Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7452

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
200.239.233/01 en 200.241.924/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Gebleken onmacht bij de jeugdbeschermingsinstelling om voortvarend de regie te nemen. Hof doet wat de jeugdbeschermingsinstelling had moeten doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2019/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.239.233/01 en 200.241.924/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland: C/16/452187 / JL RK 17-838,
C/16/456505 / JL RK 18-157, C/16/456511 / JL RK 18-158, C/16/455704 / JL RK 18-120 en C/16/457049 / JL RK 18-180)

beschikking van 16 augustus 2018

inzake

[verzoekster] ,
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,

en

de gecertificeerde instelling:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

kantoorhoudend te Lelystad,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,
verder te noemen: de vader.

[de pleegouders] ,
wonende te [C] ,
verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] ,

en verder is als informant opgeroepen:

[de gezinshuisouders] ,
gevestigd te [D] ,
verder te noemen: de gezinshuisouders van [de minderjarige2] .

1 Het geding in eerste aanleg


in de zaak met nummer 200.239.233/01

1.1

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 8 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer C/16/452187 / JL RK 17-838.

1.2

In die - uitvoerbaar bij voorraad - verklaarde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van de hierna genoemde minderjarige [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 2 april 2018 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van de hierna genoemde minderjarige [de minderjarige2] in een gezinshuis eveneens verlengd tot uiterlijk
2 april 2018.

in de zaak met nummer 200.241.924/01
1.3 Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 29 maart 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers C/16/456505 / JL RK 18-157, C/16/456511 / JL RK 18-158,
C/16/455704 / JL RK 18-120 en C/16/457049 / JL RK 18-180.

1.4

In die beschikking is, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad en met afwijzing van het meer of anders verzochte:

- de ondertoezichtstelling van de hierna genoemde minderjarigen [de minderjarige4] , [de minderjarige3] ,
[de minderjarige2] en [de minderjarige1] verlengd tot 2 april 2019;

- de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een gezinshuis verlengd tot 2 oktober

2019 (het hof begrijpt: 2 oktober 2018);

- de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot

2 oktober 2019 (het hof begrijpt: 2 oktober 2018).

2 Het geding in hoger beroep


in de zaak met nummer 200.239.233/01

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 8 mei 2018;
- het verweerschrift van de GI met productie(s);
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 23 mei 2018;
- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 20 juli 2018 met productie(s).


in de zaak met nummer 200.241.924/01
2.2 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 29 juni 2018;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Nijenhuis van 20 juli 2018 met productie(s).

in de beide zaken

2.3

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft (gezamenlijk) plaatsgevonden ter zitting van het hof op 30 juli 2018. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, namens de GI mw. [E] en mw. [F] en voorts is namens voormeld gezinshuis verschenen mw. [G] . Met toestemming van het hof heeft mr. Nijenhuis tijdens de zitting nog een productie overgelegd, te weten een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad van 31 oktober 2017.

2.4

De hierna genoemde minderjarige [de minderjarige2] is voorafgaand aan de zitting afzonderlijk gehoord door een raadsheer-commissaris.

3 Feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van de minderjarigen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2010 (hierna: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2006 (hierna [de minderjarige2] );
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2004 (hierna: [de minderjarige3] );
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2001 (hierna: [de minderjarige4] );
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

Daarnaast hebben de ouders nog een meerderjarige zoon [de minderjarige5] , geboren [in] 2000 (hierna: [de minderjarige5] ).

3.3

Na het uiteengaan van de ouders in 2013 is de moeder met de twee jongste kinderen [de minderjarige2] en [de minderjarige1] bij haar vriend in [A] gaan wonen, waar zij tot op heden nog steeds woont. De inmiddels meerderjarige [de minderjarige5] woont op dit moment ook (weer) bij de moeder.

