Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7494

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
200.207.605/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een zorgbureau heeft met pgb-houders overeenkomsten gesloten tot het verrichten van administratieve werkzaamheden tegen betaling van een vast bedrag per maand. Als gevolg van een wetswijzing mag het zorgbureau die vergoeding met ingang van 2013 niet meer (geheel) inhouden op de (aan de zorgverlener door te betalen) pgb’s. Het zorgbureau is vervolgens facturen aan de zorgverlener gaan versturen, die die facturen aanvankelijk ook heeft voldaan. De zorgverlener is daarvan later teruggekomen en heeft geweigerd verder nog facturen te betalen. De vraag is of tussen het zorgbureau en de zorgverlener een overeenkomst tot stand is gekomen die de zorgverlener verplicht om de vergoeding aan het zorgbureau te betalen. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat het zorgbureau dat niet heeft aangetoond. De vordering van het zorgbureau tegen de zorgverlener moet daarom worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.605/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3279373 / CV EXPL 14-6521

arrest van 21 augustus 2018

in de zaak van

1 Enter V.O.F. in liquidatie,

voorheen gevestigd te Assen,

alsmede haar voormalige vennoten:

2. [appellant2],

wonende te [A] ,

3. [appellant3],

wonende te [A] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna te noemen: Enter (in enkelvoud),

advocaat mr. H. Veldman te Roden,

tegen:

[geïntimeerde] ,

handelende onder de naam Zorgbureau [geïntimeerde] ,

wonende en zaakdoende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. O.M.M. Philips te Haren.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 4 november 2014, 14 april 2015 en 16 augustus 2016 die de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, sector kanton, locatie Leeuwarden) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Geen grieven zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.4 van het tussenvonnis van 14 april 2015. Die feiten vormen daarom ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

3.1.1.

[geïntimeerde] heeft een onderneming op het gebied van advisering, bemiddeling en ondersteuning voor mensen die recht hebben op een persoonsgebonden budget (pgb).

3.1.2.

Enter handelt onder de naam Enter Begeleid Wonen & Coaching en biedt verschillende diensten op het gebied van begeleid wonen en coaching aan jong volwassenen aan in de leeftijd van 18 tot 25 jaar.

3.1.3.

[geïntimeerde] heeft een bedrag van € 21.552,83 bij Enter in rekening gebracht voor de

ondersteuning van jong volwassenen die door Enter worden begeleid. Enter heeft dat bedrag

ook na aanmaning niet betaald.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft veroordeling van Enter gevorderd tot betaling van € 25.000,-, te vermeerderen met rente en kosten als naar de wet. [geïntimeerde] heeft daartoe aangevoerd dat zij in opdracht en voor rekening van Enter diverse werkzaamheden heeft verricht, waarvoor een tarief van € 100,- per cliënt per maand is afgesproken. In de periode van januari 2013 tot en met oktober 2013 heeft [geïntimeerde] aan Enter facturen gestuurd met een totaalbedrag van € 21.552,83. Ondanks aanmaning is Enter, aldus [geïntimeerde] , in gebreke gebleven laatstgenoemd bedrag te betalen. Enter maakt voorts aanspraak op € 3.232,92 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten en op rente. [geïntimeerde] beperkt haar vordering tot € 25.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente, en doet afstand van het meerdere.

Enter heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. Met name heeft Enter betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan zij gehouden zou zijn te betalen voor door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden.

4.2.

Bij het tussenvonnis van 4 november 2014 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Bij het tussenvonnis van 14 april 2015 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] vervolgens toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat Enter, zoals [geïntimeerde] stelde, aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven tot het verlenen van diensten voor een bedrag van € 100,- per cliënt per maand of op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat [geïntimeerde] er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat Enter haar die opdracht heeft gegeven.

4.3.

