Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7509

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
200.195.295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op dwaling ten aanzien van koopovereenkomst met betrekking tot afzuigsysteem, hulpstuk en filters voor kopieermachine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.195.295/01

(zaaknummer rechtbank 2675187 \ CV EXPL 14-85\428\464)

arrest van 21 augustus 2018

in de zaak van

[appellant]

gevestigd te [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M. Blok,

tegen:

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [woonplaats geïntimeerde] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.G.M. van Rossum.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 7 maart 2014, 23 januari 2015, 1 mei 2015, 17 juli 2015 en 3 juni 2016, die de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] ,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord tevens van incidenteel hoger beroep ,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties,

2.2

Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.1.

Op initiatief van [appellant] heeft er een overleg plaatsgevonden tussen de heer [naam] van [appellant] en de heer [naam] van [geïntimeerde] . Naar aanleiding hiervan hebben partijen op 26 juni 2008 een koopovereenkomst gesloten ten aanzien van drie Toxozons (afzuigsystemen) en drie hulpstukken die aan de Toxozons bevestigd moesten worden om deze passend te maken op drie apparaten van [geïntimeerde] . Deze apparaten waren een copiër van het merk Panasonic Workio 1820, een laserprinter van het merk HP-2015 en een laserprinter van het merk Brother 2820 (hierna respectievelijk de Panasonic, de HP-2015 en de Brother).

3.1.2.

Daarnaast hebben partijen een ‘Toxozon Tonerfilter Korting overeenkomst’ gesloten met de volgende inhoud:

‘Hierbij verklaart [appellant] gevestigd én kantoorhoudende te [plaats] aan de [naam] [adres postcode] , een Toxozon filterovereenkomst te zijn aangegaan (…) 5 jaar met [geïntimeerde] gevestigd en kantoor houdende aan de [adres postcode] .

Over de geldende verkoopprijs van een compleet Toxozon filterpakket ontvangt u een korting van 10 % bij een 2 jarig contract en (15%) bij een 5 jarig contract, ingaande dit jaar.

Eenmaal per jaar vervangen wij het filterpakket bij onderstaande machine(s) waarbij eventuele storingen dan wel mankementen kosteloos door ons zullen worden verholpen. Inbegrepen in deze overeenkomst is volledige garantie van de bij u in gebruik zijnde Toxozon, voorrijkosten, service en arbeidsloon. Deze volledige 100% garantie geldt tevens indien u gaat verhuizen of wanneer u een andere printer/fax of copier/multifunctional koopt.

Dit exclusieve contact geldt voor onderstaande Toxozon machine(s) d.d.: 26/6/2008.

'Machinenummer: Toxozon type:

______________ HP2015N

______________ Panasonic Horkio 1820

______________ Brother 2820'.

3.1.3.

Naar aanleiding van bovenstaande overeenkomsten heeft [appellant] aan [geïntimeerde] bij factuur van 14 juli 2008 drie Toxozons, drie hulpstukken en drie filtersets (de laatste met 15 % korting) in rekening gebracht. Deze factuur is door [geïntimeerde] voldaan.

3.1.4.

In 2009 zijn bij alle drie de apparaten de filters vervangen. Op 1 september 2009 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] hiervoor een factuur gestuurd, met daarin verwerkt de korting van 15%. Deze factuur is door [geïntimeerde] betaald.

3.1.5.

Eind 2009 is de Brother komen te vervallen. Op de factuur van [appellant] aan [geïntimeerde] van 1 september 2010 is de vervanging van twee filtersets in rekening gebracht, zonder korting. De rekening is door [geïntimeerde] deels betaald, in die zin dat [geïntimeerde] daarop zelf de 15% korting in mindering heeft gebracht.

3.1.6.

In september 2010 is de Panasonic vervangen door een andere copiër van hetzelfde merk.

3.1.7.

Op 1 december 2010 is door [appellant] een rekening gestuurd ten bedrage van

€ 590,78 inclusief btw aan [geïntimeerde] waarbij de vervanging van een Toxozonhulpstuk (voor de nieuwe Panasonic copiër) en een filterset in rekening zijn gebracht. Van die rekening is
€ 354,62 inclusief btw, de kosten voor het hulpstuk, door [geïntimeerde] aan [appellant] betaald.

