Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7298

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
WAHV 200.195.123 en .125
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden. De betrokkene was als kentekenhouder gehouden de in de WAM vastgelegde voertuigverplichtingen na te leven. Of de betrokkene zelf al dan niet bezitter was van de voertuigen, is niet van belang. De verplichting tot het afsluiten

van een verzekering rust op grond van artikel 30 WAM niet alleen op de bezitter van het voertuig, maar ook op degene op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister is ingeschreven.

Dat in andere zaken van de betrokkene de beschikking is vernietigd omdat de betrokken voertuigen niet in het bezit waren van de betrokkene, brengt niet mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.195.123 en .125

14 augustus 2018

CJIB 178398171 en 164221598

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissingen

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 19 mei 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

wonende te [C] .

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing - in beide zaken - ongegrond verklaard en bepaald dat de opgelegde verhogingen komen te vervallen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld verweerschriften in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijdingen voor het instellen van beroep bij de officier van justitie verschoonbaar zijn. Nu de officier van justitie het administratief beroep van de betrokkene in beide zaken wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard, had de kantonrechter - gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften - het beroep gegrond moeten verklaren en daarbij de bestreden beslissingen moeten vernietigen. Het beroep van de betrokkene tegen de beslissingen van de officier van justitie is echter ongegrond verklaard. Gelet op het vorenstaande kunnen de beslissingen van de kantonrechter niet in stand blijken. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissingen van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissingen vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikkingen beoordelen.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 164221598 een administratieve sanctie van € 390,- opgelegd ter zake van “voor een motorvoertuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 11 juli 2012 met het voertuig met het kenteken [YY-00-YY] .

3. Aan de betrokkene is verder als kentekenhouder bij inleidende beschikking met CJIB-nummer 178398171 een administratieve sanctie van € 390,- opgelegd ter zake van “voor een motorvoertuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 22 november 2013 met het voertuig met het kenteken [XX-01-XX] .

4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kentekens van de betrokken voertuigen weliswaar op naam van de betrokkene stonden, maar dat de voertuigen feitelijk in bezit waren van [D] . Op de zitting van de kantonrechter zijn tien soortgelijke zaken van de betrokkene behandeld. In zes van die zaken is geoordeeld dat niet gebleken is dat de betrokkene de bezitter was van de voertuigen. Volgens de gemachtigde is het onbegrijpelijk dat in de onderhavige zaken - die deels betrekking hebben op hetzelfde voertuig - anders is geoordeeld.

5. De verweten gedragingen zijn een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Deze bepaling brengt mee dat degene aan wie voor een motorrijtuig een kenteken is opgegeven, voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig deze wet moet afsluiten en in stand houden.

6. Uit artikel 67, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat de betrokkene als kentekenhouder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de verzekeringsplicht gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 2, derde lid, WAM) en de betrokkene dus niet strafbaar is wanneer er dan geen verzekering van kracht is (artikel 30, derde lid, WAM).

7. De betrokkene betwist niet dat hij de voertuigen op zijn naam heeft gezet. Vanaf dat moment was de betrokkene, als kentekenhouder, gehouden de in de WAM vastgelegde voertuigverplichtingen na te leven. Of de betrokkene zelf al dan niet bezitter was van de voertuigen, is niet van belang. Ingevolge artikel 30 van de WAM rust de verplichting tot het afsluiten van een verzekering immers niet alleen op de bezitter van het voertuig, maar ook op degene op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister is ingeschreven.

Nu ten tijde van de registercontrole de op naam van de betrokkene gestelde voertuigen niet verzekerd waren en de tenaamstellingen daarvan evenmin geschorst, staat genoegzaam vast dat de gedragingen zijn verricht.

8. Vervolgens dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er redenen zijn om een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sancties te matigen.

9. Het verweer van de gemachtigde komt in de kern neer op een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens de gemachtigde had de kantonrechter in de onderhavige zaken - net als in de andere zes zaken - moeten oordelen dat de betrokken voertuigen niet in het bezit van de betrokkene waren en de inleidende beschikkingen daarom moeten vernietigen. Dit verweer faalt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou slechts dan sprake zijn indien zonder (juridische) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden, 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is hier niet gebleken.

10. Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven het opleggen van de sancties achterwege te laten of de bedragen te matigen. Het beroep tegen de inleidende beschikkingen wordt dan ook ongegrond verklaard.

11. Om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan hij zou zijn geweest wanneer hij geen hoger beroep zou hebben ingesteld, zal het hof de verhogingen van de sancties eveneens ongedaan maken.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissingen van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissingen van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissingen;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikkingen ongegrond.

stelt vast dat de eerste en tweede verhoging ten onrechte zijn toegepast.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.