Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7342

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
200.176.188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering uit ouderlijke boedelverdeling. Verjaring? Gezag van gewijsde. Zuivere aanvaarding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/350
NJF 2018/578
RFR 2019/7
ERF-Updates.nl 2018-0167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.176.188

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 365623)

arrest van 14 augustus 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: ‘ [appellant] ’,

advocaat: mr. G. de Gelder,

tegen:

[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: ‘ [geïntimeerde] ’,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 november 2015 hier over. In dit arrest is een comparitie gelast die op eenstemmig verzoek van partijen niet is gehouden.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- memorie van grieven, tevens akte vermeerdering van eis (met één productie);

- memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met vier producties);

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het (bestreden) vonnis van 11 februari 2015. Deze feiten zijn hierna voor de leesbaarheid van dit arrest nogmaals opgenomen.

2.2

Partijen zijn broer en zus. De ouders van partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd. De vader van partijen (verder: de erflater) is overleden op [datum] met achterlating van zijn echtgenote (de moeder van partijen, verder: de erflaatster), partijen zelf en wijlen hun broer. Erflater heeft in zijn testament een ouderlijke boedelverdeling gemaakt op voet van artikel 4:1167 BW (oud). In een notariële akte van 8 november 1978 hebben zijn erfgenamen de vorderingen van de kinderen op erflaatster uit hoofde van deze ouderlijke boedelverdeling bepaald op ƒ 34.054,44 en “voorts (…) terzake van de vorderingen wegens overbedeling (…) bepaald dat deze een rente zullen dragen gelijk aan het promessen-disconto van de Nederlandsche Bank N.V., met dien verstande dat de rente ieder jaar op de eerste januari moet worden aangepast, en dat de vorderingen met de daarover verschuldigde rente eerst opeisbaar zullen worden bij het overlijden van de debitrice alsmede bij haar hertrouwen.”

2.3

De kantonrechter te Amsterdam heeft in zijn beschikking van 13 oktober 2004 alle goederen die (zullen) toebehoren aan erflaatster onder bewind gesteld en [appellant] en [zoon geïntimeerde] , een zoon van [geïntimeerde] en een kleinzoon van erflaatster, tot bewindvoerders benoemd.

2.4

Erflaatster is overleden op [datum]. Zij heeft in haar testament van 18 december 2002 [appellant] tot haar enige erfgenaam benoemd en in een slotbepaling verklaard:

SLOTBEPALING

F. Ter inlichting van mijn erfgenamen laat ik weten dat ik aan twee van mijn kinderen een voorschot op de erfenis heb betaald dat in mindering moet worden gebracht op het mogelijke erfdeel:

in het geval van mijn dochter [geïntimeerde] is dit tweehonderd en vierduizend tweehonderd en één euro en negen eurocent (€ 204.201,09);

in het geval van mijn zoon [naam zoon] is dit vijfentachtigduizend eenenvijftig euro en vierenzeventig eurocent (€ 85.051,74).”

2.5

Erflaatster heeft in haar testament van 17 augustus 2005 onder uitdrukkelijke instandhouding van haar testament van 18 december 2002 een executeur benoemd.

2.6

[appellant] heeft op 7 februari 2006 verklaard de nalatenschap van erflaatster beneficiair te aanvaarden. Op verzoek van [appellant] heeft de rechtbank Amsterdam een vereffenaar benoemd. Achtereenvolgens zijn tot vereffenaar benoemd mr. J. Luykx (beschikking 13 maart 2008), mr. H.J.Th.G. Tomlow (beschikking 18 februari 2010) en mr. R.H. Meppelink, notaris werkzaam bij Loyens & Loeff N.V. (beschikking 9 december 2010).

2.6

De rechtbank Amsterdam heeft het loon van de vereffenaar in haar beschikking van 6 januari 2012 vastgesteld op € 14.750,- exclusief omzetbelasting. De vereffenaar heeft op 6 april 2012 de rekening en verantwoording en de uitdelingslijst ter griffie van de rechtbank Amsterdam neergelegd. Zowel [appellant] als [geïntimeerde] zijn bij de rechtbank Amsterdam tijdig in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst. In de uitdelingslijst zijn onder meer de erfdelen in de nalatenschap van erflater opgenomen voor een bedrag van € 40.639,- inclusief rente. [appellant] heeft zich verzet tegen het opnemen van deze schulden aan [geïntimeerde] en aan wijlen zijn broer, omdat die schulden al zouden zijn betaald via de voorschotten die in het testament van erflaatster zijn genoemd. De rechtbank heeft in haar beschikking op het verzet van 13 december 2012 geoordeeld dat de vereffenaar deze schulden terecht in de uitdelingslijst heeft opgenomen en dat het verzet daartegen ongegrond is, nu [geïntimeerde] en wijlen haar broer betwisten de voorschotten te hebben ontvangen en er geen bewijs is voor de betaling van de voorschotten. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel ingesteld.

