Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7318

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
200.165.701/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot plaatsing in een functie; belang hoger beroep na beëindiging arbeidsovereenkomst, uitleg contractuele afspraak over baangarantie, vervallen functie, stoelendansmethode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2018/160
AR-Updates.nl 2018-0959
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.165.701/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 2830160 CV 14-1658)

arrest van 14 augustus 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. D. Knecht, kantoorhoudend te Leusden,

tegen

GDF Suez Energie Nederland N.V.,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: GDF Suez,

advocaat: mr. M.A. de Blécourt, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank Overijssel, team Kanton en Handelsrecht, locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter) van 9 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 februari 2015,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),
- het arrest van 19 januari 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- de gehouden comparitie van partijen op 8 maart 2016, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2.2

De griffier heeft in verband met vermelding van de namen van de raadsheren op de rolkaart partijen bij brief van 20 februari 2018 laten weten dat mr. Groefsema niet in staat is arrest te wijzen en dat mr. O.E. [B] voor hem in de plaats zal treden. Voor de goede orde merkt het hof op dat mr. O.E. [B] voorafgaand aan de comparitie van partijen al voor mr. Groefsema in de plaats was getreden en ter zitting aanwezig was, zodat de griffier deze mededeling abusievelijk heeft gedaan. Overigens hebben partijen ook geen bezwaar gemaakt.

2.3

De vordering van [appellante] luidt, samengevat, het vonnis van de kantonrechter van 9 december 2014 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellante] alsnog toe te wijzen met veroordeling van GDF Suez in de proceskosten in beide instanties.

3 De feiten

3.1

De kantonrechter heeft onder de randnummers 3.1 t/m 3.23 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. Tegen die feitenvaststelling zijn geen grieven gericht. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden de feiten als volgt.

3.2

[appellante] is met ingang van 1 mei 2001 bij (een van de zustervennootschappen van) GDF Suez in dienst getreden. Na vanaf 1 januari 2005 een arbeidsovereenkomst te hebben gehad met Electrabel Nederland Sales B.V. - waar zij werkzaam was op de afdeling Sales, grootzakelijk - is [appellante] op 1 januari 2009 in dienst getreden van Electrabel Nederland Services B.V. (hierna: Electrabel). De naam van Electrabel is per 9 januari 2012 gewijzigd in GDF Suez. [appellante] was laatstelijk 20 uur per week werkzaam tegen een salaris (salarisschaal A08) van € 1.837,31 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

3.3

[appellante] is vanaf 1 maart 2009 voor de duur van een jaar geplaatst in de functie van Medewerker Corporate Communicatie. De afspraken zijn in een op 24 juni 2009/2 juli 2009 ondertekende nieuwe arbeidsovereenkomst vastgelegd, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

1 Datum indiensttreding en functie

Werknemer is sinds 1 januari 2005 in dienst van Electrabel Nederland Sales b.v. en is met ingang van 1 maart 2009 voor de duur van één jaar werkzaam in de functie van Medewerker Corporate Communicatie bij Electrabel Nederland Services b.v. Deze functie is ingedeeld in schaal 6.

(...)

4 Standplaats

Uw standplaats is het hoofdkantoor van Electrabel te Zwolle.

(...)

12 Overige bepalingen/afspraken

Werknemer heeft recht op baangarantie binnen Electrabel Nederland Services.”

De tijdelijke inzet in de functie van Medewerker Corporate Communicatie is op 1 augustus 2010 geëindigd.

3.4

Vanaf 1 augustus 2010 is [appellante] voor onbepaalde tijd gedetacheerd in de functie van Medewerker Customer Service op de locatie in Hoogeveen. [appellante] heeft deze functie enkele weken vervuld, waarna zij zich op 11 oktober 2010 ziek heeft gemeld. De bedrijfsarts heeft [appellante] per 15 april 2011 arbeidsgeschikt geacht, welk oordeel door de deskundige van het UWV is onderschreven. Tot een werkhervatting in de functie van Medewerker Customer Service is het niet gekomen.

3.5

Electrabel heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellante] wegens een verandering in de omstandigheden te ontbinden. De kantonrechter heeft dat verzoek bij beschikking van 17 oktober 2011 afgewezen en daarbij onder meer overwogen:

“2. Partijen zijn overeengekomen dat [appellante] de functie van medewerker corporate communicatie zou gaan vervullen voor de duur dat de in die functie aangestelde medewerker elders werd ingezet. Partijen wisten, en dat was ook de bedoeling, dat [appellante] na afloop van die periode weer andere werkzaamheden zou gaan uitvoeren. Om duidelijk te maken dat haar rechtspositie niet zou worden beïnvloed door het feit dat zij tijdelijk werd ingezet als medewerker corporate communicatie, is schriftelijk vastgelegd dat [appellante] een baangarantie had binnen Electrabel Nederland Services.

(...) De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat bedoeld is daadwerkelijk een baangarantie te geven.

3. Electrabel heeft gelijk als zij betoogt, dat dit niet betekent dat [appellante] tot haar pensioengerechtigde leeftijd verzekerd is van een baan bij Electrabel, ongeacht of er werk beschikbaar is. Wel houdt de garantie in dat Electrabel verplicht is al datgene te doen wat redelijkerwijs binnen haar mogelijkheden ligt, teneinde te zorgen dat er voor [appellante] , na het eindigen van haar inzet als medewerker corporate communicatie, ander passend werk zou zijn.

(...)

8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat Electrabel heeft volstaan met één functie aan te bieden waarvan zeer betwijfeld moet worden of die passend is te noemen en waarover, met voorbijgaan aan de eisen van zorgvuldigheid, geen enkel overleg met [appellante] heeft plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat Electrabel overigens zich er sterk voor heeft gemaakt dat [appellante] geplaatst zou worden in een van de door haarzelf als mogelijkheid aangedragen - al dan niet tijdelijke - functies, terwijl [appellante] zelf wel de nodige initiatieven heeft ontplooid. Het oordeel moet dan ook zijn dat Electrabel niet naar behoren invulling heeft gegeven aan de verplichtingen die voortvloeien uit de door haar gegeven baangarantie.(...)”

3.6

Bij memo van 27 oktober 2011 heeft [B] (manager van de afdeling Human Resources) twee opties aan [appellante] voorgelegd:

“1) Door middel van een vaststellingsovereenkomst komen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2011 (...) met een vergoeding van € 60.000,- bruto. (...)

2) Samen zoeken naar een passende functie. Je wordt voorlopig vrijgesteld van werk. De passende functies betreffen beschikbare vacatures. (...) Mocht na enige tijd, tenminste binnen drie maanden, blijken dat er geen passende functies beschikbaar zijn, dan gaan we verder ruimer zoeken en eventuele tijdelijke werkzaamheden aanbieden.”