3.4

Alle vijf kinderen zijn bij beschikking van 2 april 2013 door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI. In de beschikking staat dat zij door de ouders werden belast met echtscheidingsproblematiek, klem zaten en de ouders onvoldoende probleeminzicht toonden. Het ontbrak de kinderen daarbij aan een stabiele, rustige, voorspelbare en veilige opvoedingssituatie. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk -voor de vier jongste kinderen- bij de bestreden beschikking van 29 maart 2018.

3.5

De moeder heeft medio 2014, zonder overleg met de GI, de kinderen [de minderjarige2] en [de minderjarige1] bij de vader ondergebracht in verband met een medische ingreep die zij moest ondergaan. In september 2014 is het verblijf van de kinderen bij de vader geformaliseerd met een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderen zijn tot op heden niet teruggekeerd naar de moeder.

3.6

Op 13 september 2016 zijn [de minderjarige2] en [de minderjarige1] vanuit het gezin van de vader met spoed uithuisgeplaatst na ernstige zorgen vanuit de hulpverlening betreffende onder meer verwaarlozing van de leefomgeving bij de vader, huiselijk geweld en gedragsproblemen van de kinderen op school. Zij hebben vervolgens op verschillende plaatsen verbleven. [de minderjarige1] woont sinds oktober 2016 in het pleeggezin van de familie [de pleegouders] en [de minderjarige2] woont sinds januari 2017 in [de gezinshuisouders] in [D] .

3.7

[de minderjarige2] en [de minderjarige1] hebben evenals hun oudere broers te kampen met persoonlijke problematiek. [de minderjarige1] is gediagnosticeerd met ADHD en een verstandelijke beperking. Bij [de minderjarige2] is een angststoornis waargenomen en zij liet seksueel getint gedrag zien.

4 De omvang van het geschil


in de zaak met nummer 200.239.233/01

4.1

Het geschil in deze procedure betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg en van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een gezinshuis, beide tot uiterlijk 2 april 2018.

4.2

Nu de termijn van deze machtiging inmiddels is verstreken betreft het hier een rechtmatigheidstoets, waarbij de moeder stelt dat de bestreden beschikking van 8 februari 2018 dient te worden vernietigd.

4.3

De GI heeft in het verweerschrift en ter zitting een toelichting gegeven. Hoewel een duidelijke conclusie daarbij ontbreekt begrijpt het hof dat de GI de maatregel gerechtvaardigd vindt ondanks dat er dingen zijn misgegaan en zijn blijven liggen bij de uitvoering van de maatregelen.

in de zaak met nummer 200.241.924/01
4.4 Het geschil in deze procedure betreft (naar het hof begrijpt:) de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] tot 2 april 2019 en de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tot 2 oktober 2018.

4.5

Ter zitting is namens de moeder het verzoek in hoger beroep ten aanzien van deze maatregelen aldus toegelicht dat zij primair vernietiging van de bestreden beschikking van 29 maart 2018 verzoekt, subsidiair dat met spoed gewerkt gaat worden aan terugkeer van de kinderen naar de moeder en meer subsidiair dat het hof met spoed (binnen een door het hof te bepalen termijn) een onderzoek zal gelasten naar het perspectief van de kinderen.

4.6

Het hof begrijpt dat de GI ook ten aanzien van dit verzoek van de moeder, hoewel een duidelijke conclusie ontbreekt, van mening is dat het dient te worden afgewezen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5
5. De motivering van de beslissing

5.1

De moeder stelt dat [de minderjarige2] en [de minderjarige1] weer bij haar thuisgeplaatst kunnen worden. Zij stelt dat zij in staat is om ze een veilige en stabiele opvoedingssituatie te bieden. Zij kent de kinderen ‘en hun gebruiksaanwijzingen’ en is van mening dat zij, zo nodig met hulp voor [de minderjarige1] , in staat is de verzorging en opvoeding op zich te nemen. Uit de verslagen uit 2013/2014 blijkt volgens de moeder ook niet dat er zorgen waren over de opvoedvaardigheden van de moeder en haar partner en/of de veiligheid van de kinderen bij haar thuis. Dat zij de kinderen in 2014 bij de vader heeft ondergebracht had te maken met haar gezondheidssituatie. De GI heeft vervolgens besloten dat de kinderen daar moesten blijven. Vanuit de zorgelijke opvoedingssituatie bij de vader zijn zij in 2016 uit huis geplaatst.