2.7

De rechtbank Amsterdam (kanton) heeft op 3 juni 2013 vonnis gewezen tussen Loyens & Loeff N.V. als eiseres en [appellant] als gedaagde. Zij heeft daarin geoordeeld dat [appellant] de nalatenschap van erflaatster op 27 januari 2006 zuiver heeft aanvaard, omdat hij op die dag een bedrag van € 1.250,- heeft opgenomen van haar bankrekening en een bedrag van € 6.000,- heeft overgeboekt van de bankrekening van erflaatster naar zijn eigen bankrekening. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan Loyens & Loeff N.V. van een bedrag van

€ 20.747,18 (loon vereffenaar inclusief omzetbelasting en rente). Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.8

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank

[appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeelt primair aan haar € 90.255,04 te voldoen en subsidiair van € 43.583,28, te vermeerderen met het promessedisconto vanaf 1 september 2013 tot aan de dag van algehele voldoening, aan haar de gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoedt en hem veroordeelt in de proceskosten.

2.9

[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeelt aan hem € 163.571,09 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2006 en haar veroordeelt in de proceskosten.

2.10

De rechtbank heeft in haar vonnis van 11 februari 2015, zoals aangevuld bij vonnis van 24 juni 2015, [appellant] in conventie - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld aan [geïntimeerde]

€ 40.639,- te betalen en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft in reconventie het gevorderde afgewezen en de proceskosten in conventie en reconventie gecompenseerd. [appellant] heeft aan dit vonnis voldaan.

3 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

[appellant] komt met vijf grieven in het principaal hoger beroep op tegen het vonnis van 11 februari 2015 en vordert dat het hof [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen aan hem € 40.731,28 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2015 tot aan de dag van algehele voldoening, althans tot terugbetaling aan hem van een bedrag dat het hof juist acht. [geïntimeerde] voert verweer.

3.2

[geïntimeerde] komt in het incidenteel hoger beroep met twee grieven op tegen het bestreden vonnis en vordert dat het hof [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen tot betaling van wettelijke rente over haar vordering van € 40.639,- over de periode 4 november 2013 tot aan 30 juli 2015 (een bedrag van € 5.971,86), althans een bedrag dat het hof juist acht en [appellant] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. [appellant] voert verweer.

principaal hoger beroep

3.3

In deze zaak gaat het om de vraag of [appellant] gehouden is ten laste van zijn eigen vermogen de schuld aan [geïntimeerde] inzake haar erfdeel in de nalatenschap van haar vader te betalen (verder ook: de vordering of de schuld). Daarvoor is van belang of [appellant] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard (grief 1), of erflaatster de schuld al tijdens leven heeft voldaan (grieven 2 en 3), of de rechtsvordering tot voldoening van de schuld is verjaard (grief 4) en of - zoals [appellant] dat verwoordt - toewijzing van de vordering in strijd is met de beginselen van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW en 6:248 BW (grief 5).

grief 4: verjaring?

3.4

Met grief 4 betoogt [appellant] dat de rechtsvordering van [geïntimeerde] tot voldoening van de schuld is verjaard. Deze grief faalt. Anders dan [appellant] meent is de schuld wegens overbedeling van erflaatster aan [geïntimeerde] geen verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 3:307 BW, maar is deze schuld ontstaan door en ten gevolge van de verdeling die de erflater bij uiterste wilsbeschikking in zijn testament op voet van artikel 4:1167 BW (oud) heeft gemaakt tussen zijn echtgenote en zijn kinderen. De schuld wegens overbedeling vindt aldus zijn grond in een eenzijdige rechtshandeling van de erflater en niet in een overeenkomst van de erfgenamen. Dat deze ouderlijke boedelverdeling hetzelfde rechtsgevolg heeft als een door de erfgenamen zelf tot stand gebrachte verdeling, betekent nog niet dat die verdeling zijn grond vindt in een overeenkomst van de erfgenamen. Nu de wet niet anders bepaalt, verjaart de rechtsvordering van [geïntimeerde] tot voldoening van de schuld door verloop van twintig jaren (artikel 3:306 BW) en is de termijn van verjaring begonnen met de aanvang van de dag volgend op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd (artikel 3:313 BW). De termijn voor de verjaring is aldus begonnen op de dag na het overlijden van erflaatster, te weten 28 januari 2006 en is nog niet verlopen. Steun voor dit oordeel is te vinden in de parlementaire geschiedenis ten aanzien van artikel 3:306 BW, waarin is te lezen dat de twintigjarige termijn van artikel 3:306 BW van toepassing is op bijvoorbeeld rechtsvorderingen tot levering van het toegedeelde na de verdeling van een gemeenschap (Parl. Gesch. Inv. P. 1409).

grief 1: zuivere aanvaarding?

