Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:733

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
200.183.914/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Letselschade. Whiplash. Hof verwerpt delta v verweer, maar acht wel een multidisciplinair medisch deskundigenonderzoek noodzakelijk naar het (voort)bestaan en de omvang van de klachten en naar het causaal verband tussen klachten en ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0072
AR 2018/494

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.183.914/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/139017 / HA ZA 13-210)

arrest van 23 januari 2018

in de zaak van

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ASR,

advocaat: mr. P.J. klein Gunnewiek, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.F.C. van den Berg, kantoorhoudend te Almere.

Het hof neemt het tussenarrest van 1 maart 2016 hier over.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Op grond van genoemd tussenarrest heeft op 1 maart 2016 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van deze comparitie bevindt zich bij de processtukken. Bij gelegenheid van de comparitie is afgesproken dat partijen nog zouden proberen een schikking te bereiken en dat, indien geen schikking zou worden bereikt, de memorie van grieven zou worden ingediend.

1.2

ASR heeft vervolgens een “akte houdende verzoek om uitstel” genomen, waarin zij aangeeft welke stappen zijn gezet om te komen tot een minnelijke regeling en om uitstel verzocht. Partijen hebben een begin gemaakt met een plan van aanpak, maar de daarin voorziene arbeidsdeskundige en medische begeleiding heeft nog niet plaatsgevonden. ASR verzoekt om die reden om uitstel voor de duur van drie maanden. [geïntimeerde] heeft zich tegen het gevraagde uitstel verzet, dat niet is verleend.

1.3

Vervolgens zijn de volgende processtukken gewisseld:
- de memorie van grieven van de zijde van ASR;
- de memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerde] .

1.4

Ten slotte hebben partijen het procesdossier overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.14) van het tussenvonnis van 9 juli 2014 de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken, zodat het hof uitgaat van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Die feiten komen, aangevuld met enkele andere feiten, op het volgende neer.

2.2

[geïntimeerde] (geboren [in] 1996) is op 10 juni 2010, toen zij achterin de auto zat bij
[B] en haar dochter, betrokken geweest bij een ongeval. Op weg van huis naar de school van de dochter van [B] is de auto van [B] van achteren aangereden door een andere auto, waarvan de bestuurder, een verzekerde van ASR, [C] was.

2.3

[B] heeft in een schriftelijke verklaring van 19 augustus 2010 verklaard dat zij stil stond toen [C] , die langzaam reed, haar van achteren aanreed. [C] heeft op

5 oktober 2010 een aanrijdingsformulier ingevuld. Voor zover van belang verklaart [C] op dat formulier dat zij tijdens het optrekken tegen de auto van [B] aanbotste omdat die minder snel wegreed dan verwacht en dat er geen schade te zien was aan beide auto's.

2.4

[geïntimeerde] is de dag van de aanrijding bij haar huisarts geweest, [D] . Nadien heeft zij haar huisarts nog op 23 juni en 16 juli 2010 bezocht. [D] heeft daarover in een brief van 27 augustus 2010 het volgende geschreven aan de medisch adviseur van de advocaat van [geïntimeerde] :
“Op 10-06 is patiënte bij ons op spreekuur verschenen en gezien door een collega (het hof leest: die) de volgende aantekening maakte: zat in een auto, van achteren aangereden. Pijn nek en wat zwaar gevoel in de armen. Bij lichamelijk onderzoek waren er neurologisch geen bijzonderheden, bewegen van de nek niet beperkt, intacte reflexen. Geringe drukpijn cervicaal. Onder de diagnose lichte kneuzing zijn er adviezen gegeven van even rustig aan en daarna zoveel mogelijk bewegen.
Patiënte is op 23-06-2010 opnieuw gezien omdat de klachten van het ongeluk bleven bestaan. Ze klaagde over pijn nek en hoofd, kon zich moeilijk concentreren, voelde zich moe. Bij onderzoek was een gevoeligheid cwk. Onder de diagnose aanhoudende klachten werd opnieuw uitleg gegeven en een expectatief beleid gevoerd.
Op 16-07-2010 kwam patiënte wederom terug met hetzelfde klachtenverhaal. Vader vond het vervelend dat ze nog steeds 2 paracetemol per dag moest nemen. Patiënte had op dat moment vooral hoofdpijn en concentratieproblemen. Men wilde graag een neurologisch consult. Patiënte is verwezen naar neuroloog/psychiater [F] die gespecialiseerd zou zijn in Whiplash.”