3.7

In reactie op een brief van [appellante] van 9 december 2011 meldt [B] in een memo van 22 december 2011 aan [appellante] :

“Wat betreft je arbeidsvoorwaarden. Deze blijven ongewijzigd. Dit betekent dat je bij een eventuele verkoop van Retail niet als medewerker van Retail wordt meegenomen.

Wat betreft de situatie in Hoogeveen is op dit moment geen enkele uitspraak te doen over tijdelijkheid. De functie van Management-assistente zien we als een passende functie. Voor deze positie is formatie beschikbaar, of we dit als een vacature openstellen doet er in jouw situatie niet toe.”

3.8

Bij brief van 20 december 2011 heeft Electrabel aan [appellante] medegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2012 wordt benoemd in de functie van Management Assistent bij de afdeling Secretariaat Retail met standplaats Hoogeveen. In deze brief staat verder vermeld:

“Deze functie is gewaardeerd in salarisschaal A07. (...) De overige arbeidsvoorwaarden zoals die tot nu toe met u zijn overeengekomen, blijven op u van toepassing.”

3.9

Op 9 januari 2012 is de naam van Electrabel gewijzigd in GDF Suez. De toenmalige advocaat van GDF Suez heeft de gemachtigde van [appellante] bij brief van 14 maart 2012 bericht:

“In de voorbije periode is met mevrouw [appellante] meerdere malen gesproken over de invulling van de baangarantie. Anders dan mevrouw [appellante] kennelijk meent, is de functie van Management Assistent bij de afdeling Secretariaat Retail aan te merken als een passende functie. Van tijdelijkheid is dan ook geen sprake en cliënte heeft hiermee voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de baangarantie.

(...) Desalniettemin is cliënte bereid mevrouw [appellante] nog de volgende tegemoetkomingen aan te bieden:

(...)

5 In het geval van een eventuele verkoop van Electrabel Nederland Retail is cliënte, thans GDF Suez Energie Nederland N.V. geheten, bereid de baangarantie te laten herleven. Dat betekent dat in die situatie mevrouw [appellante] gerechtigd is haar werkzaamheden bij Electrabel Nederland Retail te beëindigen en zich opnieuw voor een passende functie te melden bij GDF Suez Energie Nederland N.V.”

3.10

In verband met een reorganisatie, integratie en de efficiency operatie is GDF Suez Energie Nederland B.V. met de vakbonden op 7 mei 2012 een Sociaal Plan overeengekomen. Het Sociaal Plan heeft met ingang van 31 mei 2013 de status van CAO. Het Sociaal Plan is van toepassing op de werknemer van wie de functie en/of standplaats is vervallen. In artikel 2 van dit Sociaal Plan staat dat regelingen die op individueel niveau zijn gemaakt en schriftelijk zijn vastgelegd worden gerespecteerd. Verder is in artikel 3.4 van het Sociaal Plan opgenomen:

“Gewijzigde en nieuwe functies worden ingevuld door middel van interne sollicitatie en Plaatsing door management op basis van geschiktheid.”

3.11

In verband met de overdracht van de “personeelszorg” aan de HR adviseur [C] heeft [B] bij e-mail van 19 juli 2012 ten aanzien van [appellante] de volgende aandachtspunten genoemd:

“1) Je bent binnen de formatie geplaatst als Managementassistent en zit dus op een vaste plek. Hoewel je niet onder de Electrabel Retail N.V. valt, maak je wel onderdeel uit van de vaste formatie.

2) De bepaling van je standplaats in relatie tot je arbeidsovereenkomst is geen discussie meer aangezien Retail zal gaan verhuizen naar Zwolle en integreren met B2B. Jij zult ook onderdeel gaan uitmaken van deze integratie. (...)

3) Je hebt tot nu toe vooral SAP-invoerwerkzaamheden verricht, ondanks de afspraak dat jij als Managementassistent zou gaan werken. Ik ga er vanuit dat in de toekomst conform de Fuka [hof: Functie karakteristiek] je wordt ingezet en je werkzaamheden uitgebreid zullen worden. Ik heb dit bij de Directeur M&S onder de aandacht gebracht en verwacht dat met de integratie dit ook zal worden opgepakt.”

3.12

GDF Suez heeft bij brief van 30 augustus 2012 gereageerd op het door de ondernemingsraad gegeven positief advies onder voorwaarden betreffende “herziend directiebesluit adviesaanvraag verhuizing Retail Hoogeveen”. In deze brief is onder meer opgenomen:

“Na de verhuizing van Retail B.V. naar het hoofdkantoor te Zwolle, per 1 oktober 2012, zal er vooral worden gewerkt aan de integratie. Derhalve, zal er voor de medewerkers van Electrabel Retail B.V. te Hoogeveen en de medewerkers van GDF Suez Energie Nederland N.V. met standplaats Hoogeveen, in het komende jaar, alléén sprake zijn van afbouw door natuurlijk verloop.”

3.13

Bij brief van 31 augustus 2012 heeft [B] aan [appellante] laten weten dat de functie karakteristiek voor de management ondersteunende functies is herschreven, dat dit heeft geleid tot één generieke gedifferentieerde functiekarakteristiek ingaande per 1 oktober 2012, te weten Directiesecretaresse-Managementassistent, dat daarin twee differentiaties zijn aangebracht en dat op [appellante] van toepassing is de differentiatie van Management Assistent. Aan het slot van de brief is opgemerkt dat als [appellante] hiermee niet akkoord is zij binnen

30 dagen bezwaar kan maken. [appellante] heeft op deze brief niet gereageerd.

3.14

Op verzoek van het managementteam hebben de Management Assistentes, waaronder [appellante] , op 3 september 2012 overleg gehad om een voorstel te doen hoe het geïntegreerde secretariaat (Retail en B2B) vorm kan worden gegeven en verder kan worden ingericht. [D] (leidinggevende van de Management Assistentes) heeft in een memo d.d.

24 september 2012 van dat overleg verslag gedaan.

3.15

De afdeling Retail, waarbinnen [appellante] werkzaam was, is op 1 oktober 2012 verhuisd van Hoogeveen naar Zwolle.

3.16

[E] (directeur human resources) heeft bij brief van 11 maart 2013 aan [appellante] medegedeeld:

“Zoals u weet vindt er binnen GDF SUEZ Energie Nederland N.V. een reorganisatie plaats. In dat kader delen wij u mee dat u niet direct bent geplaatst in de nieuwe organisatie, omdat uw functie is vervallen. U kunt solliciteren op vacatures voor gewijzigde en nieuwe functies die zijn ontstaan als gevolg van de reorganisatie.(...) Indien u het niet eens bent met bovenstaand besluit kunt u daar bezwaar tegen maken bij de bezwarencommissie, zoals staat beschreven in hoofdstuk 9 van het Sociaal Plan GDF SUEZ”

3.17

[appellante] heeft bij brief van 22 maart 2013 op het besluit tot niet-plaatsing gereageerd. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat de baangarantie nog steeds van kracht is. [appellante] heeft aan het slot van deze brief aangegeven dat haar voorkeur uitgaat naar de functie Medewerker Office Support of een andere functie die bij haar opleiding en ervaring past.