[geïntimeerde] heeft, teneinde te voldoen aan de haar verstrekte bewijsopdracht, schriftelijke stukken in het geding gebracht en getuigen doen horen, namelijk [geïntimeerde] zelf en een medewerker van [geïntimeerde] , [C] . Enter heeft in tegengetuigenverhoor appellanten 2 en 3, [appellant2] en [appellant3] , doen horen. Bij het in dit hoger beroep bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs en de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen:

"Uit de verklaring van [geïntimeerde] volgt dat door gewijzigde regelgeving haar kosten volgens [geïntimeerde] vanaf 2013 niet langer uit het budget van de budgethouders betaald konden worden en dat zij met Enter is overeengekomen dat die kosten vanaf dat moment bij Enter in rekening zouden worden gebracht. (…)

De door [geïntimeerde] beschreven gang van zaken wordt naar het oordeel van de kantonrechter bevestigd door de verklaringen van [appellant3] en [appellant2] . Zij verklaren net als [geïntimeerde] dat tot het jaar 2013 de kosten van [geïntimeerde] bij de budgethouder in rekening werden gebracht en dat [geïntimeerde] heeft aangegeven dat dit vanaf 2013 niet langer mocht.

[appellant3] en [appellant2] bevestigen eveneens dat [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt dat haar

kosten (van € 1.200,00 per jaar) vanaf 2013 bij Enter in rekening zouden worden gebracht.

Dit vindt eveneens aansluiting bij hetgeen [appellant3] ter comparitie heeft verklaard, namelijk

dat er op een gegeven moment een verandering was in de wet en dat er een bepaalde kostenpost moest komen van € 100,00 per cliënt die Enter zou moeten vergoeden. Die vergoeding heeft Enter volgens de ter comparitie door de heer [appellant3] afgelegde verklaring betaald, omdat Enter ervan uitging dat wat [geïntimeerde] deed juist was.

(…) Door die kosten te betalen en de samenwerking met [geïntimeerde] voort te zetten nadat [geïntimeerde] kenbaar had gemaakt dat zij haar kosten niet langer ten laste van de budgethouders kon brengen en dat vanaf 2013 een bedrag van € 100,00 per budgethouder per maand bij Enter in rekening zou worden gebracht, heeft Enter [geïntimeerde] naar het oordeel van de kantonrechter het gerechtvaardigd vertrouwen gegeven dat Enter akkoord ging met de door haar voorgestelde gang van zaken. Dit leidt ertoe dat Enter in beginsel gehouden is de door [geïntimeerde] gefactureerde bedragen te betalen."

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

In principaal appel en incidenteel appel

5.1.

Enter heeft in principaal appel twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden eindvonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] .

Met haar eerste grief betoogt Enter dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen en beslist dat op grond van de verklaringen van getuigen die [geïntimeerde] heeft doen horen vast is komen te staan dat Enter [geïntimeerde] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gegeven dat zij akkoord ging met de door [geïntimeerde] voorgestelde gang van zaken, namelijk doordat Enter met ingang van januari 2013 de desbetreffende facturen van [geïntimeerde] is gaan betalen en de samenwerking met Enter heeft voortgezet, ook nadat [geïntimeerde] kenbaar had gemaakt dat zij de kosten niet langer ten laste van de budgethouders kon brengen.

Met haar tweede grief betoogt Enter dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte geheel heeft toegewezen en ook het verweer van Enter tegen de hoogte van de facturen heeft verworpen.

[geïntimeerde] bestrijdt de grieven.

Het hof overweegt als volgt.

5.2.

Vaststaat dat de werkzaamheden van [geïntimeerde] bestaan uit het adviseren, bemiddelen en ondersteunen van/voor mensen die recht hebben op een persoonsgebonden budget (pgb), hierna: budgethouders. In dat kader verzorgt [geïntimeerde] indicatieaanvragen bij het CIZ, verleent zij hulp bij het inzetten van zorgverleners (zoals Enter) en beheert zij de pgb's (hierna aangeduid als: de administratie), steeds ten behoeve van de budgethouders. Daartoe heeft [geïntimeerde] overeenkomsten van dienstverlening gesloten met de budgethouders. Enter heeft als voorbeeld van een dergelijke overeenkomst productie 1 bij conclusie van antwoord in het geding gebracht. In artikel 1 van die overeenkomst is bepaald dat opdrachtgever (de budgethouder) aan de opdrachtnemer ( [geïntimeerde] ) opdracht geeft tot het verrichten van de werkzaamheden. In artikel 4 is bepaald dat [geïntimeerde] daarvoor een vergoeding ontvangt van de budgethouder. Enter is bij de overeenkomst geen partij.