2.5

In een brief van 3 augustus 2010 schrijft kinderfysiotherapeut [E] - voor zover van belang - het navolgende aan [D] :

" Samenvatting en conclusie:
Meisje van 14 jaar, status na auto ongeluk waardoor ze pijn heeft cwk en hoofdpijn, verminderde spierfunctie en concentratieproblemen. Hierdoor kan ze niet meer naar school fietsen, haar tas dragen en sporten.
Advies:
Kinderfysiotherapie wordt gestart om
- Kennis en inzicht te vergroten van haar klachten
- Haar bewegingsgedrag te veranderen en dus te vergroten (juist blijven bewegen, ook al
al heb je pijn)
- Verbeteren van haar spierkracht en musculaire stabiliteit cwk
- Verbeteren van haar algemene conditie en belastbaarheid."

2.6

[F] komt in zijn brief d.d. 3 september 2010 tot de navolgende conclusie en samenvatting:

" Conclusie:
Klachten passende bij een whiplash, waarbij pte. met name gespannen is, weinig let op wie ze zelf is, wat ze zelf vooral fysiek kan, waardoor de belastbaarheid terugloopt, pte. overbelast kan worden, in die zin minder goed op zichzelf let, minder uit gaat van zichzelf.
Beleid:
Pte. maakt eerst recent een whiplash door, het natuurlijk herstel kan dan ook vooralsnog afgewacht worden. Pte. heeft reeds fysiotherapie (…)
Gezien de weinige mobiliteit van het cervicale segment, wil ik pte. verwijzen naar collega [G] , ortho-maueel arts in [H] . (…)
Samenvattend , goede mogelijkheden om een natuurlijk en spontaan herstel af te wachten, dit te ondersteunen middels begeleiding, waarbij pte. zelf de spil is, met name de verhouding tussen belasting en belastbaarheid goed dient waar te nemen, vooral met zichzelf rekening dient te houden, haar lichaam wijst haar daar wel op.”

2.7

[geïntimeerde] heeft ook fysiotherapeute [I] , bezocht en orthomanueel therapeut,
[G] . [G] concludeert in zijn brief d.d. 6 december 2010 dat de klachten van [geïntimeerde] passen bij een post whiplash syndroom graad II.
[I] vermeldt in haar brief d.d. 29 november 2010 de navolgende diagnose:

"Persisterende nekschouderklachten na whiplashongeval 10-06-2010 met gemiddeld pijn VAS 6 gepaard gaande met hoofdpijn zonder krachtsverliés BE, vertraagd herstel e.c.i. maar mogelijk t.g.v. disfunctionele ademhaling door overspanningsklachten. (...) "

2.8

[J] , medisch adviseur van [geïntimeerde] werkzaam bij Lechnerconsult, komt op basis van informatie van [geïntimeerde] en haar ouders, [D] , [E] , [F] en [G] tot de volgende conclusie in zijn brief d.d. 15 december 2010:

"Hiermee kom ik tot de volgende conclusies: Het gevolg van de kop-staartbotsing d.d. 10-06-2010 lijkt aanvankelijk beperkt te blijven tot een lichte kneuzing. Uiteindelijk kan o.b.v. het ongevalmechanisme en de aanwezigheid van klachten/beperkingen van het houdings- en bewegingsapparaat als cognitieve problematiek de diagnose: een whiplash associated disorder graad II gesteld worden. Er zijn gevolgen in diverse levenssferen, met name op school. Vooralsnog zal het verdere beloop afgewacht moeten worden. (...)"

2.9

[geïntimeerde] heeft, na doorverwijzing door [F] in verband met wat [F] noemt “doorslaap problemen”, neuroloog, [K] , bezocht. [K] komt tot de conclusie, neergelegd in zijn brief van17 februari 2011 aan [F] , dat er sprake is van een “licht uitgesteld slaapfase syndroom, waarschijnlijk geprovoceerd door een achteraanrijding Slaapmisperceptie”.

