Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7286

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
WAHV 200.203.164
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren van een voertuig langer dan 6 meter/hoger dan 2,4 meter op een plaats waar dit is verboden. APV Gemeente Den Haag. Parkeren camper bij woning. Niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van gedoogbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.203.164

13 augustus 2018

CJIB 193260266

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 26 oktober 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 121,75.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren van een voertuig langer dan 6 meter/hoger dan 2,4 meter op een plaats waar dit verboden is”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 oktober 2015 om 11.28 uur op de 357 (het hof leest: het Willem Dreespark) te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YY-00-YY] .

2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene een camper in zijn bezit heeft en deze al enige jaren voor zijn woning parkeert. De betrokkene is hier nooit over aangesproken en het heeft nooit voor enige problemen gezorgd. De gemachtigde stelt dat de gemeente tussentijds de spelregels heeft gewijzigd. Van de betrokkene kan niet worden verwacht dat hij op de hoogte is van deze wijziging. Hij beroept zich dan ook op het rechtvaardigheidsbeginsel.

3. De onder 1. vermelde gedraging, met feitcode R414A, betreft overtreding van artikel 5:8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) van de gemeente Den Haag. Dit artikel luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

''1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. (…)

3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 tot 18.00 uur. (…)''

4. Het Uitvoeringsbesluit APV artikel 5:8 (hierna: Uitvoeringsbesluit) luidt als volgt:

''I.a. aan te wijzen als wegen en/of weggedeelten, waar het wegens strijd met het uiterlijk aanzien der gemeente buiten de onder III. genoemde tijden verboden is een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren: alle wegen binnen de bebouwde kom;

b. aan te wijzen als wegen en/of weggedeelten, waar het onder I.a. bedoelde verboden niet geldt: (…)

II. er de aandacht op te vestigen, dat het onder Ia. bedoelde verbod voorts niet geldt op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8.00 uur tot 18.00 uur.''

5. In zaken betreffende de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, dat de verbalisant heeft gezien dat een voertuig met een hoogte van 2,57 meter op zaterdag 24 oktober 2015 geparkeerd stond op de onder 1. vermelde locatie.

7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde niet ontkent dat de betrokkene zijn voertuig dat hoger is dan 2,4 meter op een zaterdag voor zijn woning aan het Willem Dreespark 357 heeft geparkeerd en waar de uitzondering uit artikel I.b. van het Uitvoeringsbesluit zich niet voordoet, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd te beoordelen of er desondanks redenen zijn om in dit geval een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

8. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De stelling dat parkeren ter plaatse - zo begrijpt het hof - al een paar jaar wordt gedoogd, is in het geheel niet onderbouwd. Er is dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake was van een gedoogbeleid, waaraan de betrokkene de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat niet zou worden gehandhaafd. De enkele omstandigheid dat kennelijk al lange tijd niet verbaliserend is opgetreden is daartoe in ieder geval onvoldoende. Dat de spelregels in de tussentijd

- waarvan het hof overigens niet is gebleken - zijn gewijzigd en de betrokkene hier niet van op de hoogte was, komt voor zijn rekening. Van burgers wordt verwacht dat zij de wet en regelgeving kennen.

9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.

10. De gemachtigde betoogt verder nog dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding onjuist heeft berekend. De kantonrechter is van € 487,- per punt uitgegaan. Gelet op het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in de Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2015, nr. 702372, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Wet griffierechten burgerlijke zaken en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de Regeling), had de kantonrechter volgens de gemachtigde moeten uitgaan van een waarde per punt van € 496,-. Voorts heeft de kantonrechter één procespunt te weinig toegekend.

11. De Regeling bepaalt dat per 1 januari 2016 de waarde per punt € 496,- bedraagt.

De Regeling voorziet in overgangsrecht. Artikel V, derde lid, bepaalt dat de oude bedragen (i.c. € 490,-) blijven gelden voor beroepschriften die vóór 1 januari 2016 zijn ontvangen, tenzij - kort gezegd - een vergoeding moet worden toegekend voor meerdere beroepsfasen, waardoor met verschillende bedragen zou moeten worden gerekend. In dat geval gelden de nieuwe bedragen. Het beroepschrift van de gemachtigde is na 1 januari 2016 ontvangen. De kantonrechter heeft derhalve een onjuist tarief gehanteerd.

12. Ten aanzien van het aantal toe te kennen punten stelt het hof vast dat de gemachtigde ter zitting van de rechtbank is verschenen. Gelet hierop had de kantonrechter, uitgaande van de door hem gehanteerde wegingsfactor, een proceskostenvergoeding moeten toekennen van € 248,- (= 2 x € 496,- x 0,25). De beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, zal daarom worden vernietigd en het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

13. Nu de betrokkene in hoger beroep - deels - in het gelijk wordt gesteld, komt het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten gemaakt in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde heeft in hoger beroep de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van dit beroepschrift moet één punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,-. Nu de gemachtigde enkel in het gelijk wordt gesteld voor hetgeen is aangevoerd omtrent de toekenning van de proceskostenvergoeding - dus op een punt van ondergeschikt belang - en voor het overige niet in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof, gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, eerste volzin, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, aanleiding om wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak is zeer licht) toe te passen. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 125,25 (= 1 x € 501,- x 0,25).

14. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen moet worden beslist als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 373,25.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.