Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7449

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
21-003462-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van openlijke geweldpleging tegen buurvrouw en een drietal forse overtredingen van de Wet wapens en munitie.

In eerste aanleg opgelegde geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden acht het hof in beginsel zonder meer gerechtvaardigd. Het hof komt niettemin tot oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en de wettelijk maximaal toegestane taakstraf van 240 uren vanwege het door verdachte betoonde inzicht in het strafwaardige van zijn handelen en de daarmee gepaard gaande gevaarzetting en gelet op zijn nagenoeg blanco strafblad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003462-17

Uitspraak d.d.: 20 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juni 2017 met parketnummer 18-246044-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde, bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. S. Urcun, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, in vereniging gepleegd, en ter zake van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging en een drietal overtredingen van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht. De benadeelde partij is in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 februari 2016, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat oogmerk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een schep en/of vuist in het gezicht heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 16 februari 2016 te [plaats] openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [straat] , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van die [slachtoffer] met een schep en/of vuist;

2.
hij op of omstreeks 16 februari 2016 te [plaats] een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;


3.
hij op of omstreeks 16 februari 2016 te [plaats] een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool (Walter PP), en/of munitie van categorie III, te weten 8 Centraalvuur kogelpatronen (Geco), voorhanden heeft gehad;


4:
hij op of omstreeks 16 februari 2016 te [plaats] voorhanden heeft gehad 120 randvuur kogelpatronen (CCI), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

Conform het oordeel van de rechtbank, het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, in vereniging gepleegd, jegens aangeefster [slachtoffer] , zoals onder 1 primair ten laste is gelegd.

Zo er al sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het intreden van het ten laste gelegde gevolg, heeft verdachte aan de in dat verband beoogde handeling niet deelgenomen en was er evenmin sprake op dat punt van een nauwe en bewust samenwerking met zijn

mededader.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 16 februari 2016 te [plaats] openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van die [slachtoffer] met een schep en/of vuist;

2.
hij op 16 februari 2016 te [plaats] een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

3.
hij op 6 februari 2016 te [plaats] een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool (Walter PP), en munitie van categorie III, te weten 8 Centraalvuur kogelpatronen (Geco), voorhanden heeft gehad;


4.
hij op 16 februari 2016 te [plaats] voorhanden heeft gehad 120 randvuur kogelpatronen (CCI), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt, tezamen met zijn levenspartner [medeverdachte] , aan openlijke geweldpleging jegens hun beider buurvrouw, aangeefster [slachtoffer] . Hoewel niet kan worden uitgesloten dat ook aangeefster een aandeel heeft gehad in het ontstaan en het escaleren van het burengeschil gaat het niet aan om daarop zo heftig te reageren als verdachte heeft gedaan. Door aangeefster op de openbare weg, tezamen met [medeverdachte] , meermalen te slaan, is haar lichamelijke integriteit geschonden, hetgeen ook - zo blijkt uit de toelichting van aangeefster op haar vordering als benadeelde partij - de nodige psychische gevolgen heeft gehad.

Voorts is gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een drietal overtredingen van de Wet wapens en munitie. Na het hiervoor bedoelde incident heeft verdachte, naar eigen zeggen bevreesd voor ontdekking door de politie van het in zijn schuur opgeborgen semi-automatisch en geladen pistool, een Walter PP, zich van dat vuurwapen ontdaan door het vanuit een rijdende auto in de bosjes te werpen. Dat het wapen niet door een toevallige passant, met alle risico’s van dien, is gevonden, maar op aanwijzing van een opmerkzame getuige door de politie, is niet aan enigerlei verantwoordelijkheidsgevoel van verdachte te danken. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij welbewust een vuurwapen heeft gekocht om, naar eigen zeggen 'stoer te doen', aan vrienden te laten zien en een gevoel van veiligheid te bewerkstelligen. De aanschaf en het bezit daarvan kunnen echter in zich schijnbaar daarvoor lenende situaties leiden tot een ondoordacht en levensbedreigend gebruik daarvan. Dat het ook overigens bij verdachte op dit punt aan verantwoordelijkheidsgevoel schort, althans ten minste heeft geschort, blijkt wel uit het feit dat daarop in zijn woning een stroomstootwapen en 120 randvuur kogelpatronen werden aangetroffen, waarvan het enkele voorhanden hebben niet zonder reden strafbaar is.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 juli 2018, waaruit blijkt dat hij niet eerder veroordeeld is voor enig strafbaar feit.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Gelet op met name de overtredingen van de Wet wapens en munitie is een dergelijke straf gebruikelijk en zonder meer gerechtvaardigd. Dat het hof niettemin tot een andere straftoemeting zal komen is gelegen in het feit dat verdachte het bewezen verklaarde ter terechtzitting zonder omwegen heeft erkend, dat hij inzicht heeft getoond in het strafwaardige van zijn handelen en de daarmee gepaard gaande gevaarzetting en, niet in de laatste plaats, dat hij - behoudens een strafbeschikking voor een andersoortig feit - een blanco strafblad heeft. Het hof neemt daarnaast in aanmerking dat hij voor wat betreft zijn wapenbezit blijk heeft gegeven van een weinig doordacht - doch zoals gezegd niet ongevaarlijk - soort amateurisme.

Alles afwegende zal het hof aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te melden duur. Voor de daaraan te verbinden proeftijd van drie jaren geldt de algemene voorwaarde dat verdachte zich gedurende die periode niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit van welke aard dan ook. Uit het oogpunt van vergelding zal aan verdachte daarnaast een taakstraf worden opgelegd van de wettelijk toegestane maximale duur.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] , wettelijk vertegenwoordigd door haar bewindvoerder [bewindvoerder] te [vestigingsplaats] , heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 502,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is door of namens verdachte niet betwist en komt het hof ook overigens niet als onrechtmatig voor. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 502,85 (vijfhonderdtwee euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 2,85 (twee euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 502,85 (vijfhonderdtwee euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 2,85 (twee euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 februari 2016.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. J.A.A.M. van Veen en mr. A. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 20 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.