2.10

[L] , de medisch adviseur van ASR, heeft - voor zover van belang - op
29 maart 2011 als volgt geadviseerd aan ASR:
"Mijn commentaar
Blijkbaar is er sprake geweest van een zéér gering energetisch accident, hetgeen moge blijken uit het feit dat er geen materiele schade zichtbaar was aan beide auto 's na de achteroprijding. De vraag is dan legitiem of een dergelijk accident kan hebben geleid tot een acceleratie-/deceleratietrauma van de cervicale wervelkolom. Vervolgens is er een dramatisch verlopen klachtenpatroon bij betrokkene. Objectiveerbare afwijkingen op neurologisch dan wel orthopedisch gebied zijn niet vastgesteld. (...)
Voorlopig kan ik slechts concluderen dat er sprake is van een dramatisch klachtenpatroon na een accident met een zéér geringe energetische impact. Ik kan echter niet motiveren waarom de huidige klachten als louter en alleen ongevalsgevolg dienen te worden beschouwd. "

2.11

De (nieuwe) medisch adviseur van [geïntimeerde] , mr. drs. [M] , komt in zijn brief d.d. 27 juni 2011 aan de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] tot de volgende conclusie:

CONCLUSIE(S)/ADVIES :
1. Er zijn op basis van de medische informatie toch vrij harde aanwijzingen voor het ontstaan en aanhouden van een postwhiplash-syndroom tot einde documentatie (januari 2011). Bij eventuele discussie (op basis van niet medische informatie) kan geen bezwaar worden gemaakt tegen een Delta-V-onderzoek maar het nut daarvan is zeer beperkt omdat al bij een snelheidsverschil van 5 - 10 km per uur een postwhiplash-syndroom kan ontstaan.
2. Vanaf het ongeval zijn er beperkingen voor nek-/schouderbelasting alsmede pijngerelateerde / inspanningsgebonden beperkingen (concentratie/geheugen, duurbelasting, overmatige vermoeidheid). In de stukken wordt bij herhaling en vanaf het ongeval gesproken over gevolgen tav de schoolopleiding (3 HAVO ttv het ongeval). De schoolrapporten en overige vervolginformatie (revalidatiearts) zal kunnen verduidelijken of dit inderdaad aannemelijk ongevalsgevolg is. Die kans bestaat wel. Ook buiten de school bestaan dezelfde beperkingen natuurlijk.
3. Een percentage functieverlies kan op dit moment nog niet worden vastgesteld. Zie hierboven voor enige richting (1-3% BI).
4. Een eindsituatie is er nog niet. De kans op volledig herstel is bij betrokkene echter al fors verminderd. Een meer definitieve eindsituatie is vanaf 1,5 jaar na het ongeval te verwachten. 5. Advies / akkoord is om de schoolrapporten (en wat mij betreft ook nog de cito-toetsuitslag van groep 8) op te vragen alsmede de bevindingen en tzt het behandelresultaat bij de revalidatiearts. Voor het overige vervolgen / documenteren en actualiseren na 1,5 jaar en dan nader bezien met het oog op eventuele afwikkeling. "

2.12

In opdracht van ASR heeft ing. [N] van Ongevallen Analyse Nederland een zogenaamd Delta v onderzoek uitgevoerd. [N] komt in zijn rapport van
8 augustus 2011 tot de navolgende conclusie:

"De BMW heeft als gevolg van onderhavige aanrijding ter hoogte van de zitpositie van mevrouw [geïntimeerde] een resulterende snelheidsverandering (delta v) van 3,4 tot 7,1 km/uur ondergaan. De daarbij optredende gemiddelde voertuigversnelling heeft gelegen tussen 0,8 en 2,2 g."

2.13

Mede naar aanleiding van het rapport van [N] heeft [L] op

6 september 2011 een nieuw advies uitgebracht aan ASR waarin - voor zover van belang - staat:
"Mijn commentaar
Informatie vanuit de behandelende sector geeft aan dat betrokkene onveranderd niet-klachtenvrij is.
Het Delta V-onderzoek bevestigt dat er sprake is geweest van een zeer geringe en minimale impact. In mijn advies van 29-03-2011 heb ik gemotiveerd weergegeven in hoeverre die impact van belang is. Dat betrokkene klachten ondervindt, staat niet ter discussie. Waarom de huidige klachten van betrokkene als louter en alleen ongevalsgevolg dienen te worden beschouwd, kan ik op basis van de mij ter beschikking staande medische informatie niet verklaren. In dat kader verwijs ik nogmaals naar de eerdere onderzoeksbevindingen van prof. Castro.
Er blijft sprake van een dramatisch klachtenbeeld na het ongeval, maar of deze problematiek louter en alleen door het ongeval is veroorzaakt, weet ik niet."

