linkerhand letsel zichtbaar was, passend bij verbranding. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat de verwondingen aan de knokkels veroorzaakt zijn door een val met de fiets, zoals verdachte heeft verklaard en gelooft ook niet dat het verbrandingsletsel is opgelopen toen verdachte kookte. Hij is gaan pinnen met de pinpas van het slachtoffer. Hij is vervolgens teruggekomen en heeft verteld dat het pinnen niet was gelukt. Het slachtoffer is toen opnieuw mishandeld. Verdachte is toen opnieuw gaan pinnen. Dit alles levert de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking op.

Samenloop

De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een meerdaadse samenloop van verschillende strafbare handelingen binnen één en hetzelfde feitencomplex. Het hof is het daarmee eens en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft tezamen met zijn medeverdachten de bankpas van het slachtoffer gestolen. Vervolgens heeft hij tezamen met zijn medeverdachten het slachtoffer zwaar mishandeld. Tot slot heeft hij, wederom tezamen met zijn medeverdachten, getracht om met de bankpas en de verkregen pincode geld op te nemen. Deze feiten zouden weliswaar gezien kunnen worden als uitvloeisel van één ongeoorloofd wilsbesluit, maar de feiten zijn niet gelijksoortig, zodat geen sprake is van een voortgezette handeling (HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114).

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 december 2016 tot en met 9 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas en/of een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededaders die [slachtoffer] één of meermalen tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen /gestompt en/of getrapt/geschopt en/of die [slachtoffer] een heet (stoomstrijk)ijzer op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval op zijn lichaam, heeft/hebben gedrukt en/of een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over het gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval over het lichaam, van die [slachtoffer] heeft/hebben gegoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (te weten brandwonden op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en);

2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 december 2016 tot en met 9 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten (tweede- en derdegraads) brandwonden op zijn gezicht, althans op zijn hoofd en/of op zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/of een aangezichtsfractuur (bovenkaak) en een neusfractuur heeft toegebracht, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen op het gezicht, althans het hoofd, te stompen en/of te slaan en/of een heet (stoomstrijk)ijzer op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval op zijn lichaam, te drukken en/of een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over zijn gezicht, althans over zijn hoofd en/of over zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval over zijn lichaam, te gieten; en hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 december 2016 tot en met 9 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (tweede- en derdegraads) brandwonden op zijn gezicht, althans op zijn hoofd en/of op zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en) en/of een aangezichtsfractuur (bovenkaak) en een neusfractuur heeft toegebracht, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] eermalen op het gezicht, althans het hoofd, te stompen en/of te slaan en/of een heet (stoomstrijk)ijzer op zijn gezicht en/of buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval op zijn lichaam, te drukken en/of een hoeveelheid kokend water, althans heet water, over zijn gezicht, althans over zijn hoofd en/of over zijn buik en/of rug en/of be(e)n(en) en/of hand(en), in elk geval over zijn lichaam, te gieten;

3:
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks de 8 december 2016 (te weten: rondom 20:40 uur en 21:06 uur) te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening enig geldbedrag in/uit een geldautomaat weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en/of die/dat weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, meermalen, althans eenmaal, een pinpas op naam van die [slachtoffer] , in elk geval op naam van een ander dan verdachte en/of zijn mededaders, in de geldautomaat heeft gebracht, tot welk gebruik verdachte en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren, en/of meermalen, althans eenmaal, een (verkeerde) pincode heeft ingevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg een gevangenisstraf van negen jaar geëist. De rechtbank heeft een gevangenisstraf van vier jaar opgelegd. De advocaat-generaal heeft oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar geëist.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof vindt in het bijzonder in het navolgende de redenen om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Deze gevangenisstraf is langer dan de straf die de rechtbank aan de verdachte heeft opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd omdat het hof vindt dat met die straf niet kan worden volstaan. Het hof ziet anders dan de rechtbank geen zodanig verschil in de rol van verdachte en die van zijn medeverdachten dat een lagere straf dan die, welke zal worden opgelegd aan de medeverdachten op zijn plaats is.

Verdachte woonde met zijn medeverdachten in dezelfde woning als het slachtoffer. Zij zijn landgenoten. Verdachte en zijn medeverdachten, verder: de daders, hebben zich schuldig gemaakt aan diefstal van een pinpas van het slachtoffer. Aansluitend is het slachtoffer op een verschrikkelijke manier toegetakeld met een strijkijzer en later overgoten met heet water. Hij is ook geslagen. De foto’s die zich in het dossier bevinden spreken boekdelen. Het was de bedoeling van de daders om de bij de pinpas behorende pincode te verkrijgen om zo geld van de bankrekening van het slachtoffer te kunnen pinnen. Dat pinnen is mislukt. Het slachtoffer wilde aanvankelijk zijn pincode niet noemen. Hij is toen met een strijkijzer bewerkt met als gevolg dat hij brandwonden kreeg op zijn rug, buik en kuit. Nadat was gebleken dat de daders niet de juiste pincode hadden, hebben zij het slachtoffer – dat al zwaar gewond was – overgoten met heet water. Het slachtoffer heeft hierdoor ernstige verwondingen opgelopen aan zijn gelaat en hand. Daarnaast is het slachtoffer ook nog eens zo hard geslagen dat hij een gebroken neus en kaak heeft opgelopen.