3.18

[E] heeft [appellante] bij brief van 24 april 2013 laten weten dat het eerdere besluit, dat zij niet is geplaatst in de nieuwe organisatie, in stand blijft en dat [appellante] per 8 oktober 2013 boventallig wordt verklaard. Op 8 oktober 2013 zal [appellante] worden vrijgesteld van werk. [E] heeft voorts medegedeeld dat tijdens de boventalligheid de arbeidsvoorwaarden conform artikel 5.3 van het Sociaal Plan van toepassing blijven. Verder heeft hij [appellante] twee mogelijkheden geschetst:

  1. ontvangen van een mobiliteitspremie

  2. bemiddeling naar een functie

3.19

[appellante] heeft naar de functie van Medewerker Office Support gesolliciteerd. [appellante] is voor die functie afgewezen. De redenen voor afwijzing zijn neergelegd in de e-mail van HR adviseur [F] van 16 mei 2013:

“Je motivatie waarom je gesolliciteerd hebt op de functie Medewerker Office Support Pool en waarom je hiervoor de juiste kandidaat zou zijn vonden wij minder sterk t.o.v. overige gesproken kandidaten.

Je hebt geen zaken aangedragen over de bijdrage die jij zou kunnen leveren om de pool succesvol te maken.

Je hebt een duidelijke voorkeur uitgesproken voor een functie in het vakgebied Communicatie of Marketing. De opleiding die je recent gestart bent heeft dit beeld versterkt. Je hebt aangegeven dat je hart ligt bij een functie in deze vakgebieden en niet zo zeer bij de functie Medewerker Office Support Pool.

Wij vinden je minder passen in de teamsamenstelling van de Medewerker Office Support Pool.”

3.20

[C] (HR adviseur) heeft op 30 mei 2013 verklaard:

“Naar aanleiding van het vervallen van de functie van Management Assistente is gevraagd aan [ [appellante] ] om een belangstellingsregistratieformulier in te vullen. [ [appellante] ] heeft in die belangstellingsregistratie geopteerd voor een drietalfuncties, te weten Medewerker Office Support, Marketeer en Coördinator Facilitair. (...) Ze heeft hierin keuzes gemaakt en bewust niet gekozen voor de functie van Medewerker Channel Support.”

3.21

[appellante] heeft bij dagvaarding in kort geding van 16 mei 2013 gevorderd dat GDF Suez wordt veroordeeld haar op straffe van een dwangsom te plaatsen in de functie van Medewerker Office Support of een andere, gezien haar opleiding en ervaring, passende functie. Bij vonnis van 24 juni 2013 heeft de kantonrechter de verzochte voorlopige voorziening geweigerd.

3.22

Na enige gesprekken heeft [appellante] GDF Suez laten weten dat zij het met de uitspraak van de kantonrechter in de kort geding procedure niet eens is en een bodemprocedure zal starten. Daarop heeft GDF Suez [appellante] bij brief van 29 augustus 2013 bericht dat zij, zoals gemeld bij brief van 24 april 2013, per 8 oktober 2013 boventallig is. De mobiliteitsperiode van 12 maanden start bij het ondertekenen van het van-werk-naar-werk-contract, doch uiterlijk op 8 november 2013.

3.23

GDF Suez heeft op 30 september 2013 aan het UWV Werkbedrijf (hierna: het UWV) toestemming verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellante] wegens bedrijfseconomische omstandigheden op te zeggen. Bij beslissing van 25 november 2013 heeft het UWV de verzochte toestemming geweigerd. Daartoe is samengevat overwogen dat het besluit om de functie van Management Assistente te laten vervallen niet onredelijk is, dat die functie niet uitwisselbaar is met die van Medewerker Office Support, dat de functie Management Assistente ook niet uitwisselbaar is met andere functies, dat de functie van Management Assistente in zijn geheel komt te vervallen en dat hierdoor het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing is. Vervolgens wijst het UWV erop dat in het Sociaal Plan is overeengekomen dat elke boventallige werknemer ervoor kan kiezen gedurende een vastgestelde mobiliteitsperiode begeleid en bemiddeld te worden naar ander werk. De geldende mobiliteitsperiode / mobiliteitstraject van 12 maanden start voor [appellante] uiterlijk 8 november 2013, zodat die periode nog niet is verstreken waardoor volgens het UWV een ontslag op dit moment te prematuur is.

3.24

Op 2 oktober 2013 heeft GDF Suez de vacature van Medewerker Channel Support opengesteld. [appellante] heeft daarvoor haar belangstelling kenbaar gemaakt, waarna op 29 oktober 2013 een sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden. Per e-mailbericht van 31 oktober 2013 heeft GDF Suez [appellante] medegedeeld dat geen van de interne kandidaten - en dus ook [appellante] niet - voor die functie passend en geschikt is bevonden.

3.25

Bij brief van 28 november 2013 heeft GDF Suez aan [appellante] medegedeeld dat zij met terugwerkende kracht alsnog in het mobiliteitstraject is geplaatst, in welk verband [appellante] is gevraagd de aan haar ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen, zoals mobiele telefoon en laptop, in te leveren. [appellante] heeft daarop bij e-mail van 9 december 2013 doen antwoorden dat zij onder protest aan het mobiliteitstraject zal meewerken.

3.26

Op 19 juni 2014 heeft GDF Suez opnieuw bij het UWV een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van toestemming tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met [appellante] . Deze aanvraag heeft het UWV bij beslissing van 11 september 2014 afgewezen op de grond dat ook deze aanvraag voortijdig is ingediend en GDF Suez de mobiliteitsperiode had dienen af te wachten.

3.27

GDF Suez heeft op 10 november 2014 opnieuw aan het UWV gevraagd haar toestemming te verlenen de arbeidsovereenkomst met [appellante] op te zeggen. Het UWV heeft bij beslissing van 30 december 2014 die toestemming gegeven en daartoe onder meer overwogen:

“Wij stellen (...) vast dat er een bedrijfseconomische noodzaak is voor het verval van de functie van management assistente, werknemer werkzaam was in deze functie, deze functie niet uitwisselbaar is met de functie van medewerker office support, het afspiegelingsbeginsel correct is toegepast en u in redelijkheid tot uw beslissing heeft kunnen komen om werknemer niet te plaatsen in de functie van medewerker office support.