2.14

Ten slotte heeft [L] bij brief d.d. 20 januari 2014 - voor zover van belang - als volgt geadviseerd aan ASR:

"Op 16 juli 2010 en 16 oktober 2012 is door mij eerder geadviseerd. Op dit moment is geen nieuwe medische informatie ontvangen, maar in het kader van de juridische procedure is het zinvol om de eerdere adviezen nogmaals samen te vatten.
(…)
Als medisch adviseurs is het mijn taak om een oordeel te geven over de causaliteit op basis van de mij ter beschikking staande medische informatie. Gezien de zeer lage energetische impact en gezien het feit dat er geen objectiveerbare afwijkingen op fysiek gebied zijn aangetoond, kan ik de huidige klachten van betrokkenen niet relateren aan het ongeval. Klachten na een ongeval zijn niet per definitie door een ongeval. Verder verwijs ik naar mijn voorgaande adviezen. "

2.15

Bij het hiervoor genoemde advies had [L] niet de beschikking over aanvullende medische informatie, van onder meer neuroloog [K] van 4 mei 2011, revalidatiearts [O] van 8 december 2011 en de nieuwe huisarts van [geïntimeerde] , [P] . Deze informatie is als volgt samengevat in de brief van [Q] , de medisch adviseur van de opvolgend advocaat van 25 februari 2015:
Brief d.d. 04-05-2011 van [K] , neuroloog aan [D] , huisarts:
Cliënte werd op 25-03-2011 nog eens gezien in verband met licht uitgesteld slaap fase syndroom, waarschijnlijk geprovoceerd door een achterop aanrijding. Sinds cliënte 2 mg melatonine gebruikt, valt zij eerder in slaap.
(…)
Brief d.d. 08-12-2011 van [O] . revalidatiearts aan [D] , huisarts:
Vanaf maart 2011 is cliënte enige malen gezien in het kader van het pijnrevalidatieteam. Revalidatiediagnose: chronisch pijnsyndroom voornamelijk in nek en hoofd.
Oorzakelijk factoren; acceleratie-/deceleratietrauma.
Onderhoudende factoren; chronisch relatieve surmenage. Copingstijl.
(…)
Brief d.d. 12-01-2015 van [P] , huisarts:
Cliënte heeft sinds een aanrijding in 2010 veel last van concentratieproblematiek en slaapproblemen. De prognose is dat er niet veel verbetering meer zal optreden. De betreffende consulten zijn als bijlagen aanwezig.”

2.16

[geïntimeerde] heeft ook een intakegesprek gevoerd met psycholoog [R] , die daarover in een brief van 13 januari 2015 aan de advocaat van ASR het volgende heeft geschreven:
“Op 15 december 2014 heb ik een intakegesprek gevoerd met mevr. [geïntimeerde] op mijn praktijkadres in [S] .

In dit gesprek beschrijft mevr. [geïntimeerde] haar huidige klachten die zij ervaart als gevolg van het verkeersongeval op 10 juni 2010 waarbij zij betrokken is geweest. Zij was toen 13 jaar.

Het lukt haar op dit moment niet om een beroepsopleiding te volgen en af te ronden. Haar pijnklachten, haar slaapproblemen, haar gebrek aan concentratie, haar geheugenproblemen en haar korte lontje spelen haar dagelijks parten. Ze woont nu bij een vriendin in Amsterdam. Maar ze zou het liefst op zichzelf willen wonen maar daarvoor ontbreken haar de middelen (geen inkomen en geen studiefinanciering). Ze heeft geen idee hoe lang ze nog bij deze vriendin zal wonen. Ze irriteert zich snel aan anderen en ze heeft soms het gevoel dat ze teveel is.