3.5

Grief 1 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op het gezag van gewijsde van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam op 3 juni 2013 heeft gewezen tussen Loyens & Loeff N.V. en [appellant] (zie onderdeel 2.7) en dat de rechtbank moet uitgaan van het oordeel in dat vonnis van 3 juni 2013 dat [appellant] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard en dat de aard van dat oordeel meebrengt dat ook derden die bij de procedure geen partij waren, zoals [geïntimeerde] , zich daarop kunnen beroepen.

3.6

De grief slaagt. Ingevolge artikel 236 Rv geldt gezag van gewijsde slechts tussen partijen of hun rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel. [geïntimeerde] was geen partij of rechtverkrijgende van een partij in het geding dat heeft geleid tot het vonnis van 3 juni 2013. Anders dan [geïntimeerde] meent is dit vonnis geen constitutief vonnis met derdenwerking, maar een zogeheten condemnatoir vonnis waarbij [appellant] is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan Loyens & Loeff N.V. Dat in dat vonnis is overwogen dat [appellant] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard maakt dit vonnis niet tot een constitutief vonnis met werking jegens allen. Hooguit zou aan de uitspraak van 3 juni 2013, waarin grotendeels dezelfde feitenconstellatie voorkomt, een vermoeden kunnen worden ontleend dat [appellant] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard, maar dat is iets anders dan gezag van gewijsde en doet niet af aan de mogelijkheid van [appellant] in deze procedure verweer te voeren tegen de stelling dat hij de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard (HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 inzake World Online, r.o. 4.8.2).

3.7

Doordat de grief slaagt dient het hof te beoordelen of [appellant] , zoals [geïntimeerde] stelt, de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard.

3.8

[geïntimeerde] legt aan haar stelling dat [appellant] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard (onder meer) ten grondslag dat hij op 30 januari 2006 (in de periode tussen het overlijden van erflaatster en het afleggen van de verklaring van beneficiaire aanvaarding) een bedrag van € 6.000,- heeft overgeboekt van de bankrekening van erflaatster onder nummer [rekeningnummer] naar zijn eigen bankrekening. Deze overboeking staat vermeld op het rekeningafschrift van de bankrekening van erflaatster (productie 12 van [appellant] in eerste aanleg). De omschrijving bij deze overboeking luidt: “ ivm aflossing”. [appellant] betwist niet dat deze overboeking is geschied, maar voert aan dat niet hijzelf maar de medebewindvoerder, zijn neef [zoon geïntimeerde] , deze overboeking heeft gedaan. [appellant] verwijst naar een schriftelijke verklaring van [zoon geïntimeerde] van 14 mei 2014 (productie 11 van [appellant] in eerste aanleg), waarin staat: “Hierbij verklaar ik dat ik de Rabo rekening van mijn grootmoeder met nummer [rekeningnummer] ten name van [ouder] vanaf 27-06-2006 heb beheerd. Alle betalingen na dato zijn door mij gedaan. Het bedrag van €6.000,- was bedoeld voor eerste betalingen van de begrafenis, notaris en eventuele andere schulden.(…)”

3.9

Het hof is van oordeel dat, ook als de lezing van [appellant] ten aanzien van deze overboeking wordt gevolgd en [zoon geïntimeerde] - anders dan in zijn verklaring staat - de overboeking op 30 januari 2006 heeft gedaan, [appellant] zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam heeft gedragen in de zin van artikel 4:192 lid 1 BW, zoals die bepaling luidde in 2006. [appellant] heeft immers als erfgenaam gelden van de nalatenschap ontvangen en deze onder zich gehouden. Hij heeft daarmee als heer en meester over goederen van de nalatenschap beschikt en zich aldus gedragen als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam. Grief 2 faalt.

grieven 2 en 3: is de schuld al door erflaatster betaald?

3.10

[appellant] stelt dat erflaatster de schuld al tijdens haar leven heeft voldaan. Erflaatster heeft in november 1993 grote sommen geld overgemaakt naar de rekening van [geïntimeerde] . Hij verwijst daarvoor naar het testament van erflaatster van 18 december 2002 waarin zij heeft verklaard dat zij aan [geïntimeerde] en wijlen de broer van partijen een voorschot op de erfenis heeft betaald dat in mindering moet worden gebracht op het mogelijke erfdeel en dat dit voorschot in het geval van [geïntimeerde] € 204.201,09 is (zie onderdeel 2.4). Voorts verwijst hij naar zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg (onderdeel 13 en volgende) en de stukken die hij in eerste aanleg heeft overgelegd (productie 6-9). [geïntimeerde] betwist dat aan haar betalingen zijn gedaan ter grootte van € 204.201,09 als voorschot op de erfenis van haar moeder of als betaling van haar erfdeel in de nalatenschap van haar vader. Wel zijn door erflaatster betalingen gedaan aan haar echtgenoot die verband houden met de verkoop van onroerende zaken aan de [adres] en [adres] .