(...)
Gelet op het verslag van Toetsingscommissie d.d. 5 september 2014, maar ook gelet op de functiekarakteristiek van de functie van medewerker channel support, vinden wij dat u in alle redelijkheid heeft kunnen komen tot uw beslissing dat deze functie niet passend is voor werknemer gelet op de verschillen op het gebied van opleidingsniveau, kennis en ervaring en inschaling van functies. (...) Uit de stukken blijkt eveneens niet dat werknemer gebruik heeft gemaakt van de in het sociaal plan geboden mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de afwijzende beslissing op haar sollicitatie voor de functie van medewerker channel support.

De mobiliteitsperiode is inmiddels verstreken. Gelet op de ingebrachte stukken, waaronder de eindrapportage van het mobiliteitstraject, hebben zich sinds het boventallig verklaren van werknemer tot heden geen andere vacatures voorgedaan die mogelijk passend zouden zijn voor werknemer en waar werknemer belangstelling voor heeft getoond. Wij zijn van mening dat aannemelijk is geworden dat er geen (geschikte) vacatures zijn zodat het niet mogelijk is om werknemer binnen de bedrijfsvestiging of ergens anders in het bedrijf te herplaatsen.”

3.28

Bij brief van 22 januari 2015 heeft GDF Suez de arbeidsovereenkomst met [appellante] opgezegd tegen 1 april 2015.

4 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft, samengevat, bij de kantonrechter gevorderd GDF Suez te veroordelen:

  1. primair: [appellante] op straffe van een dwangsom te plaatsen in de functie van Medewerker Office Support,

  2. subsidiair: [appellante] op straffe van een dwangsom te plaatsen in de functie van Medewerker Channel Support,

  3. kennelijk meer subsidiair: [appellante] op straffe van een dwangsom te plaatsen in een gezien de opleiding en ervaring van [appellante] als passend aan te merken functie,

  4. primair, subsidiair en meer subsidiair: tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

4.2

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de functie van Management Assistente voor [appellante] een passende functie is en dat GDF Suez aan de aan [appellante] gegeven baangarantie in de arbeidsovereenkomst van juni/juli 2009 uitvoering heeft gegeven door haar in 2012 in die functie te plaatsen. Daarmee is die baangarantie uitgewerkt. Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat de functie van Management Assistente in 2013 is vervallen en dat de functie van Management Assistente zowel “op papier als in de praktijk’’ niet uitwisselbaar is met de functie van Medewerker Office Support. Voor het vervullen van de vacatures van de functie Medewerker Office Support heeft GDF Suez de zogeheten “stoelendansmethode” toegepast. Na afweging van 9 omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat GDF Suez de stoelendansmethode voor die functie niet onjuist heeft toegepast. GDF Suez heeft naar het oordeel van de kantonrechter evenmin jegens [appellante] onjuist gehandeld door haar voor de functie van Medewerker Channel Support af te wijzen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er voor [appellante] geen herplaatsingsmogelijkheden zijn, waarna hij de vordering van [appellante] heeft afgewezen en haar in de proceskosten heeft veroordeeld.

5 De beoordeling in hoger beroep

grieven

5.1

[appellante] heeft tegen het bestreden vonnis zeven grieven ontwikkeld. Met de grieven I en II komt [appellante] op tegen de door de kantonrechter gegeven uitleg van de baangarantie in de arbeidsovereenkomst van juni/juli 2009. Met de grieven III, IV en V bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat de functie van Management Assistente niet uitwisselbaar is met de functie van Medewerker Office Support en de stoelendansmethode (op correcte wijze) voor het vervullen van de vacatures voor de functie van Medewerker Office Support is toegepast. Met grief VI klaagt [appellante] over het oordeel van de kantonrechter dat GDF niet onjuist heeft gehandeld door haar niet in aanmerking te laten komen voor de functie van Medewerker Channel Support. De laatste grief, grief VII, is gericht tegen de conclusie dat de vorderingen van [appellante] worden afgewezen met veroordeling van haar in de proceskosten.

belang

5.2

Aan de vordering van [appellante] ligt ten grondslag haar arbeidsovereenkomst met GDF Suez en het Sociaal Plan dat op haar als werknemer van GDF Suez van toepassing is. Nadat de kantonrechter vonnis had gewezen - en voordat [appellante] de memorie van grieven had genomen - heeft GDF Suez met toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst met [appellante] tegen 1 april 2015 opgezegd. Daarmee is aan de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en GDF Suez op 1 april 2015 een einde gekomen. Alsdan rijst de vraag welk belang [appellante] bij de onderhavige vorderingen heeft als de arbeidsovereenkomst op grond waarvan de gevorderde functie(s) moeten worden uitgeoefend, is geëindigd.

5.3

Ter zitting heeft [appellante] toegelicht, hetgeen door GDF Suez niet is bestreden, dat zij tijdig bij de kantonrechter een procedure is gestart, waarin is gesteld dat het aan haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en dat zij primair vordert herstel van de dienstbetrekking in de functie van Medewerker Office Support of Medewerker Channel Support. Afgezien van de proceskostenveroordeling is het belang van [appellante] met name er in gelegen dat het bestreden vonnis van de kantonrechter in die procedure niet aan haar kan worden tegengeworpen.

Tegen deze achtergrond verstaat het hof de vorderingen van [appellante] aldus, dat de vorderingen in hoger beroep zijn gedaan onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst tussen GDF Suez en [appellante] wordt hersteld.

uitleg en uitvoering baangarantie

5.4

[appellante] bestrijdt met de grieven I en II de door de kantonrechter gegeven uitleg aan de baangarantie in de arbeidsovereenkomst van juni/juli 2009 en het oordeel van de kantonrechter dat GDF Suez met het aanstellen van [appellante] in de functie van Management Assistente aan die baangarantie uitvoering heeft gegeven waardoor [appellante] daarop geen beroep meer kan doen bij vervallen verklaring van die functie in het kader van de reorganisatie in 2013.

5.5

In rechtsoverweging 5.3.1 van het vonnis heeft de kantonrechter kort de standpunten van partijen samengevat. Bij de behandeling van het deel van grief I dat op die rechtsoverweging is gericht heeft [appellante] geen belang. Volledigheidshalve voegt het hof hieraan toe dat het door [appellante] in hoger beroep ingenomen standpunt door het hof in de beoordeling zal worden betrokken.

5.6

In rechtsoverweging 5.3.2 van het vonnis heeft de kantonrechter terecht voorop gesteld dat voor de uitleg van “het recht op baangarantie binnen Electrabel Nederland Services”, als neergelegd in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst van juni/juli 2009, het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (ECLI:NL:HR:1981:AG4158)

5.7

Met grief II bepleit [appellante] dat bij deze uitleg ook toepassing dient te worden gegeven aan de contra-proferentum regel als neergelegd in artikel 6:238 lid 2 BW, die volgens [appellante] in haar geval inhoudt dat bij twijfel over de betekenis van het recht op een baangarantie de voor [appellante] meest gunstige uitleg prefereert.