Ze heeft op dit moment geen toekomstperspectief en vult haar dagen met uitslapen, internetten, Facebook, boodschappen doen en soms afspreken met vrienden. Ook probeert ze te sporten maar dat lukt haar niet echt.
Op het moment van de afspraak maakt ze weer gebruik van manuele therapie in Bussum. Daar hoopt ze verder mee te komen. Ik zie daar ook wel mogelijkheden in. Ze wil graag sporten maar dat lukt niet en ik heb haar geadviseerd om onder professionele begeleiding te gaan sporten (dit is mogelijk in de praktijk in Bussum). Ook is het mogelijk om daar mindfullness-lessen te volgen. Ik denk dat zij daar ook wel baat bij kan hebben. Zou u daar budget voor beschikbaar willen stellen als mevr. [geïntimeerde] hier ook meerwaarde in ziet?

Daarnaast zou ik 5 psychologische interventiegesprekken willen adviseren. Waarin toename van belastbaarheid centraal staat.

Ze wil graag weer een normaal leven van een 18-jarige leiden. Met sociale contacten en toekomstperspectief.”

2.17

Ten tijde van het ongeval zat [geïntimeerde] in de derde klas van de HAVO. Ze is aan het einde van het schooljaar naar de derde klas van het VMBO (theoretische leerweg) gegaan en heeft in juni 2013 het VMBO-diploma behaald. Ze is nadien tweemaal aan een MBO-opleiding begonnen, maar heeft het volgen van deze opleidingen beide keren gestaakt.

2.18

[geïntimeerde] heeft een aanvraag voor een Wajong-uitkering gedaan. De uitkering is haar geweigerd. In het aan de weigeringsbeslissing ten grondslag liggende rapport van verzekeringsgeneeskundige [T] van 15 januari 2015 is onder meer het volgende vermeld:
3.1 Overwegingen en functionele mogelijkheden
Overwegingen

Cliënt is een 18-jarige vrouw, voor wie een beoordeling in het kader van de Wet Wajong plaatsvindt vanwege gezondheidsklachten. Deze klachten zijn ontstaan na een verkeersongeval op 10-06-2010 waarbij de auto waarin cliënt als passagier op de achterbank zat van achteren werd aangereden. De letselschadeprocedure hierover loopt nog. Cliënt claimt een algeheel onvermogen tot functioneren in werk of op school. Zij weet niet of dat in de toekomst nog zal verbeteren. Voor Wajong 2015 kan iemand alleen in aanmerking komen als zij door ziekte/gebrek volledig en duurzaam geen mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie en deze ook niet kan ontwikkelen. Bij cliënt zijn na een ongeval in 2010 klachten (vooral pijn in nek, schouders, rug en hoofd, naast concentratie- en geheugenproblemen) ontstaan waardoor zij aangeeft beperkingen te ervaren in het concentreren en zwaar tillen. Lichamelijke activiteiten kosten haar moeite. Op basis van de aangeleverde stukken constateer ik dat er sprake is van ziekte/gebrek in de zin van de Wajong. Echter, de hieruit voortvloeiende beperkingen zijn niet goed objectiveerbaar en ondanks uitgebreid onderzoek blijkt uit de aangeleverde stukken dat er geen ernstige afwijkingen zijn gevonden. Bij onderzoek vind ik tav het concentreren geen afwijkingen. Ik vind wel behoorlijke inconsistenties tav de geclaimde beperkingen in het geheugen. Deze acht ik derhalve niet plausibel. In 2013 heeft zij haar vmbo-tl diploma gehaald (via extra jaar). Dit duidt er eveneens op dat cliënt wel in staat is tot concentreren en dingen kan onthouden en reproduceren. Bij lichamelijk onderzoek vind ik weliswaar geringe afwijkingen, maar geen objectiveerbare functionele beperkingen. In ICF termen is er mogelijk sprake van een geringe stoornis in de hogere cognitieve functies met zeer geringe beperking tav omgaan met stress en andere mentale eisen en door een geringe stoornis in de aandacht een beperking tav langdurig richten van intensieve aandacht (bv lezen/schrijven beleidsstukken). Tav de lichamelijk ervaren klachten acht ik bij cliënt meer op preventieve gronden sprake van een stoornis van de pijngewaarwording waardoor cliënt zeer geringe beperkingen heeft tav zware lichamelijke inspanning (bv. frequent > 15 kg tillen/dragen, hele dagen lopen of staan). Verder verwacht ik nog verbetering aangezien cliënt nog behandeld wordt en deze klachten bij adequate coping en een meer actieve leefstijl naar verwachting beduidend zullen verbeteren.

