Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:735

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
200.186.443/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over advocatendeclaraties; tekortkoming van advocaat die tot ontbinding van de overeenkomst van opdracht zou moeten leiden onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.186.443/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3323975 MC EXPL 14-9712)

arrest van 23 januari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.J.T. van Stiphout, kantoorhoudend te Helmond,

tegen

de maatschap De Moel en Leenders Advocaten,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: De Moel en Leenders,

advocaat: mr. R.S. Ariëns, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 18 oktober 2016 en tussenarrest van 25 juli 2017 hier over.

1.2

Ingevolge het genoemde tussenarrest heeft op 19 december 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. [appellant] heeft ter comparitie een akte houdende overlegging producties genomen die aan de processtukken is toegevoegd.

1.3

Daarna heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald op het voor de comparitie overgelegde procesdossier, aangevuld met de akte houdende overlegging producties van [appellant] en het proces-verbaal van de comparitie.

2 De feiten

2.1

Het hof neemt de feiten over die door de kantonrechter in het bestreden vonnis van
7 oktober 2015 in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 zijn vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht of is anderszins van bezwaren is gebleken. Aangevuld met enige in hoger beroep gebleken feiten gaat het om het volgende.

2.2

[appellant] is eigenaar geweest van een woning te [A] . In verband met geldleningen die hij bij de ABN AMRO Bank (hierna: de bank) had afgesloten zijn hypotheken op die woning gevestigd.

2.3

In verband met een geschil met de bank heeft [appellant] zich gewend tot De Moel en Leenders. Mr. F.P.G.F. de Moel (hierna: mr. De Moel) heeft als advocaat werkzaamheden voor [appellant] verricht.

2.4

Bij brief van 24 oktober 2012 heeft mr. De Moel de opdracht vastgelegd. Die brief is door [appellant] voor akkoord ondertekend. In deze brief schrijft mr. De Moel onder meer:

" Met verwijzing naar het overleg dat ik op 23 oktober jongstleden met u heb gevoerd,

bevestig ik u hierbij uw opdracht aan mij om de heer [appellant] als advocaat juridisch

bij te staan inzake zijn geschil met de ABN AMRO bank omtrent de wel of niet betaalde

premies van de hypothecaire geldlening betreffende de woning aan de [a-straat] 25.

Tevens zal ik met een aantal crediteuren van de [appellant] een betalingsregeling treffen ter

voorkoming van verdere executie van hun vorderingen.

Ter zake de door mij te verrichten werkzaamheden betreffende de uitvoering van deze

opdracht breng ik u een gereduceerd uurtarief in rekening van € 135,00, exclusief belaste en

onbelaste verschotten, omzetbelasting en 7% kantoorkosten (zijnde de gebruikelijke porti,-telefoon-,telefax-, fotokopiekosten, dossieronline en administratiekosten) (...)

In deze kwestie wordt de heer [appellant] op dit moment ook, op basis van een toevoeging,

bijgestaan door Mr. J.W. de Rijk te Helmond. U heeft aangegeven in deze kwestie verder

door mij bijgestaan te willen worden. Ik heb aangegeven dat ik niet bereid ben om de aan

Mr. De Rijk verleende toevoeging over te nemen (...)

Zoals u op de website heeft kunnen lezen, maakt ons kantoor gebruik van een digitaal

dossiersysteem (het dossier online). (...) Aan deze dienst zijn geen extra kosten verbonden. ".

2.5

Mr. De Moel schrijft in een e-mail van 30 oktober 2012 aan [appellant] onder meer:

"In de eerste plaats is het van belang om te weten dat de openbare verkoop op 7 november aanstaande is opgeschort. Blijkens de brief van de notaris is er een onderhands bod gedaan op de woning van [appellant] en zal vandaag namens de ABN AMRO een verzoekschrift ingediend worden bij de rechtbank om dit aanbod te aanvaarden. Tot deze mondelinge behandeling, wat enkele weken kan duren, hebben wij de tijd om alsnog tot een regeling te komen met de ABN AMRO."

