Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7436

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
WAHV 200.189.200
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof houdt het ervoor dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, zodat de beschikking niet aan de betrokkene als kentekenhouder had mogen worden opgelegd.

De sanctiebeschikking wordt vernietigd. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat zijn beslissing om de bestuurder niet staande te houden, voortvloeide uit de wens van de verbalisant om een verderop gelegen afslag te nemen. Niet blijkt waarom hij deze afslag wilde nemen en waarom hij daaraan de prioriteit gaf boven het staande houden van de bestuurder van het voertuig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.189.200

17 augustus 2018

CJIB 182898638

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 29 maart 2016

betreffende

[betrokkene] ,

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 18 januari 2018 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De advocaat-generaal heeft nadere informatie overgelegd.

De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop schriftelijk een reactie gegeven.

Beoordeling

1. Bij tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd dient te worden en de advocaat-generaal verzocht om nadere informatie aan het hof te verstrekken met betrekking tot het verweer van de betrokkene dat hij niet is staande gehouden.

2. In het door de advocaat-generaal overgelegd proces-verbaal van bevindingen d.d.
4 januari 2018 verklaart de verbalisant het volgende:

"Ik verbalisant stelde vast dat de betreffende overtreding werd gepleegd.

Betreffende gedraging werd in 2014 nog vastgelegd op schrift en ingeleverd ter verwerking in het betreffende transactie systeem. Heden worden de boetes in het zogenaamde MEOS-systeem verwerkt en wordt de vraag gesteld waarom er geen staande houding plaats vond. Ik verbalisant heb dat destijds dus ook niet aan kunnen geven. Ik kan me echter betreffende overtreding en het door betrokkene ingediende bezwaarschrift nog herinneren.

Ik verbalisant zag dat betrokkene reed op rijstrook 1 van de betreffende autosnelweg met een hogere snelheid dan ik, verbalisant, reed op rijstrook 3, de meest rechts gelegen rijstrook.

Ik was op het moment van constatering niet in de mogelijkheid om de bestuurder te volgen en naast de reeds geconstateerde overtreding ook diens snelheid vast te stellen die ruim boven de toegestane snelheid voor die categorie van voertuigen was. De door deze bestuurder gereden snelheid lag tussen 100 en 120 kilometer per uur. Ik leidde dat af uit de door mij gereden snelheid. Ik was op dat moment voornemens een afslag te nemen op genoemde autosnelweg waarop mijn snelheid was aangepast.

Gezien de gevaarzetting van de snelheid in combinatie van de door de bestuurder gekozen rijstrook is door mij volstaan met het noteren van het kenteken."

3. De gemachtigde is van mening dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding was. De overtreding werd geconstateerd ter hoogte van hectometerpaal 65,3 en de eerstvolgende afslag bevond zich bij hectometerpaal 66,9. De verbalisant had op meer dan anderhalve kilometer voor de afrit de achtervolging kunnen inzetten op een voertuig dat naar de

inschatting van de verbalisant ver onder toegestane limiet van 130 km/u reed. Er was sprake van niet willen staandehouden in plaats van niet kunnen staandehouden. Het is onduidelijk hoe er sprake was van gevaarzetting. Niet is gebleken dat sprake was van een dienstopdracht die het noodzakelijk maakte af te zien van staandehouding.

4. Zoals het hof reeds in het tussenarrest heeft overwogen, kan op grond van artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) een sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd, wanneer is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is. Naar vaste rechtspraak van het hof brengt voormelde bepaling met zich dat een sanctie ingevolge de Wahv zo mogelijk aan de bestuurder moet worden opgelegd. Slechts wanneer zich geen reële mogelijkheid voordoet tot vaststelling van de identiteit van de bestuurder, kan de sanctie aan de kentekenhouder van het voertuig worden opgelegd.

5. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat zijn beslissing om de bestuurder niet staande te houden, voortvloeide uit de wens van de verbalisant om een verderop gelegen afslag te nemen. Uit deze verklaring blijkt niet waarom hij deze afslag wilde nemen en waarom hij daaraan de prioriteit gaf boven het staandehouden van de bestuurder van het voertuig. Bij die stand van zaken kan het hof niet vaststellen dat er zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan en houdt het hof het ervoor dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Dat brengt mee dat de sanctie niet aan de betrokkene als kentekenhouder had mogen worden opgelegd, zodat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. De overige argumenten van de gemachtigde van de betrokkene kunnen daarmee buiten bespreking blijven.

6. Het hof zal gelet op het voorgaande ook - met gegrondverklaring van het beroep daartegen- de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Tevens zal het hof bepalen dat het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.

7. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een administratief beroepschrift, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een als nadere toelichting te duiden reactie op de door de advocaat-generaal verstrekte informatie. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend, aan het indienen van de nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2018 € 501,-.

Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 876,75 (= 3,5 x € 501,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 182898638 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 876,75 over te maken op rekeningnummer: [00000] ten name van [D] .

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.