Het hof volgt [appellante] niet in deze opvatting. Artikel 6:238 lid 2 BW is een wettelijk voorschrift voor de uitleg van door een gebruiker van algemene voorwaarden opgestelde bedingen. Deze bepaling gaat niet voor en is daarmee geen correctie op de uitleg van bijzondere contractsbepalingen in arbeidsovereenkomsten aan de hand van de algemene maatstaf als neergelegd in de Haviltex formule.

5.8

Uit het door [appellante] in hoger beroep ingenomen standpunt leidt het hof af, dat [appellante] niet (langer) bestrijdt dat partijen met die baangarantie hebben bedoeld dat haar rechtspositie niet zou worden benadeeld door haar bereidheid de voor haar tijdelijke functie van Medewerker Corporate Communicatie uit te oefenen waarvoor zij een vaste functie prijsgaf, zodat zij na de beëindiging van die tijdelijke functie herplaatst zou moeten worden op een vaste passende functie.

5.9

In hoger beroep betoogt [appellante] dat GDF Suez aan die uitleg van de baangarantie geen uitvoering heeft gegeven doordat:

  • -

    nadien is overeengekomen dat de invulling van de baangarantie in samenspraak met [appellante] zou geschieden, hetgeen GDF Suez heeft nagelaten,

  • -

    de functie van Management Assistente geen vaste, niet tijdelijke functie was doordat GDF Suez toen moet hebben geweten dat in verband met een voorgenomen reorganisatie die functie zou komen te vervallen,

  • -

    de functie van Management Assistente korte tijd nadat zij in die functie was aangesteld, is komen te vervallen.

5.10

Ter ondersteuning van de stelling, dat partijen na de arbeidsovereenkomst van juni/juli 2009, waarin het recht op een baangarantie is neergelegd, zijn overeengekomen dat GDF Suez samen met [appellante] heeft te zoeken naar een passende functie, beroept [appellante] zich op het door [B] opgestelde memo van 27 oktober 2011 (aangehaald onder 3.6).

Het hof stelt vast dat die memo is gevolgd op de beschikking van de kantonrechter van 17 oktober 2011, waarin het verzoek van GDF Suez de arbeidsovereenkomst te ontbinden is afgewezen. In die beschikking verweet de kantonrechter GDF Suez dat zij aan [appellante] slechts de functie van Salesmedewerker op de afdeling Retail in Hoogeveen had aangeboden, waarvan de kantonrechter betwijfelde of dat een passende functie was, en dat GDF Suez met voorbijgaan aan de eisen van zorgvuldigheid geen enkel overleg met [appellante] had gehad. Tegen deze achtergrond dient naar het oordeel van het hof de passage in het memo van 27 oktober 2011, waarin de optie van het samen zoeken naar een passende functie wordt genoemd, te worden beoordeeld.

5.11

De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 5.4.2 en 5.4.3 (terecht) overwogen dat gelet op het administratieve, ondersteunende karakter van de functie Management Assistente en de raakvlakken met de tot 1 maart 2009 uitgeoefende (vaste) functie van Medewerker Sales Support de functie van Management Assistente voor [appellante] passend is. Tegen dit oordeel heeft [appellante] geen grief gericht, zodat het hof daarvan ook heeft uit te gaan.

5.12

Dat de gesprekken zijn gevoerd die uit de memo van 27 oktober 2011, de e-mail van [appellante] van 9 december 2011, de memo van 22 december 2011 en de brief van haar gemachtigde van 25 januari 2012 blijken, is door [appellante] niet bestreden.

GDF Suez heeft gesteld dat in de periode rond oktober/november 2011 voor [appellante] geen passende vacatures beschikbaar waren, waarna GDF Suez voor [appellante] een formatieplaats heeft gecreëerd voor de passend geachte functie van Management Assistente, in welke functie zij per 1 januari 2012 is benoemd. [appellante] ging deze functie uitoefenen op de afdeling Secretariaat Retail van Electrabel Nederland Retail. Toen bestond de mogelijkheid dat Electrabel Nederland Retail verkocht zou worden. Vandaar dat, volgens GDF Suez, met [appellante] de aanvullende afspraak is gemaakt, neergelegd in de brief van de advocaat van GDF Suez van 14 maart 2012 (zie hiervoor 3.9), dat de in de arbeidsovereenkomst van juni/juli 2009 gegeven baangarantie zou herleven als Electrabel Nederland Retail verkocht zou worden. In dat geval zou [appellante] haar werkzaamheden bij Electrabel Nederland Retail (als Management Assistente) kunnen beëindigen en zich opnieuw voor een passende functie bij GDF Suez kunnen melden.

Voorts is onbestreden, zoals de kantonrechter in rechtsoverweging 5.4.3 van het vonnis heeft overwogen, dat GDF Suez in de brieven van 14 maart 2012, 19 juli 2012 en 31 augustus 2012 [appellante] steeds als Management Assistente heeft aangeduid tegen welke aanduiding [appellante] geen bezwaar heeft gemaakt.

Tussen partijen is niet in geschil dat Electrabel Nederland Retail niet is verkocht, zodat de baangarantie in ieder geval niet is gaan herleven op basis van de afspraak neergelegd in de brief van de advocaat van GDF Suez van 14 maart 2012.
Het hof leidt uit de hiervoor geschetste gang van zaken af dat GDF Suez uitvoering heeft gegeven aan het betrekken van [appellante] bij de zoeken naar een passende functie en dat [appellante] in ieder geval in maart 2012 met de functie van Management Assistente als passende functie heeft ingestemd.

5.13

[appellante] stelt dat GDF Suez in januari/maart 2012 moet hebben geweten van de voorgenomen reorganisatie, waarbij de functie van Management Assistente zou vervallen, zodat GDF Suez - wetende dat het om een tijdelijke periode zou gaan - geen uitvoering heeft gegeven aan de contractueel overeengekomen baangarantie.

Ter onderbouwing van deze stelling voert [appellante] (slechts) aan dat GDF Suez op 7 mei 2012 een Sociaal Plan met de vakbonden is overeengekomen en dat GDF Suez in de zomer van 2012 een advies aan de Ondernemingsraad heeft gevraagd in verband met de verhuizing van Retail Hoogeveen naar het hoofdkantoor in Zwolle, waarover de Ondernemingsraad op 2 augustus 2012 een advies heeft uitgebracht.

5.14

GDF Suez heeft deze stelling van [appellante] bestreden en daartoe aangevoerd dat het Sociaal Plan van 7 mei 2012 geldt voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2013. Voor iedere reorganisatie in die periode wordt een aparte bijlage gemaakt. Bijlage 1a heeft betrekking op de reorganisatie bij Electrabel Nederland Retail B.V. en Sales als organisatieonderdeel van GDF Suez. Bijlage 1b, vastgesteld op 7 mei 2012, heeft betrekking op de sluiting van de centrale Harculo en Bergum. Bijlage 1c heeft betrekking op de reorganisatie in 2013, waarbij onder meer de functie van Management Assistente is vervallen. Onderaan iedere pagina van dat document staat weliswaar de datum van het Sociaal Plan van 7 mei 2012, maar die bijlage 1c is, aldus GDF Suez, eerst overeengekomen op 21 januari 2013.