2.6

Op 14 november 2012 schrijft de eerder door [appellant] ingeschakelde advocaat mr. De Rijk aan [appellant] onder meer:
"In vervolg op de correspondentie d.d. 3 oktober 2012 per e-mail bericht aan u toegezonden heb ik nog enkele malen telefonisch overleg met u/uw nicht (hof: mevrouw [B] ) gevoerd inhoudende, dat het in deze niet de ABN AMRO Bank N.V. is geweest, die zelf de executieveiling heeft opgestart, doch dat andere crediteuren zogenoemd executoriaal beslag op uw woning hebben gelegd en op grond daarvan de ABN AMRO Bank N. V. als hypotheekhouder, gebruik heeft gemaakt van haar recht in deze om de door de andere crediteuren opgestarte executie van hen over te nemen.

Het vorenstaande houdt dus in dat, behoudens de mogelijkheid dat de betreffende

crediteuren integraal voor de executieveiling hadden kunnen worden voldaan, voor het

overige de ABN AMRO Bank N. V. gebruik maakt van haar rechten om de betreffende door

anderen aangezegde executieveiling over te nemen.

Een executiegeschil inhoudende een stopzetting van de executieveiling door de ABN AMRO

Bank N. V. in deze op de hiervoor weergegeven wijze overgenomen, heeft dan ook geen zin,

en is dan ook niet ingesteld, zoals ook aan u is medegedeeld - en is besproken.

Overigens ben ik onlangs nog door een andere advocaat benaderd, Mr. De Moel, gevestigd

te Eindhoven, tot wie u zich voor een second opinion had gewend en die tot eenzelfde

oordeel in deze is gekomen.".

2.7

Op 15 november 2012 schrijft mr. De Moel in een e-mail aan [appellant] en zijn nicht onder meer:

"Zoals besproken kan ik namens [appellant] vandaag verweer voeren tegen de onderhandse

verkoop van zijn woning. De enige haalbare grond is echter dat [appellant] zijn

betalingsachterstand voldoet, inclusief alle kosten. (...) Wanneer deze betaling niet mogelijk

is, acht ik de kans van slagen van verweer zeer miniem.".

2.8

Op 28 november 2012 schrijft mr. De Moel in een e-mail aan [appellant] en zijn nicht onder meer:

''Eerst het slechte nieuws, de toevoeging voor het verzoekschriftenprocedure is afgewezen. Dit omdat volgens de Raad aan Mr. de Rijk al een toevoeging hiervoor is verleend. Ik heb

inmiddels al schriftelijk bezwaar gemaakt, maar het is niet zeker of alsnog een toevoeging

wordt verleend. Dit zou dan betekenen dat ik alsnog mijn kosten op basis van het

overeengekomen uurtarief in rekening dien te brengen."

2.9

Mr. De Moel heeft namens [appellant] bij brief van 16 november 2012 verweer gevoerd tegen het verzoek van de bank om de woning onderhands te mogen verkopen. Het verzoek van de bank is door de rechtbank toegewezen en de woning is verkocht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De Moel en Leenders heeft in eerste aanleg, na vermindering van eis, gevorderd om [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.505,82, vermeerderd met buitengerechtelijke proceskosten en wettelijke rente, met vordering tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Het gaat daarbij om nog niet volledig door [appellant] betaalde declaraties voor verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten.

3.2

[appellant] heeft een incident opgeworpen dat ertoe strekte dat de kantonrechter zich onbevoegd zou verklaren. Bij vonnis van 28 januari 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] in het incident afgewezen.

3.3

[appellant] heeft vervolgens verweer gevoerd tegen de vorderingen van De Moel en Leenders. In reconventie heeft hij een vordering ingesteld die er toe strekt dat voor recht wordt verklaard dat De Moel en Leenders toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op mr. De Moel rustende verbintenissen en dat de zaak zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure, met veroordeling van De Moel en Leenders in de kosten van de procedure.

3.4

Bij vonnis van 7 oktober 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van De Moel en Leenders in zoverre toegewezen dat [appellant] is veroordeeld tot betaling aan De Moel en Leenders van een bedrag van € 1.290,61, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de respectieve facturen, met inachtneming van hetgeen de kantonrechter in overweging 4.14 van dat vonnis heeft overwogen en na aftrek van € 25,-. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten is afgewezen. [appellant] is in de proceskosten van De Moel en Leenders veroordeeld. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van De Moel en Leenders. [appellant] is verder veroordeeld eventuele nakosten aan De Moel en Leenders te betalen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] heeft bij memorie van grieven zijn oorspronkelijke vordering in reconventie vermeerderd, aldus dat thans ook (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst van opdracht wordt gevorderd en een veroordeling van De Moel en Leenders tot terugbetaling van al hetgeen door haar van [appellant] is ontvangen in deze zaak. Tegen deze eiswijziging als zodanig heeft De Moel en Leenders geen bezwaar gemaakt. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde, zodat het hof zal oordelen over deze vermeerderde eis.

