Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7484

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
200.232.279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie. Schuldsaneringsregeling. Draagkracht, bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.232.279

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 439225)

beschikking van 21 augustus 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats ] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.G. Blok te Dronten,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats ] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Falkena te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 13, ingekomen op 26 januari 2018;

- het verweerschrift met producties 9 tot en met 17;

- een journaalbericht van mr. Falkena van 31 mei 2018 met producties 18 en 19;

- een journaalbericht van mr. Blok van 1 juni 2018 met producties 14 tot en met 21;

- een journaalbericht van mr. Falkena van 5 juni 2018 met producties 20 en 21.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 14 juni 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van partijen is op 26 april 2016 ontbonden door echtscheiding.

3.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 15 december 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw € 1.925,- per maand aan de vrouw zal voldoen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van 15 december 2015, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van 19 januari 2017 en voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling bepaald op nihil.

4.2.

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen.

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de partneralimentatie ad € 1.925,- per maand, zoals bepaald in de echtscheidingsbeschikking, blijft gelden, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3.

De man voert verweer en hij verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dat dit het geval is, is tussen partijen niet in geschil.

De behoefte en de behoeftigheid van de vrouw

5.2.

De behoefte en de behoeftigheid van de vrouw aan de bij de echtscheidings–beschikking opgelegde partneralimentatie is niet in geschil en staat daarmee vast.

De draagkracht van de man

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man met ingang van 19 januari 2017 is toegelaten tot de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna: WSNP).

Het inkomen

5.4.

De vrouw stelt dat de man voldoende draagkracht heeft om de eerder vastgestelde bijdrage te voldoen, ondanks dat hij is toegelaten tot de WSNP. Niet relevant is dat bij de bepaling van het vrij te laten bedrag geen rekening is gehouden met de partneralimentatie.

Volgens de vrouw heeft de man meer inkomen dan het bedrag van € 1.361,71 netto per maand dat hij stelt bij BME Bookings in loondienst te verdienen. Daarbij komt dat de relatie die de man heeft met BME Bookings niet voldoet aan de voorwaarden voor een arbeidsverhouding. Hij heeft geen arbeidsovereenkomst, geen loonbetalingen en geen gezagsverhouding. Hij legt dan ook geen loonstroken of jaaropgave over. De man geeft, evenals tijdens het huwelijk, opdrachten aan BME Bookings om optredens te factureren.

De man verzwijgt de neveninkomsten voor de bewindvoerder. Hij heeft het gehele jaar optredens die niet via BME Bookings lopen. Zo blijkt uit de stukken dat de man in 2017 in Oostenrijk heeft opgetreden, terwijl dat niet op de lijst van BME Bookings staat vermeld. De man ontvangt voor een optreden van 30 minuten € 1.495,- exclusief BTW en Buma.

Volgens de vrouw verdient de man gemiddeld € 6.624,17 bruto per maand en is zijn inkomen gelijk gebleven aan het inkomen dat hij tijdens het huwelijk had. Hij heeft verwijtbaar inkomensverlies geleden doordat hij minder is gaan werken. Hij kon als zelfstandige meer verdienen dan dat hij thans stelt in loondienst te doen. In het verleden was de winst redelijk stabiel, gemiddeld € 70.000,- per jaar. De man heeft niet onderbouwd dat hij door zijn val van de steiger niet in staat is om meer te werken dan hij stelt te doen.

5.5.

De man voert aan dat zijn draagkracht niet toereikend is om de eerder vastgestelde partneralimentatie te voldoen, nu hij is toegelaten tot de WSNP en de rechter-commissaris bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag geen rekening heeft gehouden met de partneralimentatie. Het uitgangspunt in dergelijke gevallen is nihilstelling.

De man is in loondienst van BME Bookings. Het contract was weliswaar afgelopen, maar is stilzwijgend verlengd. Alle optredens lopen via zijn werkgever. De man heeft geen verklaring voor het feit dat – in de processtukken genoemde – optredens die hij in 2017 in Oostenrijk heeft gehad niet op de lijst van BME Bookings staan vermeld. De man biedt aan hierover opheldering te vragen aan BME Bookings.