5.15

Het hof is van oordeel dat gelet op het verweer van GDF Suez [appellante] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat GDF Suez in de periode van december 2011 van de tijdelijke aanstelling als Management Assistente tot de definitieve aanstelling in maart 2012 wist dat de functie van Management Assistente in het kader van een op korte termijn uit te voeren reorganisatie zou komen te vervallen. De door [appellante] genoemde documenten zijn van latere datum en uit die documenten op zichzelf kan de door [appellante] veronderstelde wetenschap in de periode tussen december 2011 en maart 2012 niet worden afgeleid.

5.16

Tot slot betoogt [appellante] dat in het geval een werknemer een functie aanvaardt ter uitvoering van een contractueel bedongen baangarantie en die functie kort nadien ten gevolge van een reorganisatie komt te vervallen een redelijke toepassing van die contractuele afspraak meebrengt dat de baangarantie herleeft, althans dat geacht moet worden dat daaraan geen uitvoering is gegeven.

5.17

Het hof stelt voorop dat GDF Suez met een formatieplaats voor de passend geachte functie van Management Assistente uitvoering heeft gegeven aan de contractueel bedongen baangarantie. Voorts dient het er voor te worden gehouden dat GDF Suez toen niet wist dat die functie (kort nadien) door een reorganisatie zou komen te vervallen. Tot slot zijn er geen concrete feiten en omstandigheden gesteld en gebleken waaruit kan worden afgeleid dat bij het aangaan de contractuele afspraak over de baangarantie partijen hebben beoogd dat die baangarantie zou herleven als de door [appellante] betrokken nieuwe passende functie binnen een bepaalde periode zou vervallen. Daarmee is naar het oordeel van het hof de aanspraak van [appellante] op die baangarantie uitgewerkt.

5.18

Op zichzelf is denkbaar dat in uitzonderlijke omstandigheden het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat GDF Suez zich op de uitvoering van de baangarantie door het aanbieden en aanvaarden van de passende functie Management Assistente beroept. Ook dat gaat in dit geval niet op. Allereerst heeft [appellante] zich niet expliciet op die maatstaf beroepen. Ten tweede, voor zover dat beroep moet worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden die [appellante] heeft aangevoerd, is in dit geval niet van een zodanige situatie sprake dat een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd is. Het hof weegt daarin mee dat de beschikbare functies voor [appellante] bij GDF Suez gelet op haar opleidingsniveau en werkervaring (uiterst) beperkt zijn gebleken, de financiële en marktsituatie van GDF Suez in en omstreeks 2013 zodanig was dat ingrijpende reorganisaties noodzakelijk waren, waardoor meer werknemers in een vergelijkbare positie kwamen te verkeren als [appellante] en aan die andere werknemers (ook) geen baangarantie kon worden gegeven en voor de gevolgen van de reorganisatie een Sociaal Plan is opgesteld dat in overleg met de vakbonden tot stand is gekomen en de status van CAO heeft gekregen en dat ook [appellante] voor het vervallen van haar functie op de regeling in het Sociaal Plan een beroep kan doen.

5.19

Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven I en II falen.

vervallen verklaring / uitwisselbaar

5.20

In rechtsoverweging 5.6 van het vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld, dat [appellante] haar stelling dat de functie van Management Assistente niet is vervallen onvoldoende heeft onderbouwd. Vervolgens heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 5.7.4 van het vonnis geoordeeld dat de functie van Management Assistente niet uitwisselbaar is met de functie Medewerker Office Support. Met de grieven III en IV komt [appellante] tegen deze oordelen op.

5.21

Uit de toelichting op beide grieven leidt het hof af, dat [appellante] op zichzelf niet (meer) bestrijdt dat in het kader van de reorganisatie in 2013 zes administratieve functies (Administratief Medewerker, Medewerker Kwaliteit, Administratief Assistent, Management Assistent, Project Medewerker en Medewerker PRAS) zijn vervallen en daarvoor in de plaats de functie Medewerker Office Support is gecreëerd. De beide grieven richten zich met name tegen het oordeel van de kantonrechter dat de functie van Medewerker Office Support niet uitwisselbaar is met de functie van Management Assistente.

5.22

GDF Suez, op wie de stelplicht en de bewijslast rust, heeft ter onderbouwing van de stelling dat de functies Management Assistente en Medewerker Office Support niet uitwisselbaar zijn het volgende aangevoerd. De functie Management Assistente wordt op een specifiek bedrijfsonderdeel voor een specifieke manager uitgevoerd. De nieuwe functie Medewerker Office Support zit in een pool. De Medewerker Office Support kan op basis van behoefte op verschillende bedrijfsonderdelen worden ingezet. Weliswaar worden in beide functies administratieve taken verricht, maar de functie inhoud verschilt substantieel. Zo liggen de taken en verantwoordelijkheden van de Medewerker Office Support op een hoger niveau dan de Management Assistente. De taken en verantwoordelijkheden van de Medewerker Office Support zijn ook uitgebreider.
GDF Suez heeft dit ook concreet uitgewerkt. Van de Medewerker Office Support worden competenties als flexibiliteit, aanpassingsvermogen en praktisch denken verwacht, welke competenties niet of in mindere mate voor Management Assistente gelden. Bovendien zijn de schalen van beide functies niet gelijk. Zo geldt voor de Management Assistente schaal A7 en voor de Medewerker Office Support schaal A7/A8. Ter onderbouwing heeft GDF Suez onder meer overgelegd de functiekarakteristieken van beide functies.

5.23

Het standpunt van GDF Suez is door het UWV in het kader van de aanvragen van GDF Suez voor het verkrijgen van toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellante] tot driemaal toe getoetst. In de Beleidsregels Ontslagtaak UWV (oud) is de term “uitwisselbare functies” omschreven als de functies:

“die naar functie-inhoud, vereiste kennis en vaardigheden en vereiste competenties vergelijkbaar en naar niveau en beloning gelijkwaardig zijn.” Het UWV heeft steeds geoordeeld dat de functie van Management Assistente niet uitwisselbaar is met Medewerker Office Support. Zo heeft het UWV in de beslissing van 25 november 2013 overwogen:

“De persoonlijke kennis en vaardigheden van werknemer worden niet meegenomen in de beoordeling van de uitwisselbaarheid van functies, aangezien deze beoordeling zich richt op de functies zelf. Uit de gegeven beschrijvingen van de functies en de ingebrachte functiekarakteristieken blijkt dat binnen de functies van management assistente en medewerker office support voor een deel dezelfde werkzaamheden worden verricht. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de medewerker office support een aantal extra taken zal gaan verrichten. Onder andere wordt genoemd de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van projecten, de ondersteuning in SAP-LSO, werkzaamheden met betrekking tot beleidsdocumenten op het gebied van KAM, ondersteuning op het gebied van PRAS, resourceplanning van externe inhuur voor IT-projecten en de financiële afhandeling daarvan, het plannen van interne audits en de verantwoordelijkheid voor het boeken van dienstreizen.