4.2

[appellant] heeft tegen het vonnis in het incident van 25 januari 2015 twee grieven opgeworpen.

4.3

In grief I stelt [appellant] aan de orde dat op grond van de destijds toepasselijke artikelen 32 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken de kantonrechter zich onbevoegd had moeten verklaren om van de vorderingen van De Moel en Leenders kennis te nemen. Volgens [appellant] had het geschil moeten worden beslecht door de Raad van Toezicht (naar het hof begrijpt: van de Orde van Advocaten in het arrondissement van de plaats van vestiging van De Moel en Leenders). De grief faalt bij gebrek aan belang, omdat de door [appellant] bedoelde begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht niet meer bestaat en dus niet (alsnog) gevoerd kan worden. Daar komt bij dat het geschil tussen partijen als gevolg van de vordering van [appellant] in reconventie niet een zuiver begrotingsgeschil is, maar ook de vraag betreft of de overeenkomst van opdracht ontbonden zou moeten worden wegens een tekortkoming van De Moel en Leenders. Tot een oordeel over dat aspect was de Raad van Toezicht niet bevoegd. Grief I faalt daarom.

4.4

Grief II gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest van de Hoge Raad van

15 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:662) dat is aangehaald ter ondersteuning van het betoog van [appellant] dat het vonnis in het incident van 24 januari 2015 en het vonnis van

7 oktober 2015 door dezelfde rechter gewezen hadden moeten worden, althans dat partijen zich over deze rechterswisseling hadden moeten kunnen uitlaten. De in het genoemde arrest beschreven situatie - dat zich tussen een mondelinge behandeling en de daarop volgende beslissing een rechterswisseling voordoet - heeft zich in het onderhavige geval niet voorgedaan, terwijl er ook anderszins geen rechtsregel bestaat die tot het door [appellant] gestelde verplicht. De grief is vergeefs voorgesteld.

4.5

Tegen het vonnis van 7 oktober 2015 heeft [appellant] de grieven III tot en met XIV aangevoerd.

4.6

Grief III houdt in dat De Moel en Leenders in strijd heeft gehandeld met artikel

21 Rv. althans haar substantiëringsplicht, door in de inleidende dagvaarding enkel de openstaande declaratie(nummers) te noemen en niet de gehele declaratiegeschiedenis. De kantonrechter heeft op goede gronden in rechtsoverweging 4.1 overwogen en geoordeeld - het hof neemt dat over – dat De Moel en Leenders hiermee geen substantiëringsverplichting hebben geschonden. Ook van schending van artikel 21 Rv. is op de door [appellant] aangevoerde gronden naar het oordeel van het hof geen sprake. De Moel en Leenders baseert haar vordering op de openstaande facturen. Deze zijn bij inleidende dagvaarding overlegd en gespecificeerd. Er bestond geen noodzaak ook melding te maken van overige – reeds betaalde – facturen. Pas naar aanleiding van het verweer van [appellant] bestond daartoe aanleiding. De Moel en Leenders heeft bij conclusie van repliek naar aanleiding van dat verweer een uitgebreide schets van de declaratiehistorie gegeven, zodat in zoverre reeds in eerste aanleg aan de bezwaren van [appellant] tegemoet is gekomen en hem de gelegenheid is geboden om zijn verweer daarop af te stemmen. De grief faalt.

4.7

Grief IV strekt er toe te betogen dat mr. De Moel - door in de periode van

23 oktober 2012 tot 9 november 2012 ruim 7 uren aan studie en in de periode van

12 november 2012 tot en met 29 november 2012 meer dan 3 uren studie aan [appellant] in rekening te brengen - onzorgvuldig heeft gehandeld en excessief heeft gedeclareerd. Het hof volgt [appellant] daarin niet. De Moel en Leenders heeft gesteld dat mr. De Moel een uitvoerig dossier – bestaande uit 3 ordners – van [appellant] heeft gekregen, waarin vele stukken zijn opgenomen met betrekking tot diverse vorderingen, een aanzienlijke hoeveelheid correspondentie tussen [appellant] en de bank en eerdere advocaten en meerdere overzichten van betalingen. Het vergde volgens De Moel en Leenders veel tijd om daarin de weg te vinden en de informatie te bestuderen. [appellant] heeft deze stellingen van De Moel en Leenders onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft nagelaten te onderbouwen op grond van welke feiten en omstandigheden de omvang van de in rekening gebrachte uren desondanks een tekortkoming opleveren en waarom de in rekening gebrachte uren excessief zijn. Het feit dat de uren in het beginstadium (kort na de totstandkoming van de overeenkomst van opdracht) zijn besteed, zoals in nummer 4.6 van de memorie van grieven wordt gesteld, is niet een zodanige onderbouwing. Die stelling is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De grief faalt in zoverre.