Het slachtoffer is door de daders vervolgens aan zijn lot overgelaten. Hij sprak geen Nederlands en Engels (waardoor hij niet het alarmnummer kon bellen) en heeft uiteindelijk in het holst van de nacht het bedrijf waar hij werkte weten te bereiken. Vandaar is hij met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

Het slachtoffer heeft tot 10 januari 2017 in het brandwondencentrum verbleven. In verband met de kaakbreuk en de brandwonden op zijn been en rug, werd het slachtoffer geopereerd. Behalve brandwonden en breuken, werd ook een subduraal hematoom geconstateerd. In de toelichting op de vordering benadeelde partij wordt aangegeven dat de littekens van de brandwonden (onder meer in het gezicht) nooit helemaal zullen helen, waardoor het slachtoffer dus de rest van zijn leven met die ontsieringen moet leven. Ten tijde van het opstellen van die toelichting (op 17 mei 2017) hadden de wonden nog steeds verzorging nodig en gebruikte het slachtoffer nog medicatie.

Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis was het slachtoffer zo angstig dat hij rustgevende medicatie kreeg. Het slachtoffer wordt inmiddels behandeld voor PTSS.

Verdachte is vanuit het buitenland naar Nederland gekomen om hier werk te zoeken.

Hij heeft in Nederland geen justitiële documentatie. In zijn land van herkomst is hij blijkens een uittreksel uit het Europees Strafregister Informatiesysteem wel met politie en justitie in aanraking geweest.

Bij de strafoplegging heeft het hof gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en evenals de rechtbank heeft het hof aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor een woningoverval waarbij sprake is van meer dan licht geweld of een niet al te ernstige bedreiging. Dit oriëntatiepunt luidt vijf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS zijn te beschouwen als een uitgangspunt van denken voor de rechter bij de bepaling van de op te leggen straf. Het zijn geen richtlijnen met behulp waarvan de op te leggenstraf in een bepaald geval min of meer mathematisch valt af te leiden.

Naar het oordeel van het hof doet een gevangenisstraf van vier jaar geen recht aan de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de gevolgen voor het slachtoffer en de persoon van de dader.

Als strafbepalend beschouwt het hof dat sprake is van meerdere daders, de wrede en weloverwogen wijze waarop het slachtoffer is mishandeld waarbij hem hevige pijn en ernstig en blijvend letsel zijn toegebracht en het totale gebrek aan mededogen dat uit het handelen van de daders spreekt. De daders zowel als het slachtoffer waren naar Nederland gekomen om hier te werken en woonden samen in een huis en juist op die plek, die voor het slachtoffer een veilige plek in een vreemd land had moeten zijn, is hij beroofd en toegetakeld.

Ook het gegeven dat verdachte op geen enkele wijze zijn verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen, weegt het hof ten nadele van verdachte mee.

Over verdachte is reclasseringsrapportage uitgebracht. Noch daaruit noch overigens is het hof gebleken van strafverminderende omstandigheden.

Al met al is het hof van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar moet worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.480,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering, waarvan de hoogte als zodanig door de verdediging niet is betwist, zal worden toegewezen. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals subsidiair bepleit, de vordering te matigen gelet op het geringere aandeel van verdachte.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Beslag

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van de in beslag genomen en niet teruggegeven waterkoker en (stoom)strijkijzer. Niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven ploertendoder is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1, 2 en 3 begane feit aangetroffen. Het zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 57, 303, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    snelkoker (incl. onderstel);

  • -

    (stoom)strijkijzer.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- ploertendoder.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 17.480,99 (zeventienduizend vierhonderdtachtig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 7.480,99 (zevenduizend vierhonderdtachtig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 17.480,99 (zeventienduizend vierhonderdtachtig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 7.480,99 (zevenduizend vierhonderdtachtig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 (honderdtweeëntwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 december 2016.

Aldus gewezen door

mr. A. van Waarden, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema, griffier,

en op 24 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.D. den Hartog en mr. M.B.T.G. Steeghs zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 augustus 2018.

Tegenwoordig:

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

De voorzitter geeft verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Kamerstukken II 2002/03, 29025, nr 3.