3.11

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat erflaatster de schuld al tijdens haar leven heeft betaald. Daarvoor heeft [appellant] onvoldoende gesteld, zodat hij niet tot nader bewijs zal worden toegelaten, voor zover hij dat aanbiedt. Het hof merkt op dat [appellant] zonder nadere toelichting op dit onderdeel in hoger beroep en in eerste aanleg zeer verschillende stellingen poneert.

3.12

Dat er grote sommen geld van de rekening van erflaatster naar de rekening van [geïntimeerde] zouden zijn overgemaakt is onvoldoende om vast te stellen dat erflaatster daarmee het vaderlijk erfdeel van [geïntimeerde] heeft voldaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] had het op de weg van [appellant] gelegen nader te onderbouwen dat erflaatster met deze betalingen, die overigens ook in de visie van [appellant] niet zijn gedaan aan [geïntimeerde] zelf, maar aan haar echtgenoot (zie memorie van grieven nummer 35: “(…zeer aanzienlijke bedragen zijn betaald door erflaatster aan de familie [geïntimeerde] ”), beoogde de schuld aan [geïntimeerde] ter zake van haar vaderlijk erfdeel te betalen en verklaringen of gedragingen van erflaatster en [geïntimeerde] aan te voeren die dat zouden kunnen onderbouwen. Naar het oordeel van het hof is aan de verklaring van erflaatster in haar testament van 18 december 2002 redelijkerwijs niet te ontlenen dat erflaatster met de woorden “voorschot op de erfenis” en “het mogelijke erfdeel” tot uitdrukking heeft willen brengen dat zij aan [geïntimeerde] en haar broer de schuld ter zake van hun erfdeel in de nalatenschap van hun vader heeft betaald. Indien erflaatster dat al zou hebben beoogd, heeft te gelden dat haar eenzijdige verklaring gelet op het ontbreken van andere aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van [appellant] onvoldoende is om te oordelen dat [appellant] aan zijn stelplicht heeft voldaan of zijn stelling heeft bewezen. De grieven 2 en 3 falen.

grief 5: toewijzing vordering in strijd met beginselen van redelijkheid en billijkheid?

3.13

[appellant] stelt dat toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat hij uit de nalatenschap van erflaatster niets heeft ontvangen en ook nog een bedrag aan [geïntimeerde] zou moeten betalen. Het hof gaat aan die stelling voorbij. Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet ingevolge artikel 3:12 BW rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken. Niet is door [appellant] gesteld of is gebleken dat algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen of maatschappelijke belangen in dit geval een rol kunnen spelen, laat staan welke beginselen of rechtsovertuigingen dat zijn. Dat geldt wel voor de persoonlijke belangen van partijen. [geïntimeerde] heeft een persoonlijk belang bij betaling van haar vordering; [appellant] heeft een persoonlijk belang bij het niet hoeven betalen van deze schuld. Alleen al omdat [appellant] het in eigen hand heeft gehad zijn persoonlijk belang te dienen door de nalatenschap van erflaatster te verwerpen of (tijdig) beneficiair te aanvaarden is toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

incidenteel hoger beroep

3.14

Het hof is met [appellant] van oordeel dat de brief van 28 oktober 2013 (productie H-4 bij memorie van antwoord) niet voldoet aan alle eisen waaraan een ingebrekestelling op voet van artikel 6:82 lid 1 moet voldoen om verzuim bij de schuldenaar te doen intreden. De brief vermeldt dat [geïntimeerde] onverkort aanspraak maakt op de vordering en bevat het verzoek binnen 7 dagen te berichten of [appellant] bereid is tot minnelijke afwikkeling over te gaan, anders wordt een vordering in rechte aanhangig gemaakt. De brief bevat geen aanmaning tot nakoming, noch een termijn waarbinnen [appellant] moet nakomen, noch een aansprakelijkstelling voor de schade door de vertraging in de nakoming. Grief 1 faalt.

3.15

Deze procedure betreft de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van partijen en de voldoening van de vordering van [geïntimeerde] van haar erfdeel in de nalatenschap van haar vader. De uitkomst van deze procedure is dat iets minder dan de helft van het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag is toegewezen. Het hof ziet daarin aanleiding voor compensatie van de proceskosten in beide instanties.

Slotsom

3.16

Zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep falen alle grieven. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 11 februari 2015 zoals aangevuld bij vonnis van 24 juni 2015;

compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.