Bij gebreke van betwisting door [geïntimeerde] kan ervan worden uitgegaan dat dit  in ieder geval tot 2013  gold voor alle werkzaamheden die [geïntimeerde] in het kader van de uitoefening van haar bedrijf verrichtte.

5.3.

Gelet op het voorgaande zijn de stellingen van [geïntimeerde] dat de budgethouders uitsluitend klant waren van Enter (punt 15 memorie van antwoord/grieven) en dat [geïntimeerde] jarenlang, van 2010 tot eind 2014, in opdracht van Enter werkzaamheden verrichtte (punt 14 van die memorie), onjuist. De budgethouders hebben overeenkomsten met Enter gesloten voor de verlening van zorg. Wat betreft de administratie hebben de budgethouders overeenkomsten gesloten met [geïntimeerde] . De [geïntimeerde] contractueel toekomende vergoeding voor het verzorgen van de administratie was  in ieder geval tot 2013  verschuldigd door de budgethouders.

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] , aan wie als administrateur de pgb's ten behoeve van de budgethouders feitelijk werden uitbetaald, de pgb's doorbetaalde aan de zorgverleners (i.c. Enter), nadat [geïntimeerde] daarop haar vergoeding voor geleverde diensten ad (doorgaans) € 100,- per budgethouder per maand in mindering had gebracht. Evenmin is in geschil dat [geïntimeerde] op enig moment aan Enter heeft medegedeeld dat deze handelwijze als gevolg van gewijzigde regelgeving met ingang van 2013 niet meer was toegestaan.

Naar thans in hoger beroep tussen partijen vaststaat (punt 12 memorie van grieven, punt 9 memorie van antwoord/grieven) mogen administratiekosten vanaf het jaar 2013 alleen nog ten laste worden gebracht van de vrij besteedbare ruimte van het pgb.

5.5.

Geen grieven zijn gericht, in principaal noch voorwaardelijk incidenteel appel, tegen de door de kantonrechter gewezen tussenvonnissen. In het laatste tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen en beslist  terecht, gelet op de hoofdregel van 150 Rv  dat het aan [geïntimeerde] is om te bewijzen, zoals door haar gesteld maar door Enter uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist, dat tussen partijen de door [geïntimeerde] aan haar vordering ten grondslag gelegde overeenkomst tot het verrichten van werkzaamheden (diensten) tot stand is gekomen.

5.6.

In dit verband stelt het hof voorop dat het antwoord op de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, afhankelijk is van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW, Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BQ2213).

5.6.1.

[geïntimeerde] heeft verklaard dat zij tijdens een gesprek met [appellant3] en [appellant2] heeft afgesproken dat Enter haar met ingang van 2013 € 100,- per maand per cliënt zal betalen. [geïntimeerde] weet niet wanneer dat gesprek precies heeft plaatsgevonden. De afspraken zijn niet op schrift gesteld.

5.6.2.

Zoals de kantonrechter in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis heeft overwogen, kan aan de verklaring die [geïntimeerde]  als partijgetuige  heeft afgelegd, gelet op artikel 164 lid 2 Rv slechts bewijs te haren voordele worden ontleend indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001: AB1057). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs is geslaagd, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).

5.6.3.

Niet is bestreden dat getuige [C] pas een jaar na de door [geïntimeerde] gestelde totstandkoming van de overeenkomst bij partijen betrokken is geraakt en dat (enkel) zijn verklaring daarom niet genoeg is om de verklaring van [geïntimeerde] voldoende geloofwaardig te maken. Bovendien heeft [C] niets verklaard omtrent de totstandkoming van die overeenkomst.

5.6.4.