4.8

Grief V is gericht tegen rechtsoverweging 4.9 van het vonnis van 7 oktober 2015, waarin de kantonrechter heeft overwogen dat het verweer van [appellant] dat mr. De Moel teveel tijd in rekening zou hebben gebracht voor de brief van 16 november 2012 (hiervoor genoemd in rechtsoverweging 2.9), niet opgaat. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat de tijd die in rekening is gebracht voor het opstellen van de uitvoerige en van bijlagen voorziene brief, niet excessief is, mede in aanmerking genomen het feit dat mr. De Moel daarvoor het omvangrijke dossier opnieuw heeft moeten doornemen. In hoger beroep heeft [appellant] op dit punt verder niets aangevoerd wat tot een ander oordeel zou kunnen leiden. In zoverre faalt de grief.

4.9

Voor zover in het kader van de grieven IV en V wordt betoogd dat de bestede uren zinloos waren omdat deze zijn gemaakt ten behoeve van de verkeerde procedure en dat (dus) sprake is van een tekortkoming van mr. De Moel, verwijst het hof naar wat met betrekking tot de grieven IX tot en met XIV over die tekortkoming zal worden geoordeeld. In zoverre delen de grieven IV en V het lot van die grieven.

4.10

De grieven VI tot en met VIII betreffen de vraag of De Moel en Leenders onredelijke en onnodige kosten hebben gemaakt door de tijd die was gemoeid met het aanvragen van een – geweigerde – toevoeging aan [appellant] in rekening te brengen. Deze vraag is door de kantonrechter in rechtsoverweging 4.10 van het vonnis van 7 oktober 2015 ontkennend beantwoord,

4.11

Ter comparitie in hoger beroep heeft mr. De Moel nader toegelicht dat het aanvragen van de toevoeging geen betrekking had op dezelfde werkzaamheden als waarvoor aan mr. De Rijk, de vorige advocaat van [appellant] , al een toevoeging was verleend, maar op een mogelijke andere (bodem)procedure tegen de bank. Die toelichting is door [appellant] niet betwist, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Dat betekent dat grief VI en grief VIII reeds daarom falen, omdat die grieven alleen zijn gebaseerd op de feitelijke stelling dat (nodeloze) uren in rekening zijn gebracht voor het aanvragen van een toevoeging die al eerder aan mr. De Rijk was verstrekt. Bij grief VII heeft [appellant] geen belang: de gewraakte overweging van de kantonrechter - dat [appellant] rijkelijk laat geklaagd zou hebben – is niet dragend voor de beslissing en kan, hoe dan ook, als zodanig niet tot een ander dictum leiden.

4.12

Grief IX bouwt voort op de grieven VI tot en met VIII en mondt uit in de conclusie dat door het voeren van een ondeugdelijke administratie, althans door te veel uren in rekening te brengen, sprake is van een tekortkoming aan de zijde van De Moel en Leenders in de uitvoering van de overeenkomst van opdracht. Die stelling van [appellant] treft geen doel: De Moel en Leenders heeft, zoals eerder overwogen, niet te veel uren in rekening gebracht en waarom sprake is van een, een tekortkoming opleverende, ondeugdelijke administratie is door [appellant] niet onderbouwd.

4.13

De grieven XI tot en met XIV hebben, gezien de toelichting daarop, tot onderwerp en inzet de ontbinding van de overeenkomst van partijen wegens een tekortkoming van mr. De Moel. Het hof zal deze grieven met de grieven IV en V (voor het overige) gezamenlijk beoordelen. Grief XII heeft in dat kader slechts tot doel onder de aandacht te brengen dat de kantonrechter volgens [appellant] ten onrechte geen acht heeft geslagen op producties die [appellant] in het geding heeft gebracht bij zijn laatste akte in eerste aanleg. Nu [appellant] in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad en benut om diverse producties in het geding te brengen, heeft hij bij deze grief geen belang, wat er ook zij van zijn verwijt aan de kantonrechter.

