Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7322

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
200.195.268/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op het moment dat een huurster komt te overlijden, heeft zij enkele maanden betalingsachterstand. Haar volwassen zoon woont op dat moment bij haar in, maar hij is geen medehuurder. De verhuurder heeft gevorderd dat de zoon wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van zijn moeder. In eerste aanleg is die vordering toegewezen. In hoger beroep wordt de vordering door het hof afgewezen. Volgens het hof is geen sprake van een zuivere of benificiaire aanvaarding van de nalatenschap, noch van een onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.195.268/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4843202 CV EXPL 16-2043)

arrest van 14 augustus 2018 in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, tevens incidenteel verweerder,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: voorheen mr. R.W. de Casseres, kantoorhoudend te Leeuwarden, die met ingang van 1 juli 2017 van het tableau is geschrapt,

tegen

Stichting Woonzorg Nederland,

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudend te Amstelveen,

geïntimeerde, tevens incidenteel eiseres,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Woonzorg,

advocaat: mr. E.H.J. Slager, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 10 mei 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 21 juni 2016;

- de memorie van grieven (met producties);

- de memorie van antwoord tevens exceptie tot niet-ontvankelijkheid tevens akte (subsidiaire) vermeerdering van de grondslag van de vordering tevens houdende een subsidiaire incidentele vordering c.q. verzoek ex artikel 843a Rv en artikel 22 Rv (met producties).

2.2

De conclusie van de memorie van grieven strekt ertoe dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de kantonrechter van 10 mei 2016 vernietigt voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag dat uitstijgt boven € 2.494,52 (met nevenveroordelingen), kosten rechtens.

2.3

De conclusie van de memorie van antwoord tevens exceptie tot niet-ontvankelijkheid tevens akte (subsidiaire) vermeerdering van de grondslag van de vordering tevens houdende een subsidiaire incidentele vordering c.q. verzoek ex artikel 843a Rv en artikel 22 Rv, strekt ertoe (primair) dat [appellant] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn appel, dan wel dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd, (subsidiair) dat [appellant] wordt gelast om de bankafschriften van zijn moeder over de periode van januari 2012 tot en met december 2015 in het geding te brengen, en (primair en subsidiair) dat [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

2.4

[appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een incidentele antwoordconclusie te nemen.

2.5

Woonzorg heeft de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep - voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil - uit van de volgende feiten die als vaststaand hebben te gelden.

3.2

Met ingang van 19 december 1984 huurde de moeder van [appellant] , [B] (hierna: moeder [B] ), de woning aan de [a-straat 1] te [A] (hierna: de woning) van (de rechtsvoorgangster[s] van) Woonzorg.

3.3

Op enig moment is [appellant] bij zijn moeder ingetrokken. [appellant] staat sedert 2 juni 2014 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van de woning. [appellant] is geen medehuurder van de woning.

3.4

De incassogemachtigde van Woonzorg, Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders te Harderwijk, heeft moeder [B] bij brief van 26 augustus 2015 aangemaand tot betaling van een huurachterstand die op dat moment € 2.443,38 zou bedragen. In de brief is onder meer vermeld:

"U verkeert terzake deze vordering in verzuim. Alvorens tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan, stellen wij u nog gedurende veertien dagen aanvangende de dag na deze aanmaning in de gelegenheid het verschuldigde aan ons kantoor te voldoen. (...) Uw betaling dient binnen de genoemde termijn van veertien dagen door ons te zijn ontvangen, dat wil zeggen bijgeschreven op onze rekening.

Mocht uw betaling niet tijdig worden ontvangen dan bent u ingevolgde de wet een vergoeding verschuldigd van € 366,51 waarmee de vordering zal worden verhoogd. De over die kosten verschuldigde omzetbelasting (€ 76,97) zal ook op u worden verhaald (...)."

3.5

[In] 2015 is moeder [B] overleden.

3.6

Woonzorg heeft [appellant] bij brief van 17 december 2015 verzocht om de woning uiterlijk op 23 december 2015 te verlaten. [appellant] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven, noch aan de bij brief van 13 januari 2016 door de gemachtigde van Woonzorg gedane oproep om de woning uiterlijk op 31 januari 2016 te verlaten.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Woonzorg heeft in eerste aanleg (samengevat) een verklaring voor recht gevorderd en veroordelingen van [appellant] tot ontruiming van de woning en tot betaling van de achterstallige huur en een vergoeding voor gebruik van de woning, kosten rechtens.

4.2

In de procedure in eerste aanleg is [appellant] wel verschenen, maar heeft hij geen verweer gevoerd.

4.3

Bij het bestreden vonnis van 10 mei 2016 heeft de kantonrechter (samengevat) voor recht verklaard dat er geen huurovereenkomst bestaat tussen Woonzorg en [appellant] , [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de woning en [appellant] veroordeeld tot betaling van € 6.173,25 ten titel van achterstallige huur tot 1 maart 2016, alsmede tot betaling van € 623,63 per maand ingaande 1 maart 2016 ten titel van schadevergoeding, met nevenveroordelingen, waaronder een bedrag van € 443,48 aan buitengerechtelijke incassokosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In de kop van het bestreden vonnis is vermeld: "verstekvonnis d.d. 10 mei 2016".

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

Het hof stelt vast dat Woonzorg haar vordering in hoger beroep heeft gewijzigd, dat zij de grondslag van haar vordering heeft aangevuld en dat Woonzorg nieuwe producties heeft overgelegd (genummerd 6, 7, 9 en 10). [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eis- en grondslagwijziging. Het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de eis- en grondslagwijziging van Woonzorg ontoelaatbaar te achten wegens strijd met de goede procesorde. Het hof zal derhalve recht doen op de gewijzigde eis en met inachtneming van de aangevulde grondslag.

5.2

[appellant] heeft nog geen gelegenheid gehad om te reageren op de door Woonzorg bij memorie van antwoord c.a. in het geding gebrachte nieuwe producties. Uit het vervolg van dit arrest zal blijken dat [appellant] hierdoor niet in zijn processuele belangen wordt geschaad.

5.3

Woonzorg heeft de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, stellende dat [appellant] verzet had dienen aan te tekenen tegen het verstekvonnis van de kantonrechter van 10 mei 2016, zodat hij niet kan worden ontvangen in appel. Woonzorg ziet er echter aan voorbij dat niet bepalend is de vorm waarin het vonnis is gegoten. De aard van een vonnis moet aan de hand van objectieve criteria worden vastgesteld (vgl. HR 15 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1094). Anders dan de kop van het bestreden vonnis - waarin is vermeld dat het een verstekvonnis betreft - doet vermoeden, staat vast dat [appellant] in de procedure in eerste aanleg is verschenen. Het vonnis van de kantonrechter dient derhalve als een vonnis op tegenspraak te worden beschouwd, zodat [appellant] hiervan - anders dan Woonzorg ingang wil doen vinden - in hoger beroep kon komen. De exceptie wordt dan ook verworpen.

5.4

[appellant] heeft één genummerde grief ontwikkeld. De grief komt erop neer dat de kantonrechter [appellant] ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur over de periode van 1 mei 2015 tot en met 3 november 2015 (de dag dat moeder [B] is overleden) ten bedrage van € 3.676,85. Het hoger beroep is aldus beperkt tot dit deel van de vordering van Woonzorg.

5.5

In de toelichting op zijn grief benadrukt [appellant] dat hij geen medehuurder was, maar slechts als mantelzorger bij zijn ruim negentig jaar oude moeder was ingetrokken. Zolang moeder [B] in leven was, was zij gehouden om de huur te betalen. Deze schuld is na het overlijden van zijn moeder niet op [appellant] overgegaan, omdat hij de nalatenschap heeft verworpen. Ter onderbouwing hiervan heeft [appellant] in het geding gebracht:

- een "volmacht inzake nalatenschap" gedateerd 1 februari 2016,

- een "verklaring nalatenschap" gedateerd 22 juni 2016, en

- een akte van 24 juni 2016 van de rechtbank Noord-Nederland, inhoudende (samengevat) dat [appellant] de nalatenschap van moeder [B] heeft verworpen.

5.6

In hoger beroep stelt Woonzorg zich primair op het standpunt dat [appellant] de nalatenschap van zijn moeder zuiver heeft aanvaard, doordat hij na het overlijden van zijn moeder in de woning is blijven wonen en zich daarbij als "heer en meester" heeft gedragen. Door die aanvaarding is [appellant] gehouden ook de huurachterstand te voldoen die is ontstaan vóór het overlijden van moeder [B] . Subsidiair voert Woonzorg aan dat - ingeval [appellant] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard - aan de latere verwerping van die nalatenschap geen rechtskracht toekomt. Uitgaande van een beneficiaire aanvaarding geldt dat [appellant] ernstig tekort is geschoten in de vervulling van zijn verplichtingen als vereffenaar en dat hij daarom op de voet van art. 4:184 BW in privé aansprakelijk is voor de huurachterstand die bij leven van zijn moeder is ontstaan. Meer subsidiair heeft Woonzorg aangevoerd dat [appellant] zal moeten uitleggen hoe het mogelijk is dat in de periode dat hij als mantelzorger inwoonde bij zijn moeder, de huurbetalingen stokten en grotendeels uitbleven. In verband hiermee vordert Woonzorg op grond van art. 843a Rv en art. 22 Rv inzage in de bankafschriften van moeder [B] . Uit die afschriften zal naar de overtuiging van Woonzorg blijken dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel zichzelf ongerechtvaardigd heeft verrijkt door zich de voor de huur bestemde gelden toe te eigenen, hiermee Woonzorg schade berokkenend. In hetgeen hierna volgt, zal het hof deze grondslagen achtereenvolgens bespreken.

Primair: zuivere aanvaarding nalatenschap

5.7

Op grond van art. 4:192 lid 1 BW (zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang) geldt dat een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, daardoor de nalatenschap zuiver aanvaardt, tenzij hij zijn keuze (voor beneficiaire aanvaarding of verwerping) reeds eerder heeft gedaan. Het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid de nalatenschap te aanvaarden, hangt af van de omstandigheden van het geval (HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1284). In de Toelichting Meijers bij art. 4:192 BW (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 932) is onder meer opgemerkt dat het enige dat nodig is om van stilzwijgende aanvaarding van een nalatenschap te kunnen spreken, is dat de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als erfgenaam gedraagt. In de MvA II bij deze bepaling (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 933-934) is onder meer opgemerkt dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht. Van zuivere aanvaarding is wél sprake indien de erfgenaam over de goederen van de nalatenschap als heer en meester beschikt of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers van de nalatenschap doet blijken dat hij de schulden van de nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt (HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR: 2014:1489).

5.8

Vast staat dat [appellant] na het overlijden van zijn moeder enige tijd in de woning is blijven wonen. Tevens staat vast dat [appellant] op het adres van de woning stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. In eerste aanleg heeft Woonzorg uitdrukkelijk gesteld dat tussen [appellant] en zijn moeder geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zoals bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. [appellant] heeft zulks in hoger beroep niet betwist, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Dat betekent dat [appellant] niet het (eigen) recht toekwam om na overlijden van zijn moeder de bewoning van de woning voort te zetten.

5.9

Anders dan Woonzorg is het hof echter van oordeel dat de omstandigheden dat [appellant] de bewoning in de maanden na het overlijden van moeder [B] heeft voortgezet en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van de inboedel van zijn moeder, niet de conclusie kunnen dragen dat [appellant] daarmee de erfenis van zijn moeder zuiver heeft aanvaard. Noch het in de woning - die, naar vaststaat, het hoofdverblijf van [appellant] was - verblijven, noch het gebruik maken van de inboedel, noch de combinatie van die twee, is aan te merken als een beschikkingshandeling. Bovendien, een andersluidende opvatting zou betekenen dat eenieder die als erfgenaam zonder recht of titel in de woning van de erflater zijn hoofdverblijf heeft en enige tijd na het verscheiden de woning verlaat, de nalatenschap geacht moet worden zuiver te hebben aanvaard. Een dergelijke uitkomst acht het hof maatschappelijk onaanvaardbaar.

5.10

De omstandigheid dat [appellant] de inboedel uit de woning heeft verwijderd toen hij deze ontruimde, kan evenmin de conclusie dragen dat [appellant] daarmee de nalatenschap van zijn moeder zuiver heeft aanvaard. Het ontruimen van de huurwoning van zijn moeder is niet meer dan een daad van beheer van de nalatenschap. Van een beschikkingshandeling die tot zuivere aanvaarding leidt, zou sprake kunnen zijn indien [appellant] (delen van) de inboedel zonder voorbehoud heeft verkocht (vgl. HR 25 juni 1926, NJ 1926, p. 1023), maar dat heeft Woonzorg niet gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken.

5.11

Woonzorg heeft zich verder nog beroepen op productie 10. Dit betreft een vaststellingsovereenkomst die tussen partijen op 6 juni 2016 is overeengekomen in het kader van een door [appellant] aangespannen kort geding tegen de door Woonzorg aangezegde ontruiming (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/148846 / KG ZA 16-148). Nu [appellant] zich in die vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk het recht heeft voorbehouden om op te komen tegen zijn gehoudenheid om de huurachterstand tot 3 november 2015 te voldoen, had het op de weg van Woonzorg gelegen om nader te concretiseren waarom deze overeenkomst zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat [appellant] de nalatenschap van zijn moeder zuiver heeft aanvaard. Woonzorg heeft dat echter nagelaten. Het hof gaat daarom aan die productie en het daarop gedane beroep voorbij.

5.12

De argumenten die Woonzorg daarvoor heeft aangedragen, leiden dus niet tot de conclusie dat [appellant] de nalatenschap van moeder [B] zuiver heeft aanvaard. De vordering van Woonzorg is daarom niet toewijsbaar op de primaire grondslag.

Subsidiair: beneficiaire aanvaarding nalatenschap

5.13

Woonzorg stelt, zo begrijpt het hof, dat art. 4:190 lid 4 BW er aan in de weg dat [appellant] zich maanden ná de zuivere aanvaarding alsnog bedenkt. Het hof overweegt dat art. 4:190 lid 4 BW (voor zover hier relevant) bepaalt dat een eenmaal gedane keuze onherroepelijk is en terugwerkt tot het ogenblik van het openvallen der nalatenschap. Onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien van de primaire grondslag is overwogen, is van zuivere aanvaarding geen sprake. De stelling van Woonzorg dat art. 4:190 lid 4 BW er aan in de weg staat dat [appellant] terugkomt op een eerder gemaakte, onherroepelijke keuze, mist daarom grond.

5.14

Het hof komt daarmee toe aan bespreking van de door Woonzorg subsidiair aan haar vorderingen ten grondslag gelegde stelling, te weten dat als geen sprake is van aanvaarding van de nalatenschap, dan sprake is van beneficiaire aanvaarding en voor dat geval geldt dat [appellant] ernstig tekort is geschoten in de vervulling van zijn verplichtingen als vereffenaar. Op grond van art. 4:184 BW is [appellant] daarom in privé aansprakelijk voor de huurachterstand die bij leven van zijn moeder is ontstaan, aldus Woonzorg.

5.15

[appellant] heeft betwist dat sprake is geweest van beneficiaire aanvaarding. Volgens hem heeft hij de nalatenschap juist verworpen. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv rusten stelplicht en bewijslast van de stelling dat [appellant] de nalatenschap van zijn moeder beneficiair heeft aanvaard op Woonzorg. [appellant] heeft zijn verweer dat hij de nalatenschap van zijn moeder heeft verworpen, onderbouwd met een daartoe strekkende verklaring van 22 juni 2016 en een akte van 24 juni 2016 waarin de griffier van de rechtbank Noord-Nederland verklaart dat [appellant] de nalatenschap van moeder [B] heeft verworpen.

5.16

In het licht van de gemotiveerde betwisting van [appellant] , lag het op de weg van Woonzorg om te onderbouwen waarom de nalatenschap van moeder [B] in weerwil van genoemde documenten door [appellant] beneficiair is aanvaard. Woonzorg heeft niet gesteld dat de beneficiaire aanvaarding in het boedelregister is ingeschreven, maar alleen gewezen op een (door [appellant] overgelegde) "volmacht inzake nalatenschap" van 1 februari 2016 op grond waarvan [appellant] tot beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van moeder [B] zou willen overgaan. Die volmacht van 1 februari 2016 is echter niet volledig en mist daardoor rechtskracht. Het hof oordeelt daarom dat Woonzorg niet heeft voldaan aan haar verplichting om haar stelling deugdelijk te onderbouwen, zodat daaraan verder voorbij gegaan dient te worden.

5.17

De vordering van Woonzorg is derhalve niet toewijsbaar op de subsidiaire grondslag.

Meer subsidiair: onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking

5.18

Volgens Woonzorg moet [appellant] uitleggen hoe het mogelijk is dat gedurende zijn mantelzorg de huurbetalingen stokten en grotendeels uitbleven. In het kader van deze grondslag heeft Woonzorg haar vordering ex art. 843a Rv en 22 Rv ingesteld, inhoudende dat [appellant] wordt gelast om de bankafschriften van zijn moeder over de periode van januari 2012 tot en met december 2015 in het geding te brengen. Woonzorg vordert inzage in de bankafschriften van moeder [B] , zodat kan worden vastgesteld wat er met haar inkomen is gebeurd. Daaruit zal naar de overtuiging van Woonzorg blijken dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel zichzelf onrechtmatig heeft verrijkt door zich de voor de huur bestemde gelden van moeder [B] toe te eigenen dan wel ten bate van zichzelf te besteden. Door dit onrechtmatig handelen heeft Woonzorg schade geleden.

5.19

Het hof stelt ook hier voorop dat stelplicht en bewijslast van de stelling dat [appellant] hetzij onrechtmatig heeft gehandeld, hetzij ongerechtvaardigd is verrijkt, op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op Woonzorg rusten. Naar het oordeel van het hof heeft Woonzorg echter ook op deze onderdelen onvoldoende gesteld. Het hof merkt daarbij op dat eventuele overboekingen van gelden door zijn moeder aan [appellant] op zichzelf nog niet betekenen dat door [appellant] op onrechtmatige wijze (en ten nadele van Woonzorg) middelen zijn onttrokken aan moeder [B] , nu dergelijke overboekingen ook op andere gronden, zoals vrijgevigheid, kunnen hebben plaatsgevonden. Voor de grondslag ongerechtvaardigde verrijking geldt hetzelfde, aangezien aan de eventuele verrijking van [appellant] heel goed een schenking of een geldlening door moeder [B] ten grondslag kan liggen.

5.20

Bij de vordering ex artikel 843a Rv heeft Woonzorg geen rechtmatig belang, nu vast staat dat moeder [B] in de bewuste periode geen huur heeft betaald en haar (privé) uitgaven in die periode dus geen betrekking hebben op de in het geding zijnde huurverhouding, althans is dat verband (veel) te ver verwijderd. Het hof ziet evenmin aanleiding om [appellant] op de voet van artikel 22 Rv te bevelen dergelijke bescheiden over te leggen. De omstandigheid dat de huur niet werd betaald door moeder [B] is op zichzelf niet toereikend voor een zwaarwegend vermoeden dat [appellant] de voor de huur bestemde gelden zou hebben onttrokken aan het vermogen van zijn moeder, zoals hiervoor uiteen is gezet. Enkel die mogelijkheid rechtvaardigt nog niet dat [appellant] wordt bevolen dergelijke privacygevoelige gegevens van zijn overleden moeder aan Woonzorg te verstrekken. De vordering (art. 843a Rv) respectievelijk het verzoek (art. 22 Rv) is niet bedoeld voor het faciliteren van fishing expeditions en zij worden derhalve afgewezen.

5.21

De vordering van Woonzorg is derhalve ook niet toewijsbaar op de meer subsidiaire grondslag.

De slotsom

5.22

Uit bovenstaande overwegingen volgt dat geen grond bestond voor toewijzing van de vordering van Woonzorg tot betaling van de achterstallige huur over de periode van 1 mei 2015 tot en met 3 november 2015 (de dag dat moeder [B] is overleden) tot een bedrag van € 3.676,85. Dit deel van de vordering van Woonzorg is in eerste aanleg dus ten onrechte toegewezen.

5.23

De grief slaagt. Het vonnis van de kantonrechter van 10 mei 2016 zal gedeeltelijk worden vernietigd en het hof zal in zoverre opnieuw recht doen, waarbij ook de staffel van de incassokosten zal worden aangepast.

5.24

Aangezien partijen (na aanpassing van het dictum door het hof) in eerste aanleg over en weer in het ongelijk worden gesteld, zal het hof bepalen dat partijen ieder de eigen kosten van de procedure in eerste aanleg dienen te dragen. Woonzorg zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (1 punt, tarief I).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 10 mei 2016 voor zover hierin is beslist:

"veroordeelt de gedaagde partij om:

a. aan de eisende partij te voldoen een bedrag van € 6.173,25 aan achterstallige huur verschuldigd tot 1 maart 2016 (en rente), vermeerderd met de wettelijke rente over € 6.171,37 vanaf 17 februari 2016, tot de dag waarop deze is voldaan;

b. aan de eisende partij te voldoen een bedrag van € 443,48 aan buitengerechtelijke incassokosten;"

en opnieuw recht doende, bepaalt dat het dictum in zoverre komt te luiden:

"veroordeelt de gedaagde partij om:

a. aan de eisende partij te voldoen een bedrag van € 2.494,52, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.494,52 vanaf 17 februari 2016 tot de dag waarop deze is voldaan;

b. aan de eisende partij te voldoen een bedrag van € 374,18 aan buitengerechtelijke incassokosten;"

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 10 mei 2016 voor zover hierin is beslist:

"veroordeelt de gedaagde partij in de kosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:

€ 471,00 aan griffierecht;

€ 94,08 aan explootkosten;

€ 1,97 aan informatiekosten;

€ 250,00 als salaris gemachtigde;

veroordeelt de gedaagde partij in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 100,00 aan salaris gemachtigde;"

en opnieuw recht doende, bepaalt dat het dictum in zoverre komt te luiden:

"bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten van de procedure dragen;"

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 10 mei 2016 voor het overige;

veroordeelt Woonzorg in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak vast op € 415,81 aan verschotten en op € 759,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.E.L. Fikkers en mr. O.E. Mulder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 augustus 2018.