Het enkele gegeven dat binnen de functie van management assistente voor één afdeling gewerkt wordt en binnen de functie van medewerker office support voor meerdere afdelingen gewerkt wordt, is niet voldoende om de functies niet uitwisselbaar te achten. Uit de aanvraag blijkt echter dat elke afdeling zijn eigen specifieke werkzaamheden heeft. Wij vinden voldoende aannemelijk dat de inzet van een medewerker office support op diverse afdelingen binnen de organisatie, een bredere kennis vereist dan de inzet van een management assistente op één afdeling. Voornoemde werkzaamheden zijn weliswaar allen te benoemen als secretariële en administratieve werkzaamheden, het is naar onze mening aannemelijk dat voor de uitvoering van de werkzaamheden andere kennis of vaardigheden is vereist. Naar onze mening zijn de verschillen zodanig dat de betreffende functies niet onderling uitwisselbaar zijn.”

In de beslissing van het UWV van 11 september 2014 op de tweede aanvrage van GDF Suez voor toestemming om de arbeidsovereenkomst met [appellante] op te zeggen is het UWV bij gebreke van nieuwe feiten en omstandigheden bij dit oordeel gebleven. Ook in de beslissing van het UWV van 30 december 2014 blijft het UWV bij haar op 25 november 2013 gegeven oordeel.

5.24

[appellante] heeft weliswaar gesteld dat het UWV het bij het verkeerde eind heeft en dat de verschillen tussen beide functies veel minder groot zijn dan GDF Suez en UWV doen voorkomen, maar [appellante] heeft die stellingen in het licht van de gemotiveerde onderbouwing door GDF Suez onvoldoende toegelicht. Het hof maakt het standpunt van het UWV tot de zijne en volgt de kantonrechter in zijn oordeel dat gelet op het verschil in complexiteit, expertiseniveau, takenpakket en verantwoordelijkheid, het verschil in salaris beide functies niet uitwisselbaar zijn. De grieven III en IV slagen daardoor niet.

stoelendansmethode voor selectie medewerker Office Support

5.25

In de rechtsoverwegingen 5.9 en 5.10 van het vonnis gaat de kantonrechter in op het verweer van [appellante] dat GDF Suez ten onrechte, althans op onjuiste wijze, toepassing heeft gegeven aan de stoelendansmethode voor de selectie van de plaatsen in de functie Medewerker Office Support. Na enige algemene uitgangspunten in de rechtsoverwegingen 5.9.1 t/m 5.9.4 te hebben gegeven, toetst de kantonrechter in rechtsoverweging 5.9.5 onder A t/m I de criteria die aan de stoelendansmethode worden gesteld. In rechtsoverweging 5.9.6 komt de kantonrechter tot de conclusie dat het door [appellante] gemaakte verwijt dat GDF Suez de stoelendansmethode onterecht, althans onjuist heeft toegepast geen stand houdt, waarna de kantonrechter in rechtsoverweging 5.10 van het vonnis tot het oordeel komt dat GDF Suez niet onjuist heeft gehandeld door [appellante] niet te plaatsen in de functie van Medewerker Office Support.

5.26

Met grief V komt [appellante] tegen dit oordeel op. De grief richt zich op hetgeen onder 5.9.5 sub G en H van het vonnis is overwogen. De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 5.9.5 sub G van het vonnis overwogen dat voor de beoordeling of andere werknemers geschikter zijn voor de functie Medewerker Office Support dan [appellante] aan de werkgever een ruime mate van beoordelingsvrijheid toekomt dat slechts marginaal door de rechter kan worden getoetst. Vervolgens heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 5.9.5 sub H van het vonnis overwogen dat gelet op de beoordelingsvrijheid van GDF Suez [appellante] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de afwijzing voor die functie is gebaseerd op willekeur.

5.27

[appellante] voert aan dat de selectiecriteria voor de functie van Medewerker Office Support in het Sociaal Plan ontbreken. Doordat dit is nagelaten bestaat volgens haar de kans op willekeur. In dit geval is volgens [appellante] sprake van willekeur doordat de redenen die de sollicitatiecommissie - en vervolgens de directie die het advies van de sollicitatiecommissie heeft gevolgd - ertoe hebben gebracht [appellante] niet voor de functie van Medewerker Office Support in aanmerking te laten komen subjectief zijn. Voor zover dit is toegestaan, kan de rechter niet volstaan met een marginale toets, maar dienen de redenen voor afwijzing volledig getoetst worden. Bij die toetsing dienen ook haar persoonlijke omstandigheden te worden betrokken, waaronder de druk die [appellante] voelt door de al jarenlange strijd met GDF Suez. Voorts had de aan [appellante] gegeven baangarantie en de geringe invulling die GDF Suez daaraan heeft gegeven, de sollicitatiecommissie ertoe moeten brengen haar een eerlijke kans te geven door bijvoorbeeld overeenkomstig artikel 5.6 van het Sociaal Plan een proefplaatsing in de functie van Medewerker Office Support aan te bieden.

5.28

Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat wordt uitgegaan van een niet uitwisselbare functie (sub A), de ondernemingsraad neutraal heeft geadviseerd over de reorganisatie (sub B), het plaatsings- en selectieproces is gevolgd zoals beschreven in het Sociaal Plan (sub C en D), [appellante] vooraf afdoende is geïnformeerd over de vacatures en de ter zake geldende functie eisen (sub E), de handelwijze van de sollicitatiecommissie op zichzelf zorgvuldig is geweest (sub F) en [appellante] de in het Sociaal Plan beschreven bezwaar- en beroepsprocedure onbenut heeft gelaten (sub I).

Voorts stelt het hof vast dat [appellante] niet heeft bestreden dat er meer kandidaten voor de functie van Medewerker Office Support waren dan plaatsen, dat er ook meer kandidaten dan [appellante] zijn afgewezen en dat ook voor de overige kandidaten gold dat hun functie door de reorganisatie was vervallen.