3.1.8.

Op 3 oktober 2011 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een factuur van € 687,13 inclusief btw gestuurd met betrekking tot de vervanging van drie filtersets en op 27 juli 2012 een factuur van € 723,37 inclusief btw, eveneens met betrekking tot de vervanging van drie filtersets. In beide facturen is de korting van 15 % verwerkt. Deze facturen zijn onbetaald gebleven.

4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.153,34, bestaande uit € 1.650,64 ter zake van de (deels) onbetaalde facturen van 1 december 2010, 3 oktober 2011 en 27 juli 2012,

€ 243,60 aan wettelijke rente en € 259,10 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.650,64 vanaf 18 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) – samengevat – gevorderd

- vernietiging wegens dwaling van de overeenkomst tot aanschaf en plaatsen van Toxozons, hulpstukken en filters zoals vermeld op de factuur van 14 juli 2008 voor zover het betreft de onderdelen ‘1 Stuk Toxozon t.b.v. copier K70.125’ en ‘1 Stuk Hulpstuk t.b.v. copier Panasonic Workio 1820’ en het onderdeel 1 Stuk 4-delige Filterset en van de overeenkomst "Toxozon Tonerfilter korting overeenkomst" voor zover het betreft het onderdeel met betrekking tot de Panasonic Workio 1820;

- veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van

€ 3.044,95 op grond van onverschuldigde betaling, bestaande uit een bedrag van € 2.979,22 vanwege de partiele vernietiging van bovengenoemde overeenkomsten op grond van dwaling en een bedrag van € 69,73 vanwege te veel betaalde bedragen voor de vervanging van de filtersets;

- veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.

4.4.

Bij tussenvonnis van 23 januari 2015 heeft de kantonrechter overwogen het in verband met het beroep van [geïntimeerde] op dwaling wenselijk te achten een deskundigenonderzoek te gelasten ter beantwoording van onder meer de vraag of voor de Panasonic en haar vervanger, eveneens van het merk Panasonic, een Toxozonfilter nodig is en partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Bij (gecorrigeerd) tussenvonnis van 17 juli 2015 heeft de kantonrechter vervolgens een deskundigenonderzoek bevolen.

4.5.

Bij eindvonnis van 3 juni 2016 heeft de kantonrechter in conventie de vordering van [appellant] toegewezen tot een bedrag van € 479,58, te vermeerderen met wettelijke rente over € 402,58 vanaf de datum dat [geïntimeerde] met de betaling van de respectieve facturen in verzuim is geraakt tot aan de dag van volledige betaling, en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

De kantonrechter heeft in reconventie de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen met dien verstande dat [appellant] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.018,67, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 maart 2014 tot aan de dag van volledige betaling en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

In principaal appel

5.1.

[appellant] voert in principaal appel zeven grieven aan en concludeert tot vernietiging van de vonnissen van de kantonrechter van 7 maart 2014, 23 januari 2015, 1 mei 2015, 17 juli 2015 en 3 juni 2016, tot toewijzing van haar vorderingen in conventie, met dien verstande dat zij in hoger beroep wettelijke handelsrente vordert in plaats van wettelijke rente, en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie.

5.2.

[appellant] voert geen grieven aan tegen de tussenvonnissen van 7 maart 2014, 1 mei 2015 en 17 juli 2015. Zij heeft dan ook geen belang bij het tegen die vonnissen ingestelde hoger beroep, zodat zij ten aanzien hiervan niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

5.3.1.