(…)
4. Conclusie
Er is sprake van enige beperkingen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte/gebrek. Deze beperkingen zijn niet duurzaam. Derhalve komt cliënt niet in aanmerking voor Wajong 2015.”

2.19

ASR heeft als verzekeraar van [C] aansprakelijkheid voor de geleden schade erkend en een voorschot op de schade (exclusief buitengerechtelijke kosten) uitgekeerd van
€ 7.375,-.

3 De standpunten van partijen en de beslissingen in eerste aanleg

3.1

De ouders van [geïntimeerde] - [geïntimeerde] was toen nog minderjarig - hebben in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde] ASR gedagvaard. Zij hebben gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het letsel dat [geïntimeerde] heeft in causaal verband staat met het ongeval van 10 juni 2010 en dat ASR gehouden is de (materiële en immateriële) schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden en dat ASR veroordeeld wordt tot betaling van een voorschot op de schade van € 15.000,- en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 10.714,04 en proceskosten aan [geïntimeerde] .

3.2

Nadat ASR verweer had gevoerd, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van

9 juli 2014 overwogen dat tussen partijen niet in dispuut is dat [geïntimeerde] in elk geval tot medio februari 2011 kampte met de volgende gezondheidsklachten: pijn in de nek, zwaar gevoel in de armen, hoofdpijn, concentratieproblemen, pijn bij lezen, moeheid, inslaapproblemen en vermindering van de geheugenproblemen. Bij gebreke van nader verweer op dit punt nam de rechtbank aan dat de door [geïntimeerde] gestelde klachten reëel, niet ingebeeld en niet overdreven zijn.
De rechtbank verwierp het door ASR op het punt van het causaal verband gevoerde Delta v verweer. Het enkele rapport van de deskundige en de constatering dat de Delta v laag was, betekent volgens de rechtbank niet zonder meer dat het causaal verband ontbreekt, maar maakt het één van de relevante omstandigheden voor het bepalen van het causaal verband.
Volgens de rechtbank kan uit de door [geïntimeerde] overgelegde rapporten worden afgeleid dat sprake is van een postwhiplash-syndroom. Een achterop-aanrijding kan dergelijke klachten veroorzaken. Nu uit het medisch dossier van [geïntimeerde] geen enkele aanwijzing valt af te leiden dat [geïntimeerde] deze klachten al had of zonder ongeval ook zou hebben ontwikkeld en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, concludeert de rechtbank dat een causaal verband tussen de klachten van [geïntimeerde] en het ongeval aanwezig is.
De rechtbank heeft [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld gegevens over haar gezondheidstoestand vanaf medio februari 2011 in het geding te brengen en heeft daartoe een comparitie van partijen gelast.

3.3

Nadat [geïntimeerde] medische informatie in het geding had gebracht en de comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de rechtbank overwogen dat de door [geïntimeerde] overgelegde medische informatie niet leidt tot andere inzichten. Uit deze informatie volgt volgens de rechtbank dat de gezondheidstoestand van [geïntimeerde] te wensen overlaat en dat zij nog steeds last heeft van pijnklachten, vermoeidheid, slaapproblemen, geheugenproblemen en ‘een kort lontje’. De rechtbank achtte de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar, net als de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten. De vordering tot betaling van een (nader) voorschot was volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd en om die reden niet toewijsbaar. ASR werd door de rechtbank in de proceskosten veroordeeld.

4 De bespreking van de grieven

4.1

ASR heeft twee grieven opgeworpen tegen de vonnissen van de rechtbank. Met grief I komt zij op tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis, dat sprake is van causaal verband tussen de klachten van [geïntimeerde] en het ongeval. Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis, dat de overgelegde medische informatie niet leidt tot andere inzichten (a), dat uit de medische informatie kan worden afgeleid dat de gezondheidstoestand van [geïntimeerde] te wensen overlaat en dat zij nog steeds last heeft van pijnkachten, vermoeidheid, slaapproblemen, concentratieproblemen, geheugenproblemen en ‘een kort lontje’(b) en dat dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen (c).
De grieven hangen met elkaar samen. Het hof zal ze dan ook tezamen behandelen.