[appellant3] heeft als getuige verklaard dat [geïntimeerde] aan hem/Enter heeft medegedeeld dat de kosten voor de cliënten vanaf 2013 € 100,- per maand zouden bedragen en dat dit bedrag voortaan aan Enter in rekening werden gebracht. Uit de verklaring van [appellant3] valt niet af te leiden dat van de zijde van Enter met die mededeling is ingestemd. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [appellant2] . Hij heeft uitdrukkelijk verklaard dat er niets met [geïntimeerde] is afgesproken met betrekking tot de kosten van de werkzaamheden die zij verrichtte.

Uit de verklaringen van [appellant3] , [appellant2] en [C] blijkt derhalve niet dat Enter ermee heeft ingestemd om met ingang van 2013 de kosten van [geïntimeerde] te gaan betalen.

5.6.5.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit de omstandigheid dat Enter, na de mededeling van [geïntimeerde] dat haar kosten met ingang van 2013 niet langer ten laste van de budgethouders konden worden gebracht en aan Enter in rekening zouden worden gebracht, facturen van [geïntimeerde] is gaan betalen en in zoverre de samenwerking met [geïntimeerde] heeft voortgezet, deze instemming van Enter niet kan worden afgeleid.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de stukken kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] destijds bij Enter de suggestie heeft gewekt, zoals door Enter aangevoerd, dat er ook vóór 2013 al een contractuele relatie tussen partijen bestond op grond waarvan Enter gehouden zou zijn tot betaling van de facturen van [geïntimeerde] (met dien verstande dat deze tot dan via de pgb's werden verrekend). Het hof wijst hiervoor met name op de akte van [geïntimeerde] van 12 mei 2015, bladzijde 3 bovenaan: "Resumerend en ter toelichting deelde eiseres [ [geïntimeerde] ] nog mede dat ondanks het feit dat er geen ondertekende schriftelijke overeenkomst ten grond slag heeft gelegen is er jaren lang innig samengewerkt tussen gedaagden [Enter] en eiseres". Ook in deze appelprocedure heeft [geïntimeerde] nog dat  onterechte, zie hiervoor rechtsoverweging 5.3  standpunt ingenomen.

5.6.6.

Weliswaar was er in zekere mate steeds samenwerking tussen partijen, ingegeven door het feit dat klanten van Enter (zorgbehoevenden) ook klanten waren van [geïntimeerde] , maar die samenwerking verplichtte Enter tot 2013 niet tot het betalen van de werkzaamheden van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] verrichtte die werkzaamheden immers contractueel in opdracht en voor rekening van budgethouders, zoals hiervoor overwogen. De omstandigheid dat budgethouders zich regelmatig met vragen van administratieve aard tot Enter wendden en dat Enter die vragen vervolgens doorspeelde aan [geïntimeerde] , zoals uit de stellingen van partijen (punt 9 memorie van grieven en punt 5 memorie van antwoord/grieven) blijkt, maakt dat niet anders. Ook de tussen partijen vanaf 2010 tot begin 2014 gevoerde correspondentie die [geïntimeerde] bij akte van 12 mei 2015 in het geding heeft gebracht, wijst erop dat er tussen partijen weliswaar een zekere mate van samenwerking heeft bestaan, maar steeds in het kader van de op grond van de overeenkomst van opdracht met de budgethouders door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden, bij welke overeenkomst Enter geen partij was.

5.6.7.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] niet heeft bewezen dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, in de zin dat zij er redelijkerwijs van heeft mogen uitgaan dat Enter ermee instemde dat zij met ingang van 2013 het contractueel door ieder van de desbetreffende budgethouders verschuldigde bedrag van € 100,- per maand zou gaan betalen. Voor zover Enter vanaf 2013 facturen van [geïntimeerde] is gaan betalen is dat naar de overtuiging van het hof ingegeven door de omstandigheid dat [geïntimeerde] Enter op het verkeerde been heeft gezet omtrent de verschuldigdheid ervan. Uit die betalingen kan daarom [geïntimeerde] geen (gerechtvaardigde verwachting van) wilsovereenstemming in de door [geïntimeerde] bepleite zin worden afgeleid. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat partijen op een later moment in onderhandeling zijn getreden over een (eventuele) betalingsregeling.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep geen nader bewijs aangeboden van haar desbetreffende stelling. Bovendien acht het hof het bewijsaanbod van [geïntimeerde] , gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet ter zake dienend.