5.2

[de minderjarige2] heeft in het gesprek met de raadsheer-commissaris aangegeven weer bij de moeder te willen wonen.

5.3

Het hof stelt vast dat in deze zaak al in maart 2017 door Vitree Pleegzorg Flevoland (hierna: Vitree) is geadviseerd om, vanuit een voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] stabiele en rustige situatie, onderzoek te doen naar onder meer (de herkomst van) het seksueel grensoverschrijdend gedrag van [de minderjarige2] en duidelijkheid te krijgen over de vraag wat [de minderjarige2] en [de minderjarige1] nodig hebben van hun omgeving om zich positief te kunnen ontwikkelen. Daarna zou, door middel van een perspectiefonderzoek helder moeten worden waar [de minderjarige2] en [de minderjarige1] verder kunnen opgroeien. Ondanks aansporingen van de kinderrechter in de beschikking van 31 oktober 2017 alsook in de bestreden beschikking van 29 maart 2018, is gebleken dat, behoudens een onderzoek van [de minderjarige1] bij het Therapeutisch Centrum GGZ eind 2017/begin 2018, geen onderzoek naar en/of behandeling van de kinderen heeft plaatsgevonden en ook geen perspectiefonderzoek is gedaan. De GI heeft ter zitting opgemerkt dat de oorzaak daarvan voornamelijk in onderbezetting en personele wisselingen bij de GI moet worden gezocht. Zeer recent heeft de GI aangegeven dat [de minderjarige2] onderzocht zou moeten worden bij [H] en dat [de minderjarige1] , gezien de zorgelijke uitkomsten van voornoemd onderzoek door het Therapeutisch Centrum, klinisch geobserveerd zou moeten worden. Volgens de GI hebben de ouders daarvoor echter tot op heden geen toestemming willen geven. Dat laatste is door de moeder bestreden. Zij stelt dat de GI de kinderen heeft aangemeld, maar in het geheel niet in gesprek hierover is gegaan met de moeder.

5.4

Het hof acht voornoemde situatie zeer zorgelijk. Gebleken is dat er bijna twee jaar na de uithuisplaatsing vanuit de opvoedsituatie bij de vader geen enkel onderzoek is gedaan naar het perspectief van de kinderen. Inmiddels lijkt het zorgelijke gedrag van [de minderjarige1] alleen maar toe te nemen, waardoor de plaatsing in het pleeggezin onder druk staat. Hoewel [de minderjarige2] lijkt te profiteren van de structuur van het gezinshuis, wordt zij in haar ontwikkeling belemmerd vanwege haar grote loyaliteit naar de ouders en de onzekerheid over haar perspectief. [de minderjarige2] gaf aanvankelijk steeds aan dat zij weer bij de vader wilde wonen, maar nadat de vader te kennen had gegeven hier geen mogelijkheden toe te zien (en op dit moment zelfs het contact met [de minderjarige2] heeft stopgezet) uit zij de wens om bij de moeder te gaan wonen.

5.5

Het hof acht zich gezien het vorenstaande, en op grond van de thans beschikbare informatie, onvoldoende voorgelicht om ten aanzien van het verzoek van de moeder een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Onduidelijk is immers of de moeder over (on-) voldoende emotionele beschikbaarheid en opvoedingscapaciteiten beschikt om de kinderen
- in relatie tot de specifieke zorg die zij mogelijk nodig hebben - uiteindelijk zelf de opvoeding te geven die zij nodig hebben. Het hof acht het dan ook in het belang van de kinderen en gelet op de overige betrokken belangen, aangewezen dat onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar het perspectief van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] alvorens verder te beslissen.