4.14

In de kern genomen komt de stelling van [appellant] erop neer dat mr. De Moel werkzaamheden in de verkeerde procedure heeft verricht, omdat hij, in plaats van verweer te voeren tegen het verzoek van de bank (op grond van artikel 3: 268 BW) om de woning van [appellant] onderhands te mogen verkopen, een executiegeschil tegen de bank had moeten beginnen. Aldus heeft mr. De Moel een beroepsfout gemaakt en niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat had mogen worden verwacht. Die tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de overeenkomst van opdracht, aldus [appellant] .

4.15

Het hof stelt voorop dat het aan [appellant] is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit de door hem gestelde beroepsfout kan volgen. Zijn redenering is, zo begrijpt het hof, aldus dat: i) er geen achterstand was in de hypotheekbetalingen aan de bank, ii) er betalingsregelingen waren getroffen met andere schuldeisers en iii) daarom de executie van de woning door de bank met een verbod in kort geding in het najaar van 2012 had kunnen worden voorkomen.

4.16

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij geen achterstand had in zijn betalingsverplichtingen jegens de bank, maar een “overstand” heeft [appellant] gewezen op een als productie 7 bij memorie van grieven overgelegd overzicht van afschrijvingen van zijn bankrekening bij de ING Bank. Uit dat overzicht als zodanig blijkt echter niet dat omstreeks oktober/november 2012 sprake was van de door hem gestelde overstand. Dat blijkt evenmin uit de brief van de bank van 1 juli 2011 die [appellant] als productie 8 bij memorie van grieven in het geding heeft gebracht.
In de door [appellant] overgelegde brief die de bank in het kader van een klacht van [appellant] over de bank op 29 april 2015 aan het Kifid heeft gezonden (productie D bij akte houdende overlegging producties in hoger beroep) heeft de bank een overzicht gegeven van de gang van zaken en het verloop in de diverse hypotheekdossiers, met daarbij een overzicht van de betalingen in de periode van 1 januari 2007 tot 21 april 2015 en een uitleg over mutaties in één van de betreffende hypotheekdossiers. Ook die brief biedt ook geen steun aan de stellingen van [appellant] , nu daaruit juist blijkt dat er structureel sprake was van betalingsachterstanden. Het had op de weg van [appellant] gelegen om aan de hand van een historisch overzicht, onderbouwd met verifieerbare stukken, duidelijk te maken wat het verloop van zijn schuld aan de bank volgens hem was en waaruit zou blijken dat er in oktober/november 2012 sprake was van de door hem gestelde overstand. Een dergelijke toelichting heeft [appellant] echter niet gegeven terwijl hij, naar moet worden aangenomen, na het arrest van dit hof in het incident de beschikking heeft gekregen over het volledige dossier met daarin de volgens hem benodigde informatie. [appellant] heeft zijn stellingen aldus niet deugdelijk onderbouwd en niet aan zijn stelplicht voldaan. Dat staat aan bewijslevering op dit punt door [appellant] in de weg, waardoor de stelling van [appellant] dat er betalingsregelingen waren getroffen met andere crediteuren ook geen nader onderzoek meer behoeft. De grieven IV en V (voor het overige) en XI tot en met XIV stuiten af op dat oordeel.

4.17

Rest nog grief X: die grief heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de andere grieven.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen. Het hof zal daarom de vonnissen waarvan beroep bekrachtigen. Het hof zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten worden aan de zijde van De Moel en Leenders vastgesteld op € 1.788,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten, tarief II) en op € 718,- voor verschotten (griffierecht). De uitkomst van deze zaak rechtvaardigt tevens dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het incident, dat heeft geleid tot het arrest van 18 oktober 2016. Het hof stelt die kosten aan de zijde van De Moel en Leenders vast op € 894,- (1 punt, tarief II) voor salaris van de advocaat. Ook zal [appellant] worden veroordeeld in de gevorderde nakosten.

6. Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

- bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter te Midden-Nederland, locatie Almere, van 25 januari 2015 en 7 oktober 2015;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Moel en Leenders, in de hoofdzaak vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en in het incident op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

- veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

- verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde (proces)kostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. D.J. Keur en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

23 januari 2018.