De eerste twee grieven in principaal appel hebben betrekking op het beroep van [geïntimeerde] op dwaling ten aanzien van de tussen partijen gesloten overeenkomsten over, kort gezegd, de Toxozon, het hulpstuk en de (vervanging van de) filters ten aanzien van de Panasonic en haar vervanger. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

[geïntimeerde] beroept zich in de eerste plaats op artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW. Op grond hiervan is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. [geïntimeerde] verwijt [appellant] in dat verband dat [naam] tijdens het gesprek op 26 juni 2008 [naam] niet heeft medegedeeld dat een extern afzuigsysteem niet nodig was voor het wegvangen van stofdeeltjes uit de Panasonic, nu de Panasonic zelf al was voorzien van een dergelijk systeem. [geïntimeerde] stelt als gevolg hiervan een onjuiste voorstelling van zaken te hebben gehad bij het aangaan van de overeenkomsten, te weten dat de Toxozon schadelijke stofdeeltjes zou wegvangen en dat zij, als zij wel een juiste voorstelling van zaken had gehad, geen extern afzuigsysteem voor de Panasonic (en haar opvolger) zou hebben aangeschaft.

5.3.2.

Uit de stellingen van partijen over en weer leidt het hof af dat [naam] tijdens het gesprek op 26 juni 2008 heeft gewezen op de gevaren/risico’s van (onder meer) de Panasonic voor de gezondheid van werknemers in verband met de uitstoot van fijnstofdeeltjes en dat [naam] heeft toegelicht dat deze gevaren/risico’s bestreden konden worden met de Toxozon. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam] tijdens het gesprek niet heeft gezegd dat aanschaf van de Toxozon in dat kader (of om andere reden) noodzakelijk was. [geïntimeerde] stelt ook niet dat zij (in de persoon van [naam] ) uit het door [naam] gehouden verhaal en/of het door [naam] verstrekte promotiemateriaal (productie IV bij akte van [geïntimeerde] in conventie en reconventie van 19 september 2014) de noodzaak tot aanschaf van de Toxozon voor de Panasonic heeft afgeleid. Overigens wordt in het promotiemateriaal weliswaar gewezen op de gevaren van de uitstoot van stofdeeltjes door printers en kopieermachines voor de gezondheid van werknemers, maar uit het materiaal blijkt niet dat deze uitstoot bestreden kan/moet worden met een extern afzuigsysteem.

[geïntimeerde] geeft zelf in haar memorie van antwoord aan dat het door [naam] gehouden verhaal er met name op was gericht om [geïntimeerde] te bewegen tot de koop van Toxozons voor zijn apparaten. [geïntimeerde] moet als ondernemer worden geacht in zekere mate bestand te zijn tegen (rooskleurige) verkooppraatjes. Het had op haar weg gelegen om kritische vragen te stellen over de Toxozon voordat zij overging tot het sluiten van de overeenkomsten. Dit geldt temeer nu [geïntimeerde] zelf geen aanleiding heeft gevonden op zoek te gaan naar een apparaat zoals de Toxozon, wat zij naar alle waarschijnlijkheid wel zou hebben gedaan wanneer zij problemen (in het bijzonder gezondheidsklachten van haar medewerkers) zou hebben ervaren bij het gebruik van de Panasonic zonder extern afzuigsysteem.

5.3.3.

Tegen deze achtergrond heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende onderbouwd dat zij bij het aangaan van de overeenkomsten met betrekking tot de Toxozon, het hulpstuk en de (vervanging van de) filtersets voor de Panasonic een onjuiste voorstelling van zaken had. Nu [geïntimeerde] niet aan haar stelplicht heeft voldaan wordt aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Het beroep van [geïntimeerde] op dwaling dient hierom te stranden. Dit geldt eveneens voor het subsidiaire beroep van [geïntimeerde] op wederzijdse dwaling (artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder c BW) omdat bij deze dwalingsgrond uitgangspunt is dat de dwalende, in dit geval [geïntimeerde] , bij het sluiten van de overeenkomst een onjuiste voorstelling had; dit laatste is, zoals overwogen, onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop kan in het midden worden gelaten of van [naam] verwacht had mogen worden zich uit te spreken over de concrete situatie op het kantoor van [geïntimeerde] .

Het voorgaande betekent dat de overeenkomsten tussen partijen die betrekking hebben op de producten bestemd voor de Panasonic en haar vervanger en daarmee de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen van [geïntimeerde] jegens [appellant] in stand blijven. De eerste twee grieven slagen dus.