De man heeft niet veel optredens vanwege het gebrek aan hits waardoor de kosten de opbrengsten overstijgen. De man ontvangt een vast loon ongeacht het aantal optredens en de gage die de werkgever ontvangt. Daarbij is de gage en de reiskostenvergoeding vaak ruim onder de advies-verkoopprijs van € 1.495,-. De man verricht verder geen werkzaamheden voor derden. Tijdens het huwelijk maakte de man ook videoclips, werkte hij in de bouw en was hij vertegenwoordiger voor Flügel. Dit is thans niet meer het geval. De man is niet in staat om meer te werken dan hij thans doet bij BME Bookings. Daarin speelt ook de gezondheid van de man een rol.

5.6.

In zijn beschikking van 14 november 2008 (LJN: BD7589) heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter, bij de beoordeling van een verzoek van een onderhoudsplichtige een vastgestelde onderhoudsbijdrage op grond van een wijziging van omstandigheden op een lager bedrag of nihil vast te stellen, in aanmerking zal kunnen nemen dat ten aanzien van de onderhoudsplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt zal kunnen nemen. In aanmerking genomen voorts dat de saniet gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dit bedrag, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde artikel 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van artikel 295 lid 3 Fw anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen.

5.7.

Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie alsnog zal worden afgewezen. Ter zitting van het hof heeft de man erkend in 2017 optredens in Oostenrijk te hebben gedaan die niet staan vermeld in het overzicht van BME Bookings (productie 14), terwijl dit volgens de man een overzicht betreft van ál zijn optredens omdat hij slechts via BME Bookings optredens heeft, zowel in het binnen- als buitenland. De man heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven. Het hof passeert het aanbod van de man om hierover alsnog duidelijkheid te verschaffen via BME Bookings nu hij daartoe, mede gelet op het gelijkluidende verweer van de vrouw in eerste aanleg, reeds ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Het hof gaat er daarom van uit dat de man – conform de stelling van de vrouw – optredens geeft die niet via BME Bookings verlopen. De door de vrouw inzichtelijk gemaakte boekingsmogelijkheden van de man op andere sites, waaronder Easy Bookings, Euro-Entertainment en Twilight Entertainment, ondersteunen het standpunt van de vrouw. De (blote) ontkenning van de man ter zitting dat hij via deze boekingskantoren kan worden geboekt acht het hof onvoldoende om aan het standpunt van de vrouw voorbij te gaan.

Voorts gaat het hof voorbij aan de door de man overgelegde mailberichten waarin hij stelt dat hij optredens ‘doorzet’ naar BME Bookings nu dit er ook op kan duiden dat BME Bookings de facturering van de man verzorgt zoals dat – volgens de vrouw en onweersproken door de man – tijdens het huwelijk ook wel het geval was. Van belang acht het hof dat de man voorts in gebreke is gebleven loonstroken en de jaaropgave 2017 te verstrekken. Mede gelet op het al lange tijd voor hem kenbare verweer van de vrouw had het op de weg van de man gelegen om nadere informatie te verstrekken, waaronder recente loonstroken, de jaaropgave van 2017, definitieve aanslagen inkomstenbelasting en gegevens van de WSNP waaronder de schuldenstand.

Het voorgaande leidt tot het vermoeden dat de man nog andere inkomsten ontvangt dan de door hem opgegeven inkomsten van BME Bookings van € 1.361,71 netto per maand. Het hof heeft het stellige vermoeden dat de man deze neveninkomsten niet heeft opgegeven aan de bewindvoerder, zoals blijkt uit de berekening van het vrij te laten bedrag.

Nu de man de hoogte van zijn werkelijke inkomen niet, althans onvoldoende, inzichtelijk heeft gemaakt, gaat het hof – in afwijking van het onder 5.6 genoemde uitgangspunt – ervan uit dat hij voldoende draagkracht heeft om de eerder opgelegde partneralimentatie nog steeds te kunnen voldoen. De stelling van de man dat zijn gezondheid hieraan thans in de weg staat, heeft hij na betwisting daarvan door de vrouw evenmin nader onderbouwd.

Het feit dat bij de bepaling van het vrij te laten bedrag in de WSNP geen rekening is gehouden met de partneralimentatie leidt niet tot een ander oordeel.

6 De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 oktober 2017, voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 15 december 2015 voor zover dit verzoek de nihilstelling van de partneralimentatie per 19 januari 2017 voor de duur van de schuldsanering betreft;

bepaalt dat de beschikking van 15 december 2015 vanaf 19 januari 2017 wordt gehandhaafd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, A. Smeeïng-van Hees en M.S. van Gaalen, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 21 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.