4.2

Bij de bespreking van de grieven stelt het hof voorop dat het, met de rechtbank in het tussenvonnis, van oordeel is dat de bezwaren die [geïntimeerde] heeft ingebracht tegen het Delta v onderzoek geen doel treffen, zodat kan worden uitgegaan van de uitkomsten van dit onderzoek, die erop neerkomen dat bij het ongeval sprake is geweest van een geringe Delta v
(3,4 tot 7,2 km/uur). Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat deze geringe Delta v op zichzelf niet in de weg staat aan het aannemen van causaal verband tussen de gezondheidsklachten van [geïntimeerde] en het ongeval, maar wel een omstandigheid is die in aanmerking moet worden genomen bij het antwoord op de vraag of sprake is van causaal verband. In dit verband is van belang dat beide partijen zich hebben beroepen op een artikel van prof. dr. Wisman in het PIV-bulletin van oktober 2015 met de titel “Whiplash bij verkeersongevallen: inzichten vanuit de letselbiomechanica en de verkeersongevallenanalyse”. Uit dit artikel, waarin internationaal onderzoek naar het verband tussen Delta v en het ontstaan van whiplashklachten is beschreven, volgt dat sprake is van een correlatie tussen het risico op whiplash en de Delta v, dat bij achteropaanrijdingen het risico op langdurige klachten sterk toeneemt boven een Delta v van meer dan 15 km/uur, maar dat het hanteren van een absolute grens van 10 km/uur niet verdedigbaar is. Zo’n grens kan wel gehanteerd worden als een eerste grove schatting voor de kans op whiplashklachten. Prof. Wisman wijst verder op andere risicofactoren, zoals het geslacht (vrouwen hebben een aanmerkelijke grotere kans op het ontstaan van whiplashklachten), eerdere nekklachten, het stoel-hoofdsteuntype en de zitpositie in de auto (meer risico op de achterbank). In het licht van dit onderzoek heeft ASR onvoldoende onderbouwd dat het enkele feit dat sprake is van een lage Delta v in de weg staat aan het aannemen van causaal verband tussen de klachten van [geïntimeerde] en het ongeval. Anderzijds volgt uit het onderzoek ook dat de kans op het ontwikkelen van (langdurige) whiplashklachten lager is bij een ongeval met een Delta v van, zoals hier, ruimschoots minder dan 10 km/uur dan bij een ongeval met een Delta v van meer dan 10 km/uur.

4.3

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] in 2010 op jonge leeftijd betrokken is geweest bij een auto-ongeval, waarbij zij, zittend op de achterbank van een auto van achteren is aangereden door een andere auto. Bij dat ongeval was sprake van een geringe Delta v. [geïntimeerde] stelt dat zij nadien zeer ernstige gezondheidsklachten heeft ontwikkeld. Die klachten leiden ertoe dat zij in 2015 (vijf jaar na het ongeval) zich niet in staat achtte om een opleiding te volgen of om te werken en een bestaan leidde van een ‘kasplantje’, zonder enig perspectief op verbetering. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen, in maart 2016, was deze situatie niet verbeterd. Integendeel, [geïntimeerde] verklaarde dat zij nog steeds niet in staat was om te werken of te leren en afhankelijk was hulp van haar moeder voor veel voorkomende huishoudelijke werkzaamheden.

4.4

Er is sprake van een op het eerste gezicht betrekkelijk gering ongeval waaraan [geïntimeerde] zeer verstrekkende gevolgen verbindt (klachten waardoor zij volledig arbeidsongeschiktheid is en langdurig behoefte heeft aan huishoudelijke hulp, zonder dat er perspectief is op verbetering). Opvallend is dat geen sprake is van een gemeenschappelijke medische expertise. Het aan het hof voorgelegde medisch dossier bestaat uit informatie van de behandelend artsen en uit rapporten van de medische adviseurs van partijen. Het hof kan niet nagaan of de overgelegde medische stukken een compleet beeld geven. De stukken betreffen bovendien de situatie tot begin 2015, ongeveer drie jaar geleden. Vaststaat dat het de bedoeling was dat [geïntimeerde] in 2016 zou beginnen met een revalidatietraject. Informatie over dat traject ontbreekt.