5.4.

De derde en de vijfde grief hebben betrekking op de door [appellant] aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte prijs voor de (jaarlijkse vervanging van de) filters. Ook deze grieven zal het hof gezamenlijk behandelen.

[geïntimeerde] stelt dat partijen hebben afgesproken dat de basisprijs voor de filters € 199,00 exclusief btw per stuk bedroeg en dat [appellant] in strijd met die afspraak de prijs van de filters elk jaar steeds heeft verhoogd. Dit wordt door [appellant] betwist. Dat een afspraak is gemaakt in de door [geïntimeerde] verdedigde zin volgt niet uit de ‘Toxozon Tonerfilter Korting overeenkomst’. In de overeenkomst staat vermeld dat de korting wordt berekend over ‘de geldende prijs’ zonder vermelding van een bedrag (zie 3.1.2). Zeker een ondernemer als [geïntimeerde] had moeten begrijpen dat met de term ‘geldende prijs’ wordt bedoeld de op het moment van levering geldende prijs van de filtersets. Als partijen een vaste prijs voor de filters hadden afgesproken, had het voor de hand gelegen dat deze prijs in de overeenkomst was genoemd. [geïntimeerde] heeft bovendien zonder protest de facturen van [appellant] van 1 september 2009 en 1 september 2010 betaald (met dien verstande dat [geïntimeerde] zelf de korting in mindering heeft gebracht op het bedrag op de laatste factuur), terwijl in deze facturen een hogere stukprijs voor de filters in rekening werd gebracht (respectievelijk € 212,00 exclusief btw en € 222,00 exclusief btw). [geïntimeerde] biedt ook niet specifiek bewijs aan van de door hem gestelde prijsafspraak. Het hof gaat hieraan dan ook voorbij.

Voor zover [geïntimeerde] stelt dat zij er niet op bedacht hoefde te zijn dat de prijs van de filters ieder jaar zou stijgen, passeert het hof deze stelling eveneens. Van algemene bekendheid kan worden verondersteld dat prijzen van producten schommelen als gevolg van diverse, niet zelden prijsverhogende omstandigheden zoals inflatie, loon en prijzen van grondstoffen.

[geïntimeerde] betwist op zichzelf ook niet dat de door [appellant] in rekening gebrachte stukprijzen voor de filters daadwerkelijk de in de betreffende jaren geldende prijzen van de filters zijn. Het hof zal dan ook van deze prijzen uitgaan. Dit betekent tevens dat het door [geïntimeerde] in reconventie gevorderde bedrag van € 69,73 op grond van onverschuldigde betaling niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Ook de derde en de vijfde grief treffen dus doel.

5.5.1.

Grief 6 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] gerechtigd was de ‘Toxozon Tonerfilter Korting overeenkomst’ partieel te ontbinden, nu het ervoor gehouden moet worden dat [appellant] door geen derde filterset meer aan te bieden tekort is geschoten in haar verplichtingen uit die overeenkomst. [appellant] betwist in hoger beroep dat zij steeds slechts twee filtersets heeft aangeboden in plaats van drie. Naar het oordeel van het hof kan echter in het midden worden gelaten of er sprake is van een tekortkoming van [appellant] op dit punt. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie primair als verweer gevoerd dat zij na het wegvallen van de Brother nog maar gehouden was om twee filters af te nemen en te betalen, nu de essentie van de overeenkomst niet de benoeming van de machines in de overeenkomst en/of het aantal machines was, maar dat een korting gold van 15 % op de te vervangen filters bij afname van de filters gedurende een periode van vijf jaar. Hierop ziet ook de tweede grief van [geïntimeerde] in incidenteel appel. Naar het oordeel van het hof slaagt dit verweer. Het hof leidt uit de tekst van de overeenkomst af dat de hoogte van de korting is gekoppeld aan de duur van de overeenkomst in die zin dat hoe langer de periode was waarvoor de overeenkomst werd gesloten, des te meer korting er werd gegeven op de prijs van een filterset. Immers, er waren ten aanzien van de korting op de prijs van de filtersets twee opties, te weten een korting van 10 % bij een overeenkomst van twee jaar en een korting van 15 % bij een overeenkomst van vijf jaar. De eerste optie is in de overeenkomst doorgestreept, omdat [geïntimeerde] gekozen heeft voor de tweede optie. Uit de overeenkomst volgt niet dat de hoogte van de korting (mede) afhankelijk was van het aantal machines waarvoor een filterset werd besteld. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om te oordelen dat zij redelijkerwijs anders heeft mogen begrijpen. Voorts staat vast dat [appellant] al bij het aangaan van de overeenkomst ervan op de hoogte was dat de Brother binnen afzienbare tijd zou komen te vervallen en niet zou worden vervangen. Evenmin is in geschil dat toen de Brother eind 2009 daadwerkelijk was komen te vervallen, [geïntimeerde] [appellant] hiervan in kennis heeft gesteld. Het ligt niet voor de hand dat [geïntimeerde] desondanks een derde filterset zou moeten afnemen en betalen voor een machine die er niet meer was. Daar komt bij dat [appellant] na het wegvallen van de Brother op de factuur van 1 september 2010 ook maar twee filtersets in rekening heeft gebracht.