5.7.

In punt 57 van haar memorie van antwoord/grieven heeft [geïntimeerde] onder het kopje 'Voorwaardelijke wijziging van grondslag' aangevoerd: "Ingeval dat uw gerechtshof onverhoopt tot het oordeel komt dat de kantonrechter niet tot toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] had kunnen komen op basis van de in de inleidende dagvaarding genoemde grondslagen, wenst [geïntimeerde]  derhalve voorwaardelijk – haar grondslagen te wijzigen c.q. aan te vullen. [geïntimeerde] meent namelijk  ook in de situatie waarin uw gerechtshof vaststelt dat Enter c.s. geen opdracht heeft gegeven tot het verlenen van diensten voor een bedrag van € 100,00 per cliënt per maand en/of dat geen sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan [geïntimeerde] er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat Enter c.s. haar die opdracht heeft gegeven  dat Enter c.s. (…) een redelijke vergoeding verschuldigd is voor de werkzaamheden die [geïntimeerde] voor Enter c.s. heeft verricht."

Het hof leest in het voorgaande geen grondslag. Niet valt daarom in te zien waarom Enter zou moeten betalen voor de door [geïntimeerde] met de budgethouders overeengekomen werkzaamheden waarvoor die budgethouders aan [geïntimeerde] een contractuele vergoeding zijn verschuldigd. Bovendien heeft [geïntimeerde] verzuimd te stellen welke werkzaamheden voor Enter zouden zijn verricht en heeft Enter betwist dat voor haar door [geïntimeerde] werkzaamheden zijn verricht. Nu niet is komen vast te staan dat werkzaamheden zijn verricht komt een vergoeding daarvoor niet aan de orde.

5.8.

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt grief 1 in principaal appel. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Behandeling van grief 2 in principaal appel, die betrekking heeft op de hoogte van de vordering, kan achterwege blijven.

5.9.

Met haar voorwaardelijke grief in incidenteel appel  voor het geval het hof niet het oordeel van de kantonrechter deelt dat Enter het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij akkoord ging met de door [geïntimeerde] voorgestelde gang van zaken, welke voorwaarde in werking is getreden  betoogt [geïntimeerde] dat de kantonrechter ten onrechte niet expliciet heeft vastgesteld dat Enter aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven tot het verlenen van diensten.

Gelet op hetgeen het hof naar aanleiding van grief 1 in principaal appel heeft overwogen en beslist, kan de grief in incidenteel appel niet slagen. Naar het oordeel van het hof is er tussen partijen hoe dan ook geen overeenkomst tot stand gekomen.

6 De slotsom

6.1

Zoals overwogen slaagt grief 1 in principaal appel. De grief in incidenteel appel faalt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen.

6.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, zowel voor wat betreft het principaal als het incidenteel appel, worden veroordeeld.

De kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Enter zullen worden vastgesteld op € 1.600,- (4 punten) ter zake van salaris gemachtigde.

De kosten van de procedure in principaal appel aan de zijde van Enter zullen worden vastgesteld op € 113,99 ter zake van explootkosten, € 1.952,- ter zake van griffierecht en € 1.391,- ter zake van salaris advocaat (1 punt x tarief III). De kosten van de procedure in incidenteel appel aan de zijde van Enter zullen worden vastgesteld op € 695,- (0,5 punt x tarief III).

6.3

Enter heeft terugbetaling gevorderd van al hetgeen zij ter voldoening aan het bestreden eindvonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Deze vordering is toewijsbaar, nu het een vordering betreft die er slechts toe strekt de gevolgen van de  thans onjuist bevonden  veroordeling die bij het bestreden vonnis werd uitgesproken, aanstonds ongedaan te maken.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Assen (rechtbank Noord-Nederland) van 16 augustus 2016;

opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Enter voor wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.600,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief, en tot aan deze uitspraak voor wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.065,99 voor verschotten en op € 2.086,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen Enter ingevolge het bestreden eindvonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en A.C. Metzelaar is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.