4.5

Bij deze stand van zaken vindt het hof het niet verantwoord om een oordeel te geven over het bestaan en de omvang van de klachten van [geïntimeerde] en het causaal verband tussen deze klachten en het ongeval zonder dat een onderzoek door deskundigen is gedaan. Het hof meent dat gelet op de aard en de ernst van de gestelde klachten een multidisciplinair onderzoek op zijn plaats is, waaraan meegewerkt zou moeten worden door een neuroloog, een neuropsycholoog, een psychiater en een revalidatie-arts. Doel van het onderzoek is allereerst om nauwkeurig in kaart te brengen welke klachten [geïntimeerde] heeft gehad vanaf de dag van het ongeval tot heden (wanneer zijn de klachten begonnen en eventueel geëindigd). Vervolgens kan het onderzoek bijdragen aan een antwoord op de (juridische) vraag of sprake is van causaal verband tussen de vastgestelde klachten van [geïntimeerde] en het ongeval, waarbij van belang is of het ongeval (gelet op onder meer de uitkomsten van het Delta v onderzoek, maar ook de positie van [geïntimeerde] op de achterbank van de auto) deze klachten kan veroorzaken, of [geïntimeerde] voor het ongeval vergelijkbare klachten had en of sprake is van een alternatieve medische verklaring van de klachten (mede gezien het moment van ontstaan van de klachten).

4.6

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraagstelling (het komt het hof voor dat kan worden uitgegaan van de meest recente IWMD-vraagstelling, toegespitst op de bijzonderheden van de situatie van [geïntimeerde] ) en de te benoemen deskundigen. Om een in zaken als deze bijna voorspelbare patstelling over de te benoemen deskundigen te voorkomen, stelt het hof partijen in de gelegenheid per discipline drie deskundigen voor te stellen van hun voorkeur en drie deskundigen met wier benoeming zij zich niet kunnen verenigen en om deze keuze te motiveren. Het verdient de voorkeur wanneer de te benoemen deskundigen ervaring hebben in het verrichten van multidisciplinair onderzoek, zo mogelijk met elkaar. Indien partijen niet tot een eensluidende voordracht komen, zal het hof met inachtneming van de door partijen ingediende ‘lijstjes’ zelf een keuze maken, waarbij het hof zich vrij acht de deskundigen te benoemen waartegen partijen niet op voorhand (deugdelijk gemotiveerd) bezwaar hebben gemaakt.

4.7

Het hof zal ASR belasten met het voorschot op de kosten van het onderzoek. In dit verband overweegt het hof dat niet ter discussie staat dat ASR aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en dat vaststaat dat [geïntimeerde] in elk geval enige schade heeft opgelopen. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen buiten rechte redelijke kosten ter vaststelling van schade voor rekening van de aansprakelijke partij. Nu in de buitengerechtelijke fase niet, zoals veelal wel gebeurt, een medische expertise heeft plaatsgevonden, waarvan de kosten dan voor rekening van ASR zouden zijn gekomen, acht het hof het redelijk om deze kosten, die noodzakelijk zijn om de schade van [geïntimeerde] te kunnen vaststellen, in de gerechtelijke procedure ten laste van ASR te brengen.

4.8

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor uitlating deskundigenbericht. [geïntimeerde] dient (ten behoeve van het deskundigenbericht) op een eerdere roldatum bij afzonderlijke akte ook de meest recente medische informatie in het geding te brengen. Partijen kunnen in de door hen voorgestelde vraagstelling dan nog rekening houden met de recente medische informatie.

4.9

Om te voorkomen dat partijen hun lijstjes op elkaar afstemmen (waarbij de door de ene partij voorgestelde deskundigen op de lijst van ‘besmette’ deskundigen van de andere partij belanden, en andersom) zal het hof één roldatum vermelden waarop beide partijen gelijktijdig een akte benoeming deskundigenbericht dienen te nemen.

5 De beslissing
Het gerechtshof, alvorens nader te beslissen:
verwijst de zaak naar de rol van 20 februari 2018 voor akte overlegging producties door [geïntimeerde] ;
verwijst de zaak naar de rol van 6 maart 2018 voor akte uitlating deskundigenonderzoek door beide partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.M.A. Wind en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

23 januari 2018.