[appellant] voert tegenover het bovenstaande onvoldoende aan om anders te oordelen.

5.5.2.

Uit het voorgaande concludeert het hof dat na het wegvallen van de Brother eind 2009 voor [geïntimeerde] geen afname- en betalingsverplichting ten aanzien van een derde filterset meer bestond. De door [appellant] gevorderde hoofdsom van € 1.650,64 inclusief btw dient dus te worden verminderd met een bedrag van € 188,70 exclusief btw/€ 224,55 inclusief btw voor een filter op de factuur van 1 december 2010 (zodat ten aanzien van deze factuur [appellant] niets meer te vorderen heeft), een bedrag van € 188,70 exclusief btw/€ 224,55 inclusief btw voor een filterset op de factuur van 3 oktober 2011 en een bedrag van € 199,75 exclusief btw/€ 237,70 inclusief btw voor een filterset op de factuur van 27 juli 2012. Dit betekent dat in conventie ter zake van de onbetaald gelaten facturen een bedrag van (€ 1.650,64 minus
€ 686,80 is) € 963,84 inclusief btw kan worden toegewezen. De door [appellant] gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom zal, bij gebreke van enig verweer, eveneens worden toegewezen op na te melden wijze. Hieruit volgt dat de zesde grief in principaal appel faalt en dat de tweede grief in incidenteel appel slaagt.

5.6.

Dit heeft ook gevolgen voor de hoogte van het bedrag dat kan worden toegewezen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] richt geen grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, zodat hiervan in hoger beroep wordt uitgegaan. Zowel op grond van het Rapport Voorwerk II, dat ten aanzien van de factuur van 3 oktober 2011 tot uitgangspunt wordt genomen, als op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, dat van toepassing is op de factuur van 27 juli 2012, geldt in dit geval dat 15 % van de toewijsbare hoofdsom (€ 963,84) toegewezen kan worden ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Dit komt neer op een bedrag van € 144,58.

Incidenteel appel

5.7.

[geïntimeerde] voert in incidenteel appel drie grieven aan en concludeert tot vernietiging van het vonnis van 3 juni 2016 voor zover daarbij de vorderingen van [appellant] zijn toegewezen, tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , alsmede tot vernietiging van het vonnis van 3 juni 2016 in reconventie voor zover de kantonrechter de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente heeft toegewezen vanaf 7 maart 2014 en tot toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente vanaf de datum waarop de verschillende deelbedragen door [geïntimeerde] aan [appellant] zijn betaald. Nu de tweede grief van [geïntimeerde] al is meegenomen bij de beoordeling van de zesde grief van [appellant] in principaal appel, rest nog de behandeling van de eerste grief en de derde grief van [geïntimeerde] in incidenteel appel.

5.8.