5.6

Gelet op de gebleken onmacht bij de GI om in deze zaak voortvarend de regie te nemen bij het regisseren van een deskundig onderzoek naar het perspectief van deze kinderen, althans adequaat een "follow up" daaraan te geven, zal het hof het NIFP verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige, verbonden aan die organisatie, en verzoeken om onderzoek te laten verrichten en in dat kader advies uit te brengen over de volgende vragen:

1. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] worden

beschreven?

2. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?

- op basis van klinische impressies

- op basis van psychologisch testonderzoek

3. Zijn er (contra)-indicaties voor opvoeding en verzorging in de thuissituatie, gelet op
eventuele psychische en/of psychiatrische problematiek bij de moeder?

4. In hoeverre is terugplaatsing (op korte of lange termijn) in het belang van het kind/de
kinderen?

5. Is hulpverlening aangewezen voor kind(eren) en/of moeder of verzorger(s) om
terugplaatsing naar huis te verwezenlijken? Zo ja, welke?

6. Indien hulpverlening is aangewezen in welk juridisch kader dient dit plaats te vinden?

7. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn
gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de
ontwikkeling en opvoeding van het kind en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

5.7

Het hof zal het NIFP vragen om binnen een termijn van drie weken na dagtekening van deze beschikking een deskundige voor te stellen, eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek dat het hof voor ogen staat, en de kosten van het onderzoek te begroten. Indien voor toewijzen van het onderzoek meer of andere informatie nodig is dan uit deze beschikking blijkt, kan het NIFP het hof schriftelijk om nadere gegevens (uit het dossier) vragen alvorens een deskundige voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren. Indien het NIFP eerst nadere informatie nodig heeft, kunnen partijen kenbaar maken of en welke bezwaren bestaan tegen de verstrekking van de aanvullende gegevens die het NIFP nodig heeft.

5.8

Het bericht van het NIFP zal door het hof worden doorgezonden aan partijen. Zij kunnen daarop binnen veertien dagen laten weten of de door het hof voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven, wat hun zienswijze is ten aanzien van de eventuele aanvulling van het NIFP op dat punt en of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de deskundige die door het NIFP wordt voorgedragen en de kosten van het onderzoek.

5.9

Naar het oordeel van het hof brengt het belang van de kinderen onder de gegeven omstandigheden met zich dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste komen van 's Rijks kas. Om die reden is het hof voornemens aan partijen geen voorschot als bedoeld in artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op te leggen. Het aan de deskundige toekomende bedrag wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen in dit geval ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald.

5.10

Het hof zal bij de nader te nemen tussenbeschikking overgaan tot benoeming van een deskundige ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 5.6 geformuleerde, eventueel nog aan te passen, vragen.

5.11

Het hof wijst partijen er voorts op dat zij wettelijk verplicht is om mee te werken aan het onderzoek door een deskundige. Het hof gaat ervan uit dat ook de vader zijn welwillende medewerking zal verlenen aan het onderzoek. Wanneer de medewerking wordt geweigerd, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht.

5.12

Het hof ziet geen aanleiding vooruitlopend op de uitkomst van het onderzoek (voorlopige) verdere beslissingen te nemen.

6 De beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Noord-Oost Nederland, in de persoon van [I] ;

Postbus 870,

8000 AW Zwolle

Schuurmanstraat 2

8011 KP Zwolle

telefoon: [00000]

e-mail: NIFPNoordOostNederland@dji.minjus.nl

om een onafhankelijk deskundige voor te dragen voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.6 vermelde vragen;

verzoekt het NIFP het hof te berichten als bedoeld in rechtsoverweging 5.7 en wel uiterlijk op 6 september 2018;

bepaalt dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld om te reageren op de hiervoor bedoelde informatie van het NIFP als bedoeld in rechtsoverweging 5.8;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, voorzitter, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema en is op 16 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken.