Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7320

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
200.170.319/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid werknemer uit onrechtmatige daad, bewijskracht bestuursrechtelijke uitspraken, stelplicht, waardering bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0969
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.170.319/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/360328 HL ZA 14-8)

arrest van 14 augustus 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. E.T. Panneflek, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

De Politie,

zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 van de Politiewet 2012, waarvan de regionale eenheid Amsterdam het betreffende onderdeel is,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de Politie,

advocaat: thans mr. P.S.T. Huisbergen Henning-Awater, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, handelskamer, locatie Lelystad van

5 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 januari 2015,

- het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 21 april 2015, waarin de zaak ambtshalve is verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord (met producties),

- de akte na memorie van antwoord (met producties) van de zijde van [appellante] ,

- het gehouden pleidooi op 10 november 2016, waarbij de advocaten hun standpunten hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt.

2.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het ten behoeve van het pleidooi overgelegde dossier, aangevuld met het proces-verbaal van de zitting en de pleitnota's.

2.3

De griffier heeft bij brief van 20 februari 2018 partijen laten weten dat mr. Groefsema niet meer in staat is arrest te wijzen. Partijen is medegedeeld dat mr. O.E. Mulder voor hem in de plaats zal treden. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt en evenmin om een nieuwe behandeling verzocht.

2.4

De vordering van [appellante] luidt, samengevat, het vonnis van de rechtbank van 5 november 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de Politie alsnog af te wijzen met veroordeling van de Politie in de proceskosten in beide instanties.

3 De feiten

3.1

De rechtbank heeft onder de randnummers 2.1 t/m 2.11 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. Tegen die feitenvaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat het hof van deze feiten uit zal gaan. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden de feiten als volgt.

3.2

[appellante] is [in] 1993 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) de Politie. [appellante] werkte op het politiebureau “ [B] ” aan de [a-straat 1] te [C] . Vanaf 2002 vervulde [appellante] de functie van bedrijfsadministrateur en was zij in die hoedanigheid lid van het team Regionale Incasso Controle en Opsporing (RICO) van de afdeling Regionale Opsporing en Executie (ROE) van de Dienst Controle Infrastructuur en Verkeer (hierna: DCIV). DCIV houdt zich onder meer bezig met het innen van openstaande boetes. In de administratieve verwerking van boetes wordt een onderscheid gemaakt tussen executiegelden en parate executiegelden. Als boetes op het politiebureau worden betaald, worden de boetes aangemerkt als executiegelden. Worden de boetes buiten het politiebureau aan een dienstdoende agent voldaan dan is sprake van parate executiegelden.

3.3

Op 23 augustus 2007 heeft de Politie aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking en diefstal van een bedrag van € 57.386,22 aan executiegelden gedurende de periode van augustus 2006 tot maart 2007.

3.4

Vanwege de tegen [appellante] gerezen verdenking van verduistering in dienstbetrekking en diefstal heeft de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: de korpsbeheerder), de rechtsvoorganger van de Politie, bij besluit van 1 oktober 2007 een ordemaatregel genomen en [appellante] buiten functie gesteld. Dit besluit is opgevolgd door het besluit van 27 december 2007, waarbij [appellante] bij wege van ordemaatregel is geschorst.

3.5

Op 21 januari 2008 heeft de Politie aanvullende aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking en diefstal van een bedrag van € 5.263,01 aan parate executiegelden.

3.6

In het kader van de aangiftes van verduistering in dienstbetrekking en diefstal van contant geld is een financieel onderzoek naar de vermogenspositie van [appellante] in de periode van januari 2006 tot oktober 2007 gedaan. De bevindingen van dat financieel onderzoek zijn neergelegd in de processen-verbaal van 30 juli 2008 en 18 augustus 2008.

3.7

De Officier van Justitie heeft de advocaat van [appellante] bij brief van 24 februari 2009 bericht dat [appellante] niet verder strafrechtelijk zal worden vervolgd.

3.8

Bij brief van 14 juli 2009 heeft de korpsbeheerder aan [appellante] het voornemen kenbaar gemaakt om haar primair de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en subsidiair haar wegens functionele ongeschiktheid ontslag te verlenen. Tegen dit voornemen heeft [appellante] bij brief van 24 augustus 2009 een zienswijze ingediend.

3.9

Bij besluit van de korpsbeheerder van 9 oktober 2009 is aan [appellante] primair op grond van artikel 77 lid 1 onder j juncto artikel 82 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd onder de bepaling dat die straf onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. In datzelfde besluit is subsidiair aan [appellante] op grond van artikel 94 lid 1 onder g en lid 2 van de Barp met onmiddellijke ingang ontslag verleend wegens “het ontberen van de geschiktheid voor het door u beklede ambt”. De reden van het ontslag op de subsidiaire grond is gelegen in de ernst van de feiten, waarbij sprake is van een dringende reden op grond waarvan het onwenselijk is een opzegtermijn van 4 weken in acht te nemen.

3.10

[appellante] heeft daarop een WW-uitkering aangevraagd, welke aanvraag door het UWV bij besluit van 2 december 2009 is afgewezen. Volgens het UWV is [appellante] door het ontslag op grond van een dringende reden verwijtbaar werkloos geworden.

3.11

[appellante] heeft tegen het besluit van de korpsbeheerder haar te ontslaan bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van de korpsbeheerder van 19 maart 2010 ongegrond is verklaard.

3.12

[appellante] heeft ook bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV aan haar een WW-uitkering toe te kennen, waarna in de beslissing op bezwaar het UWV in verband met de nog lopende procedure tegen het ontslag bij besluit van 14 april 2010 het eerdere besluit van 2 december 2009 heeft herzien in die zin dat aan [appellante] een voorschot op een

WW-uitkering is geweigerd.

3.13

[appellante] is tegen de beslissing op bezwaar van de korpsbeheerder, waarbij het ontslag in stand werd gelaten, in beroep gekomen bij de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht (hierna: de bestuursrechter). De bestuursrechter heeft bij uitspraak van 18 februari 2011 het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen:

“2.17. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder [hof: de korpsbeheerder] het aannemelijk heeft kunnen vinden dat eiseres [hof: [appellante] ] zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen van het verduisteren van executiegelden. De rechtbank weegt daarin mee dat eiseres zich bij uitstek in de positie was om het geld te verduisteren, dat zij steeds vaker achterliep met het afstorten van de gedeponeerde gelden, wat kan worden verklaard door het zogenaamde schuiven met gelden, en het feit dat eiseres daar toch enig zicht op moet hebben gehad. Verder heeft eiseres geen afdoende verklaringen gegeven voor een aanzienlijk groot onverklaarbaar vermogen. En ten slotte is sprake van een gebleken motief. (...)

2.21.

Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit verduistering van gelden (...). Niet is gebleken dat het plichtsverzuim eiseres niet kan worden toegerekend. Vanwege de ernst van het plichtsverzuim acht de rechtbank de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig. Dat eiseres bijna zestien jaar zonder aanmerkingen op haar functioneren heeft gefunctioneerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.22.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de primaire grond tot ontslag in rechte stand houdt, wordt de beroepsgrond gericht tegen het subsidiaire standpunt verder niet meer besproken.”

3.14

Van de beslissing van de bestuursrechter, waarbij het ontslag in stand werd gelaten, is [appellante] in hoger beroep gekomen. De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft bij uitspraak van 8 november 2012 de uitspraak van de bestuursrechter bevestigd. De CRvB heeft daartoe onder meer overwogen:

“3.10. Het (...) vastgestelde plichtsverzuim inzake het verduisteren van executiegelden moet worden gekwalificeerd als zeer ernstig plichtsverzuim. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is, gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim niet onevenredig. De korpsbeheerder moet bij het beheer van executiegelden kunnen vertrouwen op de integriteit van de daarmee belaste werknemers. Appellante heeft dat vertrouwen ernstig beschaamd en ook afbreuk gedaan aan het beeld van een betrouwbaar en integer politiekorps waarop het publiek mag rekenen. Dit plichtsverzuim kan het ontslag zelfstandig dragen.”

3.15

Bij aangetekend verzonden brief van 19 november 2012 heeft de (rechtsvoorganger van de) Politie [appellante] aansprakelijk gesteld voor de schade die de Politie ten gevolge van de door [appellante] gepleegde verduistering en diefstal van het aan de Politie toebehorend bedrag van € 62.649,23, zijnde € 57.386,22 een executiegelden en € 5.263,01 aan parate executiegelden, heeft geleden en gesommeerd dit bedrag aan de Politie te betalen. Aan deze sommatie heeft [appellante] geen gevolg gegeven.

3.16

[appellante] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het UWV waarbij aan haar een voorschot op de WW uitkering is geweigerd. De bestuursrechter heeft dat beroep verworpen, van welke beslissing [appellante] bij de CRvB in hoger beroep is gekomen. De CRvB heeft bij uitspraak van 28 augustus 2013 het beroep van [appellante] gegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen:

“4.2. Uit de (...) rechtspraak volgt dat het Uwv een voorschot kan weigeren, indien er een goede reden is om te verwachten dat aan een betrokkene een WW-uitkering blijvend geheel zal worden geweigerd omdat aan zijn werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW, zodat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

4.3.

Ter beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, dient een materiële beoordeling plaats te vinden waarbij zowel de objectieve dringendheid van de door de werkgever meegedeelde ontslagreden, als de subjectieve dringendheid van die reden en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer moeten worden betrokken. (...)

4.4.

Voor het bepalen van de verwachting dat de maatregel van blijvende gehele weigering zal worden opgelegd is, in het geval de werknemer tegen het ontslag is opgekomen, een inschatting nodig van de afloop van de ontslagprocedure. Het bestreden besluit laat niet zien dat bij de beslissing over het al dan niet verlenen van een voorschot aan appellant deze inschatting is gemaakt. (…) Met het bestreden besluit is niet inzichtelijk gemaakt dat volgens het Uwv in het aangenomen plichtsverzuim ook een arbeidsrechtelijke dringende reden is geleden.

4.5.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit niet beoordeeld op basis van de verwachting die het Uwv kan hebben over de op te leggen maatregel ten tijde van het bestreden besluit. Zij heeft ten onrechte haar eigen oordeel gegeven in de tegelijkertijd besliste ontslagzaak, leidend geacht. De rechtbank heeft daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal moeten worden vernietigd.

4.6.

Ook het bestreden besluit zal moeten worden vernietigd, omdat dat, zoals volgt uit 4.4. een deugdelijke motivering mist en niet voldoet aan de eis van artikel 7:12, eerste lid van de Awb.

4.7.

Als de Raad tot vernietiging van het bestreden besluit beslist, ligt de vraag voor of de rechtsgevolgen daarvan in stand zouden kunnen blijven. (...) Het ontbreken van de stukken, die werkgeefster ten grondslag heeft gelegd aan het ontslagbesluit, waaronder een aantal getuigenverklaringen, brengt mee dat niet goed een oordeel kan worden gevormd over het vaststaan van de feiten en omstandigheden die voor werkgeefster redengevend zijn geweest voor het ontslag van appellante en over de aanwezigheid van een objectieve dringende reden voor dit ontslag.

4.8.

De Raad kan evenwel een beoordeling van de aanwezigheid van een objectieve dringende reden in het midden laten, omdat hij vaststelt dat er voor het ontslag in ieder geval gelet op het tijdsverloop geen subjectieve dringende reden was. (...) Alleen al de tijd die is verstreken tussen het moment waarop werkgeefster appellante van het ontslagvoornemen op de hoogte heeft gebracht totdat het ontslagbesluit viel, laat zien dat werkgeefster niet alles eraan was gelegen om de dienstbetrekking met appellante op zo kort mogelijk termijn te doen eindigen. (...)

4.9.

Toen het Uwv moest beslissen over een voorschot op de door appellante gevraagde WW-uitkering, had hij al kunnen vaststellen dat aan het ontslag geen arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag heeft gelegen, omdat niet is voldaan aan de eis van subjectieve dringendheid. Dat leidt tot het oordeel dat na vernietiging van het bestreden besluit de rechtsgevolgen daarvan niet in stand kunnen blijven.

4.10. (...)

Ter zitting is gebleken dat (...) het Uwv nog niet over het recht op WW-uitkering van appellante heeft beslist. Het ligt voor de hand dat het Uwv bij een herstel van zijn besluitvorming over een voorschot op de WW-uitkering thans ook de vaststelling van het recht van appellante op die uitkering betrekt.”

3.17

Het UWV heeft [appellante] daarop bij brief van 9 oktober 2013 bericht dat zij met ingang van 12 oktober 2009 een WW-uitkering krijgt. De WW-uitkering is toegekend over de periode vanaf 12 oktober 2009 tot en met 11 februari 2012. Het totaalbedrag over die periode, volgens opgave van de Politie een bedrag van € 54.487,98, heeft het UWV in november 2013 aan [appellante] betaald.

3.18

Het UWV heeft de Politie bij brief van 29 november 2013 bericht dat [appellante] een WW-uitkering ontvangt en bij brief van 8 december 2013 laten weten dat zij de kosten van de WW-uitkering op de Politie zal verhalen.

3.19

Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 9 december 2013 heeft de Politie op 10 december 2013 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ING Bank NV en ABN Amro Bank NV. De ING Bank NV heeft de Politie bericht dat zij uit hoofde van de rekening-courantverhouding met [appellante] ten tijde van het beslag niets aan [appellante] verschuldigd is. ABN Amro Bank NV heeft de Politie laten weten dat [appellante] op grond van haar bankrekening een bedrag van € 588,70 van ABN Amro Bank heeft te vorderen.

3.20

Op 5 november 2014 heeft de rechtbank het bestreden vonnis gewezen.

3.21

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft [appellante] bij vonnis in kort geding gewezen van 2 maart 2015 veroordeeld om, op straffe van een dwangsom, aan de Politie:

  • -

    maandelijks “schriftelijk, nauwkeurig, gespecificeerd en waarheidsgetrouw” opgave te doen van haar “binnen- en buitenlandse” inkomen- en vermogenspositie,

  • -

    “schriftelijk, nauwkeurig en gespecificeerd en waarheidsgetrouw” inlichtingen te verstrekken over wat er is gebeurd met de eind 2013 ontvangen WW-uitkering van € 54.487,98.

4 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

4.1

De Politie heeft na wijziging van eis, samengevat, bij de rechtbank gevorderd [appellante] :

  1. te veroordelen tot betaling van € 117.137,21, bestaande uit € 62.649,23 wegens verduisterde gelden en € 54.487,98 wegens door [appellante] ontvangen WW-uitkering, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  2. op straffe van een dwangsom, althans op straffe van een lijfsdwang als de dwangsommen zijn verbeurd, te veroordelen tot het doen aan de Politie van een nauwkeurig en gespecificeerde schriftelijke opgave van haar binnen- en buitenlandse inkomens- en vermogenspositie en haar binnen- en buitenlandse voor verhaal vatbare goederen en dieren en vervolgens telkens na verloop van dertig dagen wederom en op gelijke wijze die opgave te doen totdat [appellante] haar betalingsverplichtingen aan de Politie heeft voldaan,

  3. te veroordelen in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

4.2

Aan de vordering tot betaling van € 62.649,23 heeft de Politie ten grondslag gelegd dat [appellante] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door aan haar toebehorend geld te verduisteren, althans dat de Politie dat bedrag aan [appellante] onverschuldigd heeft betaald, althans dat [appellante] tot dat bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Politie net aan de voor haar geldende stelplicht heeft voldaan. Volgens de rechtbank hebben de bestuursrechtelijke uitspraken van de rechtbank Amsterdam en de CRvB geen formele rechtskracht. Die uitspraken hebben vrije bewijskracht. Vanwege de uitvoerige motivering van beide uitspraken kent de rechtbank daaraan een grote bewijskracht toe. [appellante] heeft de stellingen van de Politie slechts in zeer algemene termen weersproken, zodat de Politie naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellante] gelden heeft verduisterd. Het door de Politie gevorderde bedrag van € 62.649,23 is door [appellante] niet betwist, zodat de rechtbank dit deel van de vordering heeft toegewezen.

4.3

De vordering tot betaling van € 54.487,98 wegens door [appellante] ontvangen WW-uitkering heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft uit de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2013 afgeleid dat de subjectieve dringende reden aan het aan [appellante] gegeven ontslag ontbreekt doordat de Politie onvoldoende voortvarend [appellante] heeft ontslagen nadat zij [appellante] was gaan verdenken van verduistering en diefstal. Daardoor kon [appellante] aanspraak maken op een WW-uitkering, hetgeen volgens de rechtbank in de risicosfeer van de Politie ligt. Dit leidt er volgens de rechtbank toe dat de Politie niet aan haar verplichting de schade te beperken heeft voldaan, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.

4.4

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat [appellante] driemaal per jaar op verzoek van een door de Politie ingeschakelde deurwaarder opgave dient te doen van haar actuele binnen- en buitenlandse inkomens- en vermogenspositie en de binnen- en buitenlandse voor verhaal vatbare goederen en dieren totdat de gehele vordering is voldaan. De gevorderde dwangsom en lijfsdwang heeft de rechtbank afgewezen. De beslissing op deze vordering heeft de rechtbank evenwel niet in het dictum van het bestreden vonnis opgenomen.

4.5

De rechtbank heeft [appellante] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeeld tot betaling van € 62.649,23, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2008 tot aan de dag van volledige betaling met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

5 De beoordeling in hoger beroep

grieven

5.1

[appellante] heeft tegen het bestreden vonnis vier grieven ontwikkeld. Met grief 1 bestrijdt [appellante] dat de Politie aan de stelplicht heeft voldaan en dat aan de uitspraken van de rechtbank en de CRvB een grote bewijskracht kan worden toegekend. [appellante] komt met grief 2 op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de stellingen van de Politie in zeer algemene termen en daarmee onvoldoende heeft weersproken. De door de rechtbank in de overwegingen genoemde informatieplicht over haar actuele inkomens- en vermogenspositie wordt bestreden met grief 3. In de slotgrief, grief 4, bestrijdt [appellante] de toegewezen hoofdsom met rente en de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

bewijskracht bestuursrechtelijke uitspraken in civielrechtelijke procedure

5.2

Volgens de Politie blijkt uit de uitspraak van de bestuursrechter van 18 februari 2011 en de uitspraak in hoger beroep van 8 november 2012 van de CRvB dat [appellante] gelden heeft verduisterd. Die uitspraken hebben volgens de Politie formele rechtskracht, zodat het hof gebonden is aan de bindende kracht van het feitelijk oordeel dat in die uitspraken is gegeven.

5.3

Het hof volgt de Politie hierin niet. Het leerstuk van de formele rechtskracht heeft betrekking op bestuursrechtelijke besluiten. De bestuursrechter heeft over het bestuursrechtelijke besluit met betrekking tot het aan [appellante] gegeven ontslag geoordeeld en dat besluit in stand gelaten. Dat besluit tot ontslag heeft een andere inhoud dan de onderhavige vordering tot vergoeding van schade wegens verduistering of diefstal. De burgerlijke rechter heeft vanwege de formele rechtskracht weliswaar uit te gaan van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van het besluit tot ontslag, maar is niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die aan dat besluit ten grondslag zijn gelegd (HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1).

feitelijke onderbouwing van de vordering van de Politie

5.4

Alvorens de grieven 1 en 2 te beoordelen, zal het hof - gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep - eerst de feiten en omstandigheden weergeven die de Politie in hoger beroep aan haar vordering tot betaling van verduisterde gelden ten grondslag heeft gelegd.

5.5

De administratieve procedure voor de afhandeling van contante betalingen van executiegelden is beschreven in het (interne) document “Taken RICO bij administratieve afhandeling van betaalde boetes”. De Politie heeft toegelicht dat in deze administratieve procedure drie fasen worden onderscheiden.

De eerste fase betreft de handelwijze van de politiemedewerker van DCIV die het contante bedrag aan boete ontvangt. Na ontvangst van het geldbedrag maakt deze politiemedewerker een kwitantie en een proces-verbaal afhandeling signaleringen en de voorlopige maatregel, het zogeheten M-121 formulier, op. Het geldbedrag, de kwitantie en het M-121 formulier worden in een envelop, de zogeheten WaardeZak (WaZa), gestopt die daarna wordt verzegeld. De verzegelde WaardeZak wordt meteen via een sleuf in de afstortkluis op het politiebureau “ [B] ” gedeponeerd. Een kopie van het M-121 formulier wordt naar de administratie van het team RICO van de afdeling ROE gestuurd. Een administratief medewerker van RICO maakt in het administratieve systeem waarin de personen staan “gesignaleerd” die een boete moeten betalen, “Parket Amsterdam Politie Opsporing Systeem” (PAPOS) geheten, bij de desbetreffende persoon een aantekening, te weten code “BETAL DISTRI”, dat de boete is ontvangen.

De tweede fase heeft betrekking op de kluisprocedure. Iedere twee weken worden alle WaardeZakken door de bedrijfsadministrateur uit de afstortkluis gehaald. Deze Waarde-Zakken worden direct gecontroleerd en geadministreerd. Aan de hand van de inhoud van iedere WaardeZak worden op een staat van ontvangen gelden, het M-87 formulier, genoteerd de datum van betaling, de naam van de gesignaleerde, het kwitantienummer, het bedrag in contanten (of in een aparte kolom het gepinde bedrag) en het stamnummer. De bedragen in de kolom van contanten (en de kolom met gepinde bedragen) worden opgeteld. Op een staat van ontvangen gelden kunnen maximaal 15 betalingen worden vermeld. Vervolgens worden de nummers van de staat van ontvangen gelden (M-87 formulieren) met het totaalbedrag aan contanten (en gepinde bedragen) op een verzamelstaat vermeld. Op een verzamelstaat kunnen maximaal 12 nummers van staat van ontvangen gelden worden genoteerd. De verzamelstaat, de daarbij behorende staat van ontvangen gelden (M-87 formulieren) en de contante bedragen worden in een envelop gestopt. Die envelop wordt nog dezelfde dag aangeboden aan de Dienst Financiële Economische Ondersteuning (DFEO), die ook in het politiebureau is gehuisvest. DFEO stort het ontvangen contante geldbedrag op de tussenrekening van RICO bij de Centrale Kas van de regionale eenheid Amsterdam van de Politie. DFEO beheert de Centrale Kas.

In de derde fase wordt aan de administratief medewerker van RICO de storting van de boetes bij de Centrale Kas gemeld, waarna die administratief medewerker de signalering van de boete uit PAPOS verwijdert. DFOE betaalt vanaf de tussenrekening bij de Centrale Kas de ontvangen boetes aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB).

De administratieve procedure bij een gepinde betaling van de boete is gelijkluidend, zij het dat het gepinde bedrag direct op een tussenrekening van RICO wordt gestort en het pinbonnetje in de WaardeZak wordt gestopt.

5.6

De procedure bij parate executiegelden is volgens de Politie als volgt. Voor de ontvangst van parate executiegelden wordt een kwitantie afgegeven. De inning van parate executiegelden wordt niet in PAPOS afgeboekt, maar direct in het systeem Tobias ingevoerd. Ook worden er voor parate executiegelden geen staat van ontvangsten (M-87 formulieren) opgemaakt. Gelden van parate executie worden in dezelfde afstortkluis als de executiegelden gestort.

5.7

Volgens de Politie was [appellante] belast met de werkzaamheden van de bedrijfsadministrateur in de tweede fase van de administratieve procedure voor executiegelden en met de verwerking van de parate executiegelden die in de afstortkluis waren gestort. [appellante] beschikte, samen met haar collega [D] , over de sleutel van de afstortkluis. In de praktijk deed alleen [appellante] deze werkzaamheden. [appellante] en [D] deelden een kamer. Op die kamer was een andere kluis aanwezig die in de praktijk alleen door [appellante] werd gebruikt.

5.8

Volgens de Politie heeft [appellante] in ieder geval in de periode van augustus 2006 tot maart 2007 na het legen van de afstortkluis uit verschillende WaardeZakken contant geld weggenomen. Teneinde dit te verhullen heeft zij in strijd met de voorgeschreven administratieve procedure voor executiegelden gehandeld.

In een aantal gevallen vermeldde [appellante] de gegevens uit de WaardeZak niet op de staat van ontvangen gelden of liet [appellante] die staat van ontvangen gelden en de documenten uit de WaardeZak verdwijnen. Daardoor kwamen die gegevens, waaronder de contante bedragen, ook niet op een verzamelstaat en werden die contante bedragen ook niet aangeboden aan DFEO.

In een aantal andere gevallen werden de gegevens uit de WaardeZakken op een staat van ontvangen gelden vermeld, het contante geld door [appellante] weggenomen en deed zij de documenten in de kluis op haar kamer. De gegevens werden later door haar op een verzamelstaat vermeld waarbij zij later gestorte contante bedragen gebruikte voor afdracht van de bedragen die op die eerder opgemaakte staat van ontvangen gelden stonden. Met dit schuiven van geld dekte [appellante] de verduistering van die eerdere gelden af.

5.9

De Politie heeft de stelling dat [appellante] contant geld wegnam zonder de in de afstortkluis gestorte bedragen en formulieren op een staat van ontvangen gelden of verzamelstaat te vermelden met de volgende voorbeelden toegelicht.

De medewerker [E] heeft onder auspiciën van [appellante] uit een WaardeZak een op

3 oktober 2006 betaald bedrag aan boete van € 1.959,44 en een kwitantie met nummer 134029 gehaald. Hiervan is door [E] de staat van ontvangen gelden opgemaakt (nummer 920/106). Voor haar eigen administratie heeft [E] daarvan een kopie gemaakt. Vervolgens heeft [E] het contante geld, de kwitantie en de staat van ontvangen gelden aan [appellante] gegeven, waarna [appellante] de staat van ontvangen gelden heeft geparafeerd. [appellante] heeft die staat van ontvangen gelden evenwel niet op enige verzamelstaat vermeld. Het bedrag van € 1.959,44 is ook nooit aan de Centrale Kas aangeboden.

[F] , administratief medewerker van het team RICO en onder meer belast met het aantekenen en opheffen van signaleringen in PAPOS (de eerste en derde fase van de administratieve procedure), is op enig moment gebeld door het CJIB. Het CJIB klaagde erover dat zij van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland nog niet de boete had ontvangen die een klant aan een politiemedewerker van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland had betaald. [F] constateerde dat in PAPOS stond dat de klant de boete had betaald aan een politiemedewerker van de dienst DCIV. Er was echter geen melding gedaan dat het geldbedrag op de rekening van de Centrale Kas was gestort. Volgens de Politie heeft [appellante] dat bedrag uit de afstortkluis gehaald en niet op enige staat van ontvangen gelden of verzamelstaat vermeld en daarmee ook niet afgedragen.

5.10

Dat [appellante] met geld schoof door geld weg te nemen en de bedragen op staat van ontvangen gelden afdroeg met later afgestort geld, blijkt volgende de Politie uit de volgende voorbeelden.

Zeven staten van ontvangen gelden met vermelding van boetes, die in de maanden augustus, september en november 2006 aan een politiemedewerker zijn betaald en kort na de betaling in de afstortkluis zijn gestort, zijn eerst met de daarop vermelde ontvangen contante bedragen van in totaal € 8.557,54 vermeld op de door [appellante] ondertekende verzamelstaat van 5 december 2006. Het contante bedrag van € 8.557,54 is op 14 december 2006 gestort op de tussenrekening van team RICO bij de Centrale Kas.

Op de verzamelstaat van 5 december 2006 heeft [appellante] niet alle in augustus, september en november 2006 ontvangen boetes vermeld. Zo staan op de eveneens door [appellante] ondertekende verzamelstaat van 18 januari 2007 nog acht staten van ontvangen gelden van boetes die (vooral) in die maanden augustus, september en november 2006 zijn ontvangen. Het totaalbedrag van contant ontvangen gelden op die verzamelstaat bedraagt € 16.032,16. Dat geldbedrag is op 2 februari 2007 gestort op de tussenrekening van team RICO bij de Centrale Kas.

Ook op de door [appellante] ondertekende verzamelstaat van 15 maart 2007 staan nog 9 staten van ontvangen gelden met vermelding van ontvangen boetes in de maanden september, oktober en december 2006 en januari, februari en maart 2007. Het totaalbedrag aan contante betalingen op die verzamelstaat is € 25.438,06. Dat bedrag is op 22 maart 2007 gestort op de tussenrekening van team RICO bij de Centrale Kas.

Zelfs op de door [appellante] ondertekende verzamelstaat van 2 mei 2007 staan nog 3 formulieren van ontvangen gelden van september, oktober en november 2006 die kort na betaling van de boetes in de afstortkluis zijn gestort. Het totaalbedrag aan contante betalingen op die verzamelstaat van € 7.102,76 is op 10 mei 2007 gestort op de tussenrekening van team RICO bij de Centrale Kas.

Nadat [appellante] zich in mei 2007 ziek had gemeld, werd [G] verantwoordelijk voor de werkzaamheden in de tweede fase van de administratieve fase van de executiegelden. [G] trof in de kluis op de kamer van [appellante] en [D] de inhoud van een groot aantal WaardeZakken aan die eerder in de afstortkluis waren gestort, door [appellante] uit die afstortkluis waren gehaald, maar door [appellante] niet overeenkomstig de administratieve procedure meteen waren verwerkt, maar door haar in de kluis op haar kamer waren gedaan. Bovendien ontbraken in die kluis een groot deel van de volgens de daarin aangetroffen M-87 formulieren betaalde contante bedragen aan boetes. Sinds [G] de werkzaamheden van [appellante] heeft overgenomen, zijn geen gelden meer zoek geraakt.

5.11

Politiemedewerker [H] heeft samen met politiemedewerkster [F] onderzoek gedaan naar betalingen die in de eerste fase in de administratieve fase in PAPOS waren geregistreerd maar niet bij DFEO waren gestort (en daarmee ook niet in de derde fase in de administratieve procedure bij PAPOS geregistreerd) in de periode van augustus 2006 tot maart 2007. Uit hun onderzoek bleek dat in die periode een bedrag van € 57.386,22 aan executiegelden ontbrak. Van de niet afgedragen executiegelden tot het bedrag van € 57.386,22 hebben zij een overzicht gemaakt dat aan de op 23 augustus 2007 gedane aangifte van verduistering en diefstal is gehecht.

[H] en [F] hebben ook onderzoek gedaan naar in die periode gestorte parate executiegelden in de afstortkluis en constateerden dat bedragen met een totaal van € 5.263,01 wel in het kwitantieboek waren verwerkt en op de lijst van ontvangen gelden stonden vermeld, maar niet waren afgedragen aan de Centrale Kas. Van dat totaalbedrag aan parate executiegelden is op 22 januari 2008 aangifte gedaan. De lijst van ontbrekende bedragen aan parate executiegelden is aan het proces-verbaal van aangifte gehecht.

5.12

Dat [appellante] tot (tenminste) het gevorderde bedrag aan schadevergoeding heeft ontvreemd, blijkt volgens de Politie ook uit het financieel onderzoek dat in het kader van het strafrechtelijk onderzoek is verricht en waarvan de uitkomst is neergelegd in de processen-verbaal van 30 juli 2008 en 18 augustus 2008. In dat financieel onderzoek wordt een onderscheid gemaakt tussen zichtbare gelden en onzichtbare gelden.

Van de zichtbare gelden op de privé bankrekeningen van [appellante] en/of haar man [I] kan van € 24.709,- aan contant gestorte bedragen de herkomst niet worden verklaard. Een voorbeeld is de door [appellante] en haar man [I] gedane betaling aan de bank toen hun huis executoriaal wegens een hypothecaire schuld dreigde te worden verkocht. De hypothecaire schuld bedroeg € 7.495,84 en op 14 maart 2006 stond de veiling gepland. Op 6 maart 2006 is van de privé bankrekening van [I] betaald. Dat bedrag was kort daarvoor in contanten op de bankrekening van [I] gestort. Dit moet volgens de Politie contante bedragen betreffen die [appellante] (kort) daarvoor van de Politie had ontvreemd.

Ten aanzien van de onzichtbare gelden heeft de Politie op de volgende bevindingen in het financieel onderzoek gewezen. [appellante] heeft voor haar gezin van 6 personen (4 kinderen) in de 21 maanden beslaande onderzoeksperiode in totaal € 1.736,- giraal aan primaire levensbehoeften uitgegeven. Dat is € 20,67 per week. De primaire levensbehoefte voor [appellante] en haar gezin is veel groter dan € 20,67 per week, zodat volgens de Politie de primaire levensbehoeften vooral met contant geld zijn betaald dat niet van de bankrekening was gehaald maar door [appellante] bij de Politie was verduisterd.

Een ander voorbeeld van onzichtbare gelden zijn de vakanties van [appellante] . Uit het financieel onderzoek blijkt dat [appellante] en/of haar gezinsleden in de onderzochte periode van

21 maanden op vakantie naar Italië (Milaan), Portugal, de Verenigde Staten (Miami) en driemaal naar Suriname zijn geweest. Van de reis- en verblijfkosten van deze vakanties is nagenoeg geen giraal spoor te vinden. Hierdoor acht de Politie aannemelijk dat de reis- en verblijfkosten van deze vakanties vooral zijn betaald met contant geld dat [appellante] bij de Politie heeft verduisterd.

5.13

Ter onderbouwing van haar stellingen heeft de Politie overgelegd de verklaringen van [J] , [F] , [E] , [H] en [G] die in het strafrechtelijk onderzoek zijn afgelegd, de processen-verbaal betreffende het financieel onderzoek van

30 juli 2008 en 18 augustus 2008 en de gerechtelijke uitspraken betreffende het aan [appellante] gegeven ontslag en de aanvrage voor een WW-uitkering.

verweer [appellante]

5.14

[appellante] voert aan dat zij niet op de hoogte was van de administratieve procedure met betrekking tot de executiegelden en parate executiegelden. Bovendien werd op naleving van die procedure niet toegezien. Hierdoor kan aan haar niet het verwijt worden gemaakt dat zij in strijd met die procedure heeft gehandeld, aldus [appellante] .

Voorts betwist [appellante] dat politieagenten meteen na ontvangst van een boete een M-121 formulier opmaakten, dat formulier met de kwitantie en het geldbedrag in de WaardeZak stopten en die WaardeZak in de afstortkluis deponeerden. Dat gebeurde ook (veel) later dan de ontvangst van de boete, zodat aan haar niet het verwijt kan worden gemaakt dat de formulieren van staat van ontvangen gelden en de verzamelstaten (veel) later werden opgemaakt dan het tijdstip waarop de WaardeZakken in de afstortkluis waren gestort. Verder wijst [appellante] erop dat verschillende door de Politie overgelegde staten van ontvangen gelden niet zijn gedateerd, zodat niet bewezen is dat de verzamelstaat (veel) later dan die staten van ontvangen gelden is opgemaakt. Volgens [appellante] werden de staat van ontvangen gelden door anderen ingevuld. Ter illustratie heeft [appellante] gewezen op de staat van ontvangen gelden van 12 september 2006 die is opgemaakt door een medewerker met stamnummer 15036. [appellante] controleerde de staat van ontvangen gelden met de inhoud van de WaardeZak en parafeerde dan de staat van ontvangen gelden. Door de hoge werkdruk, waarvoor [appellante] meerdere malen aandacht heeft gevraagd, werden de staten van ontvangen gelden niet altijd meteen door haar verder verwerkt. Zij stopte dan de gegevens in de kluis op haar werkkamer en verwerkte de gegevens als zij daar tijd voor had. Daardoor kon het voorkomen dat verzamelstaten later werden opgemaakt. Doordat M-121 formulieren niet meteen in de afstortkluis werden gestort en derden de staat van ontvangen gelden opmaakten, staat volgens [appellante] niet vast dat zij met contant geld schoof teneinde verduistering te verhullen. [appellante] betwist ook dat zij dat heeft gedaan.

5.15

[appellante] voert verder aan dat ook anderen in de gelegenheid waren contant geld weg te nemen. Zo had haar leidinggevende [D] ook een sleutel van de afstortkluis. Uit een van de verklaringen blijkt dat gezien is dat hij nonchalant met de gedeponeerde gelden in de afstortkluis omging. Volgens [appellante] heeft ook mee te wegen dat de Politie zich beroept op indirect bewijs. Er is geen “keihard” bewijs dat [appellante] geld heeft weggenomen. Het verwijt wordt uit de omstandigheden afgeleid. Daarbij heeft volgens [appellante] ook mee te wegen dat haar leidinggevende [D] onder ede heeft verklaard dat hij zich niet kan voorstellen dat [appellante] contant geld heeft verduisterd.

5.16

[appellante] betwist dat zij een motief heeft gehad om gelden te verduisteren. De dreigende executoriale verkoop van haar woning was geen gevolg van te weinig inkomsten, maar had van doen met problemen met de juiste prioriteiten stellen. [appellante] heeft geen buitensporig uitgavenpatroon, zodat volgens haar bij een juiste prioriteitstelling geen achterstanden in de hypothecaire verplichtingen waren ontstaan.

[appellante] heeft erkend dat op 10 februari 2006 € 4.980,- en op 2 maart 2006 € 3.950,- op de privé rekening van haar man [I] is gestort. Volgens [appellante] hebben deze stortingen aan contante bedragen betrekking op een belastingteruggave en een aan haar man [I] toekomende ontslagvergoeding. Zo is de belastingteruggave naar de privérekening van [appellante] overgemaakt, waarna in verband met een snelle overboeking vanaf de bankrekening van haar man [I] naar de hypotheekverstrekker [appellante] dit bedrag contant van haar bankrekening heeft opgenomen en op de privérekening van [I] heeft gestort.

[appellante] betwist dat uit de geringe girale uitgaven tijdens vakanties blijkt dat zij de vakanties heeft betaald met contant geld dat niet van haar bankrekening afkomstig is. [appellante] verwijt de Politie dat in het onderzoek er geen rekening mee is gehouden dat [appellante] niet telkenmale met het gehele gezin van 6 personen op vakantie ging, maar dat zij een aantal reizen ook alleen of alleen met haar man of alleen met een of twee kinderen maakte. Verder verbleef zij tijdens de vakanties meestal bij familieleden en kennissen waardoor de kosten niet hoog waren. Een aantal reizen is ook door een derde, de heer [K] , betaald.

Voor wat het zichtbaar vermogen betreft, blijkt volgens [appellante] uit een kastelling dat zij in de periode van 1 januari 2006 t/m 7 oktober 2007 ongeveer € 7.600,- meer heeft uitgegeven dan zij aan inkomsten heeft ontvangen. Dat verschil komt onder andere door de contante uitbetaling van de aan haar man toekomende ontslagvergoeding. Een reden daarvoor kan ook zijn contante betalingen die zij van kennissen en familieleden ontving nadat zij eerder aan hen leningen had verstrekt. Bovendien ontving [appellante] voor haar gehandicapte dochter een pgb uitkering. De zorg verleenden [appellante] en haar man zelf, zodat de zorg goedkoper kon worden ingekocht en een deel van de ontvangen pgb gelden kon worden behouden en besteed aan bijvoorbeeld huishoudelijke kosten.

stelplicht, verweer en waardering bewijs

5.17

Het hof stelt vast dat [appellante] niet heeft betwist dat haar werkzaamheden betrekking hadden op de tweede fase van de administratieve procedure voor de inning en verwerking van executiegelden. [appellante] bestrijdt weliswaar dat zij bekend was met het document “Taken RICO bij administratieve afhandeling van betaalde boetes”, maar betwist niet dat zij [G] , zoals [G] heeft verklaard, heeft gewezen op de kluisprocedure, dat het document voor de wijze waarop de boetes administratief moesten worden afgehandeld op intranet stond en voor haar te raadplegen was en betwist zij evenmin dat tot haar werkzaamheden behoorde dat zij geregeld de afsluitkluis had te legen, na leging zo spoedig mogelijk een staat van ontvangen gelden had op (te laten) maken en die staten van ontvangen gelden op een verzamelstaat had te vermelden en de contante bedragen die op de verzamelstaat stonden bij het inleveren van de documenten had te storten.

[appellante] heeft evenmin gemotiveerd betwist de feitelijke voorbeelden die de Politie ter onderbouwing van haar stellingen, hiervoor weergegeven onder de randnummers 5.9 en 5.10, heeft gegeven.

Voorts is niet in geschil dat [appellante] in de gelegenheid was op de door de Politie gestelde wijze contant geld te verduisteren.

[appellante] heeft alleen aangevoerd dat uit die feiten en omstandigheden niet de conclusie kan worden getrokken dat daaruit blijkt dat zij contant geld heeft weggenomen en dat zij met geld heeft geschoven teneinde verduistering van gelden te verdoezelen.

5.18

Op het verweer van [appellante] dat de politiemedewerkers niet meteen na de inning van een boete de formulieren en het contante geld in de afstortkluis stortte maar daar enige tijd overheen ging, heeft de Politie overgelegd een overzicht met de data van ontvangen gelden. Uit dat overzicht blijkt op welke data de staten van ontvangen gelden zijn opgemaakt. Die data komen overeen met de maanden waarin de boetes contant zijn betaald en in het PAPOS systeem in de eerste fase als betaald zijn geregistreerd. De verzamelstaat van die staten van ontvangen gelden is door [appellante] echter veel later opgemaakt. Daarmee is komen vast te staan dat [appellante] de verzamelstaat voor de staten van ontvangen gelden, zoals genoemd in de voorbeelden onder 5.10, veel later opmaakte dan het tijdstip waarop die staten van ontvangen gelden na het legen van de afstortkluis waren gemaakt. Overigens wordt het later opmaken van de verzamelstaten door [appellante] ook erkend doordat zij niet betwist dat zij geregeld op haar achterstand op het verwerken van de staten van ontvangen gelden is aangesproken en aanvoert dat die achterstand veroorzaakt zou zijn door haar werkdruk. Dit laatste geeft ook steun aan de verklaring van [G] dat, toen zij de werkzaamheden van [appellante] moest overnemen, zij in de kluis op de kamer van [appellante] een grote hoeveelheid niet verwerkte M-121 formulieren aantrof zonder de daarbij behorende contante gelden. Hiermee heeft de Politie voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] door staten van ontvangen gelden veel later te verwerken voor zichzelf de mogelijkheid heeft geschapen om met later ontvangen contant geld de boetes af te dragen die eerder waren betaald en op staten van ontvangen gelden stonden vermeld maar waarvan de contante bedragen door [appellante] waren verduisterd. Om deze handelwijze verborgen te houden had [appellante] belang bij een voortdurende achterstand in het verwerken van de staten van ontvangen gelden, omdat bij het wegnemen van die achterstand het gemis aan contant geld ontdekt zou worden.

5.19

Voorts blijkt uit de overgelegde verklaringen, waaronder de verklaring van haar leidinggevende [D] , dat alleen [appellante] de afstortkluis leegde. [D] had weliswaar ook de mogelijkheid de afstortkluis te legen, maar hij deed dat niet. [appellante] heeft dat ook niet gemotiveerd betwist. [appellante] heeft er op gewezen dat uit een van de verklaringen in het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat [D] doende was met het legen van een WaardeZak en de inhoud van die WaardeZak onbeheerd liet. Die waarneming is echter niet gedaan tijdens de periode dat [appellante] haar werkzaamheden deed, maar in augustus 2007 toen zij al enige maanden ziek thuis zat en haar werkzaamheden door [G] waren overgenomen. Bovendien is ook tegen [D] een strafrechtelijk onderzoek gestart en heeft in het kader van dat onderzoek een financieel onderzoek naar de financiën van [D] plaats gevonden, maar heeft dat – anders dan bij [appellante] – niet tot enige verdenking geleid. Hierdoor geeft dit geen steun aan de stelling van [appellante] dat tijdens de periode dat zij die werkzaamheden deed ook [D] die werkzaamheden verrichtte en daarbij onzorgvuldig te werk ging waardoor hij of derden contant geld zouden kunnen wegnemen. Voorts hadden derden tijdens haar vakanties weliswaar toegang tot de afstortkluis, maar [appellante] heeft niet gesteld en onderbouwd dat de (parate) executiegelden die ontbreken juist in haar vakantieperiodes zouden zijn ontvreemd. Dat blijkt ook niet uit de door de Politie overgelegde stukken met data.

5.20

[appellante] heeft niet gemotiveerd betwist de uitkomsten van het onderzoek van de politiemedewerkers [H] en [F] naar de ontbrekende bedragen aan (parate) executiegelden in de periode augustus 2006 tot maart 2007. Uit hun onderzoek bleek dat in die periode een bedrag van € 57.386,22 aan executiegelden en een bedrag van € 5.263,01 aan parate executiegelden wel als betaald stonden geregistreerd, maar uiteindelijk niet in de Centrale Kas waren gestort en daarmee ontbrak.

5.21

Ter ondersteuning dat [appellante] contant geld heeft weggenomen, heeft de Politie onder meer gewezen op de contante bedragen die zij regelmatig kort na het einde van haar werktijd bij een bankautomaat in de buurt van het politiebureau “ [B] ” stortte op haar bankrekening of op die van haar man [I] . Door [appellante] is geen toereikende verklaring gegeven waarom zij na haar werktijd contante bedragen stortte en waar zij dat contante geld vandaan had.

Voorts heeft [appellante] gesteld dat een belangrijk deel van de volgens de Politie niet verklaarbare zichtbare gelden afkomstig is van de belastingdienst en de aan haar man [I] toekomende vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [appellante] heeft deze stellingen echter niet met stukken onderbouwd. Gebruikelijk is dat een teruggave van de belastingdienst in een besluit wordt vastgelegd en het bedrag giraal wordt overgemaakt. [appellante] stelt dat in haar geval het bedrag contant is voldaan. [appellante] heeft echter niet toegelicht waarom in haar geval door de belastingdienst een contante betaling is gedaan, op welke wijze en wanneer die contante betaling is gedaan en welke beslissing van de belastingdienst daaraan ten grondslag ligt. [appellante] heeft evenmin bewijsstukken van de beslissing van de belastingdienst en de contante betaling overgelegd.

Een werkgever is gewoon een aan een werknemer toekomend loon of vergoeding giraal over te maken. [appellante] stelt dat aan [I] een beëindigingsvergoeding is toegekend en dat de werkgever dat bedrag contant heeft voldaan. Ook in dit geval heeft [appellante] niet de regeling overgelegd waaruit die gestelde beëindigingsvergoeding blijkt, wanneer dat bedrag is betaald en waaruit blijkt dat die betaling contant is gedaan.

[appellante] heeft evenmin een toereikende verklaring gegeven voor de herkomst van de - op zichzelf door [appellante] niet bestreden - storting van contant geld op de bankrekening van haar man [I] ten behoeve van de hypotheekhouder teneinde een executie van de woning te voorkomen.

[appellante] heeft evenmin betwist dat uit haar financiële administratie blijkt dat giraal € 20,67 per week aan huishoudelijke boodschappen voor een gezin van 6 personen werd betaald. [appellante] heeft niet bestreden dat haar werkelijke uitgaven hoger lagen, maar heeft niet toereikend toegelicht op welke wijze zij die hogere uitgaven bekostigde. Zo heeft [appellante] niet gesteld en onderbouwd dat die huishoudelijke uitgaven werden gedaan door geldopnames van haar bankrekening. [appellante] heeft gesteld dat zij contant geld terugkreeg van familieleden en vrienden aan wie zij geld zou hebben geleend, maar dat is gemotiveerd door de Politie bestreden. Uit het financieel onderzoek is gebleken dat de deelnemers aan het door [appellante] beheerde “familiespaarpotje” hun periodieke bijdragen giraal aan [appellante] betaalden en niet contant.

Ook de geringe girale uitgaven tijdens de vakanties van [appellante] zijn niet toereikend verklaard. Zo heeft de door haar genoemde [K] volgens haar eigen verklaring enkel de stedentrip naar Milaan betaald.

Uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat [appellante] de onderbouwde stellingen van de Politie niet of niet voldoende heeft weersproken. Daarmee kan van de juistheid van de stellingen van de Politie worden uitgegaan.

5.22

[appellante] heeft op zichzelf terecht opgemerkt dat uit de door de Politie overgelegde bewijsstukken niet blijkt dat door een van haar collega’s is gezien of anderszins, zoals camerabeelden, blijkt dat [appellante] contant geld heeft weggenomen.

Uit de werkwijze van [appellante] en haar financiële situatie, zoals dat is komen vast te staan uit de door de Politie overgelegde ambtsedig opgemaakte processen verbaal en hiervoor is weergegeven, en mede gelet op de bevindingen van de bestuursrechter in het kader van het aan [appellante] gegeven ontslag, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat [appellante] contant geld van de Politie heeft weggenomen tot tenminste de gevorderde bedragen. Met deze handelwijze heeft [appellante] onrechtmatig jegens de Politie gehandeld en heeft zij de daardoor geleden schade te vergoeden. De grieven 1 en 2 slagen niet.

5.23

Bij de behandeling van grief 3, waarin [appellante] opkomt tegen het oordeel van de rechtbank over de op [appellante] rustende informatieplicht over haar actuele inkomens- en vermogenspositie, heeft [appellante] geen belang. De rechtbank heeft in het dictum van het vonnis daarover geen beslissing opgenomen en de Politie is daartegen niet opgekomen.

5.24

Grief 4 is een veeggrief en mist zelfstandige betekenis.

Slotsom

De grieven falen. Bij deze uitkomst blijven ook de proceskosten in eerste aanleg in stand. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Het salaris van de advocaat zal worden bepaald op 3 punten, tarief IV.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 5 november 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de Politie, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.978,- voor griffierecht en op € 5.877,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

14 dagen na heden tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellante] tot betaling van nakosten, bestaande uit nasalaris ad € 157,- te vermeerderen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving is betaald en betekening heeft plaatsgevonden, alsmede de kosten van het betekeningsexploot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. I. Tubben en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 augustus 2018.