De eerste grief in incidenteel appel houdt in dat de kantonrechter ten onrechte niet aan de deskundige de vraag heeft voorgelegd of op het kantoor van [geïntimeerde] het gebruik van de externe Toxozonfilters nuttig en verstandig was. Deze grief is, zo begrijpt het hof, voorwaardelijk aangevoerd, namelijk voor het geval het hof in hetgeen [appellant] in het kader van haar tweede grief heeft aangevoerd aanleiding ziet te oordelen dat de aan de deskundige voorgelegde vraagstelling niet juist is geweest. Deze grief behoeft echter geen nadere bespreking. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof niet is toegekomen aan de beoordeling van stellingen van [appellant] over de vraagstelling aan de deskundige. Het hof heeft hiervoor geen aanleiding gezien, nu de rechtbank deskundige voorlichting nodig heeft gevonden in verband met het beroep van [geïntimeerde] op dwaling en dit beroep door het hof is verworpen. Daarom wordt ook niet toegekomen aan het verzoek om een nader onderzoek door een tweede deskundige.

5.9.

De derde grief in incidenteel appel is gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde ingangsdatum van de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de door haar op grond van onverschuldigde betaling gevorderde bedragen. Het hof heeft hiervoor, anders dan de kantonrechter, geoordeeld dat de vorderingen van [geïntimeerde] op grond van onverschuldigde betaling niet voor toewijzing in aanmerking komen (zie r.o. 5.2 e.v. en 5.3 e.v.). Reeds hierom faalt de derde grief.

6 De slotsom

6.1

Het bovenstaande leidt ertoe dat [geïntimeerde] in conventie zal worden veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 963,84 ter zake van onbetaalde facturen en een bedrag van € 144,58 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten en dat de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie zullen worden afgewezen. Het bestreden vonnis van 6 juni 2016 zal dus zowel in conventie als in reconventie worden vernietigd. De grieven leiden niet tot vernietiging van het bestreden tussenvonnis van 23 januari 2015, zodat dit zal worden bekrachtigd.

6.2

De proceskosten in eerste aanleg zullen in conventie tussen partijen worden gecompenseerd, nu partijen in conventie ieder voor een deel in het ongelijk worden gesteld. De zevende grief van [appellant] in principaal appel, die gericht is tegen de in eerste aanleg uitgesproken proceskostencompensatie in conventie faalt dus.

[geïntimeerde] zal in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Deze kosten worden aan de zijde van [appellant] begroot op

€ 262,50 aan salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punt [1 conclusie van antwoord in reconventie, 0,5 punt akte na deskundigenbericht] maal € 175,00) en op

€ 1.786,06 aan kosten van de deskundige. Dit brengt mee dat de vierde grief in principaal appel, gericht tegen de kostenveroordeling van [appellant] in reconventie, slaagt.

6.3.

[geïntimeerde] zal in principaal appel als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [appellant] in principaal appel begroot op € 82,54 aan explootkosten, op € 718,00 aan griffierecht en op € 759,00 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt [memorie van grieven] maal tarief I).

In incidenteel appel zal [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 379,50 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt [memorie van grieven in incidenteel appel] maal tarief I maal 0,5).

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de door [appellant] gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen van 7 maart 2014, 1 mei 2015 en 17 juli 2015;

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen van 3 juni 2016;en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 963,84 ter zake van onbetaalde facturen en een bedrag van € 144,58 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het bedrag van € 963,84 vanaf de datum dat [geïntimeerde] met de betaling van de betreffende facturen in verzuim is geraakt tot aan de dag van volledige betaling;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg tussen partijen aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen tussenvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 23 januari 2015;

in reconventie:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en begroot deze tot op genoemd vonnis van 3 juni 2016 aan de zijde van [appellant] op € 262,50 aan salaris gemachtigde en op

€ 1.786,06 aan kosten van de deskundige, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt –, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

en voorts in hoger beroep:

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het principaal appel en begroot deze aan de zijde van [appellant] tot op heden in principaal appel op € 800,54 aan verschotten en op

€ 759,00 aan salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt –, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, en in de nakosten, begroot op € 157,00 met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incidenteel appel en begroot deze tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 379,50 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest wat bovengenoemde veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, P.P.M. Rousseau en R.F. Groos en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.