5.29

Uit het voorgaande volgt dat het hof het ervoor heeft te houden dat op zichzelf de sollicitatieprocedure voor de functie van Medewerker Office Support met voldoende waarborgen is omkleed. Voor de functie van Medewerker Office Support is een functieomschrijving, waaraan de sollicitatiecommissie kandidaten op geschiktheid kan toetsen. Als er meer kandidaten dan plaatsen voor een functie zijn, zal een sollicitatiecommissie de (op zichzelf geschikte) kandidaten ook onderling hebben te vergelijken. In redelijkheid kan niet worden verlangd dat in detail criteria worden opgesteld aan de hand waarvan de geschiktheid van de ene kandidaat ten opzichte van andere kandidaten worden beoordeeld en vervolgens vastgelegd teneinde een externe toetsing mogelijk te maken. Gelet op de waarborgen waarmee de sollicitatieprocedure is omkleed en de aanwezigheid van een functieomschrijving is het (in ieder geval) toereikend de redenen die een sollicitatiecommissie ertoe hebben gebracht een kandidaat niet voor een plaats in aanmerking te laten komen te laten toetsen door een bezwarencommissie. Die mogelijkheid was in dit geval aanwezig en is door [appellante] onbenut gelaten.

De kantonrechter heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat het advies van de sollicitatiecommissie en de beslissing van de directie welke kandidaten voor de plaatsen behorende bij de functie van Medewerker Office Support in aanmerking komen slechts marginaal door de rechter kan worden getoetst.

Op zichzelf is juist dat [appellante] een opleiding voor communicatie en marketing was gestart en dat zij tot haar genoegen tijdelijk de functie van Medewerker Corporate Communicatie had vervuld. In het sollicitatiegesprek is de sollicitatiecommissie gebleken, zoals in de e-mail van 16 mei 2013 is verwoord, dat [appellante] een duidelijke voorkeur heeft voor communicatie en marketing. Mede tegen voormelde achtergrond is die indruk begrijpelijk. Haar motivatie voor de functie vond de sollicitatiecommissie minder sterk dan de andere kandidaten. Ook miste de sollicitatiecommissie een eigen inbreng van [appellante] om de pool van Medewerker Office Support succesvol te maken. Tot slot achtte de sollicitatiecommissie [appellante] ten opzichte van andere kandidaten minder in het team passen. Dat aspect kan de sollicitatiecommissie laten meewegen en kan met zich meebrengen dat [appellante] ten opzichte van andere kandidaten minder sterk gemotiveerd was voor de functie Medewerker Office Support. Hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, is onvoldoende onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de sollicitatiecommissie in redelijkheid niet tot haar afwegingen en de daarop gebaseerde beslissing heeft kunnen komen. Het hof weegt daarin mee dat als [appellante] voor het sollicitatiegesprek druk zou hebben ervaren en dit haar optreden op het sollicitatiegesprek negatief heeft beïnvloed, zij dat aan de sollicitatiecommissie kenbaar had te maken, hetgeen zij heeft nagelaten, zodat het bij de beoordeling kon worden betrokken. Voorts zullen in het algemeen alle kandidaten die graag de functie van Medewerker Office Support wilden vervullen druk hebben ervaren doordat ook hun oude functie was vervallen. Nu het ervoor dient te worden gehouden dat GDF Suez met het aanbieden van de functie van Management Assistente uitvoering heeft gegeven aan de baangarantie en daarmee die verplichting haar werking had verloren, heeft [appellante] onvoldoende gesteld om te rechtvaardigen dat aan [appellante] , kennelijk ten koste van een van de andere kandidaten die uiteindelijk een plaats aangeboden heeft gekregen, een proefaanstelling had moeten krijgen.

Grief V slaagt daardoor niet.

Medewerker Channel Support

5.30

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 5.11 geoordeeld dat GDF Suez ook niet onjuist heeft gehandeld door [appellante] niet te plaatsen in de functie van Medewerker Channel Support. De redenen daarvoor zijn volgens de kantonrechter dat die functie schaal A10 heeft en daarmee drie schalen hoger ligt dan de schaal behorende bij de functie van Management Assistente (schaal A7), de functieomschrijving de eis van een opleiding op HBO-niveau in een bedrijfseconomische en/of commerciële richting stelt aan welke opleidingseis [appellante] niet voldoet, en dat [appellante] niet de kennis, vaardigheden en competenties heeft voor de functie eisen, zoals het hebben van een adviserende rol met direct klantcontact, waarbij moet worden opgetreden als gelijke partner ten aanzien van een sales medewerker.

Dit oordeel bestrijdt [appellante] met grief VI.

5.31

Het hof stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of een functie passend is vooral dient te worden nagegaan of de functie voldoende aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de betrokken werknemer.

Anders dan [appellante] stelt, verlangt de functieomschrijving een (voltooide) HBO opleiding met een bedrijfseconomische en/of commerciële richting. Uit het curriculum vitae van [appellante] blijkt dat zij op MBO niveau opleidingen heeft gevolgd en niet afgerond. Daarmee staat vast dat zij niet over een HBO diploma beschikt.

[appellante] stelt dat zij weliswaar geen voltooide HBO opleiding heeft, maar inmiddels kennelijk door haar ervaring op HBO niveau in de bedrijfseconomische en/of commerciële richting werkzaam kan zijn. Als GDF Suez daaraan twijfelt, kan volgens [appellante] van GDF Suez worden verlangd dat wordt getoetst of zij dat niveau heeft. Het hof volgt [appellante] hierin niet. Een werkgever mag voor de beoordeling of een werknemer aan de in de functieomschrijving neergelegde opleidingseis voldoet, verlangen dat de werknemer een voltooide opleiding met diploma heeft. Van een werkgever kan niet worden verlangd dat hij laat toetsen, zo dat in relatief korte tijd al mogelijk zou zijn, of die werknemer dat niveau heeft.

Voor het verschil in salarisschaal heeft de kantonrechter terecht tot uitgangspunt genomen de bij de Management Assistente behorende loonschaal A7 en die vergeleken met de veel hogere loonschaal A10 bij de functie van Medewerker Channel Support. Voor zover acht zou moeten worden geslagen op de feitelijke loonschaal A8 van [appellante] , in welke loonschaal zij door eerdere werkzaamheden en ervaring(sjaren) dan Management Assistente is gekomen, is nog steeds sprake van een belangrijke afwijking van de loonschaal die hoort bij de functie van Medewerker Channel Support.

Nu [appellante] niet aan de opleidingseis voldoet, kon GDF Suez reeds oordelen dat die functie voor haar niet passend was en dat zij derhalve niet voor die functie in aanmerking kwam. De door [appellante] gestelde ervaring in de functie van Medewerker Sales Support, welke ervaring de kantonrechter ten onrechte niet zou hebben meegewogen, leidt niet tot een ander oordeel.

Dit betekent dat grief VI evenmin slaagt.

veeggrief

5.32

Met grief VII komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 5.14 van het vonnis dat de vorderingen van [appellante] worden afgewezen met veroordeling van haar in de proceskosten. Deze grief mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de andere grieven.

slotsom

De grieven falen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Het salaris van de advocaat zal worden bepaald op 2 punten, tarief II.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 9 december 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van GDF Suez, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 711,- voor griffierecht en op € 2.148,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. O.E. Mulder en mr. P. Roorda en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 augustus 2018.